Loading...
 

11e zondag door het jaar A - evangelie

2 Foto

VERKONDIG OP UW TOCHT:
HET RIJK VAN GOD IS NABIJ


...page... Wiki page pagination has not been enabled.

Matteüs 9, 36-10, 8: Zending van de leerlingen

Matteüs 9, 36-10, 8 // Marcus 3, 13-19 // Lucas 6, 13-16



De tekst

Dichter bij de tijd

Wanneer Jezus al de mensen ziet, die Hem volgen
om Hem te horen spreken
of om door Hem genezen te worden,
is Hij daar diep door geraakt.
‘Ze zijn als schapen zonder herder’ zegt Hij.
Tegen zijn leerlingen zegt Hij:
‘De oogst is wel groot, maar er zijn te weinig arbeiders.
Vraag aan de eigenaar van de oogst
om arbeiders in te zetten voor zijn oogst.’

Hij roept zijn twaalf leerlingen bij zich
en geeft hun de macht om onreine geesten uit te drijven
en elke ziekte en elke kwaal te genezen.
Dit zijn de namen van de twaalf apostelen:
allereerst Simon, die men Petrus noemt,
en dan Andreas, zijn broer,
Jakobus van Zebedeüs, en Johannes, zijn broer,
verder Filippus en Bartolomeüs,
Tomas en de tollenaar Matteüs,
Jakobus van Alfeüs en Taddeüs,
Simon Kananeüs
en Judas Iskariot, die Hem overgeleverd heeft.
Jezus zendt deze twaalf uit met de opdracht:
‘Ga niet naar de mensen die geen jood zijn,
en ga ook niet in een stad waar Samaritanen wonen.
Ga liever naar de verloren schapen van het huis van Israël.
Vertel aan iedereen:
“Het rijk der hemelen is nabij!”
Genees zieken, wek doden op,
genees melaatsen, drijf kwade geesten uit.
Jullie hebben gekregen zonder er iets voor te doen,
geef dan ook weg zonder er iets voor te vragen.’



Stilstaan bij ...

Leerling
Iemand die in de leer is bij iemand, die iemand volgt om iets bij te leren.
In protestantse kinderbijbels lees je hiervoor het woord ‘discipel’. Heel wat kinderbijbels gebruiken het meer neutrale en toegankelijke ‘vriend’.


Twaalf
Verwijst naar de twaalf stammen van Israël, in de Bijbel de nakomelingen van de twaalf zonen van Jacob (Israël)
Twaalf is zo het symbool van het volk van God.


Zenden
Iemand die gezonden werd, werd ‘apostel’ genoemd, een Grieks woord dat ‘gezondene’ betekent.
Vanaf de zending door Jezus worden twaalf van zijn leerlingen apostel genoemd. Voordien noemde men ze leerling.


Heidenen
Naam voor mensen die niet tot de geloofsgroep behoren van wie die naam uitspreekt. Op dit ogenblik wordt het woord ‘heiden’ bijna niet meer gebruikt, een gevolg van de waardering die men heeft voor de mensen, ongeacht hun geloofsovertuiging.


Samaritanen
In 721 voor J.C. werd Israël ingenomen door de Assyriërs. De actieve bevolking werd verbannen. Ouderen, vrouwen en kinderen bleven achter. Vele vrouwen huwden met de bezetter en kregen er kinderen van. Wanneer de gedeporteerde joden na jaren terugkwamen uit hun ballingschap, verafschuwden ze deze 'Samaritanen' als slechte gelovigen.
Ten tijde van Jezus was de omgang tussen joden en Samaritanen door nauwkeurige voorschriften geregeld. Zo werden hun vaten als onrein beschouwd en was het de joden verboden er gebruik van te maken.


Huis van Israël
= Het joodse volk.
Jezus zag zijn opdracht aanvankelijk uitsluitend voor het joodse volk


Koninkrijk der hemelen (= Rijk Gods)
Dit rijk wordt gerealiseerd wanneer mensen naar het woord van God leven en op die manier vrede en geluk mogelijk maken.
Volgens het toenmalig joods gebruik gebruikt Matteüs uit eerbied voor God ‘Rijk der hemelen’ wanneer hij het rijk van God bedoelt.


Genezen, doden opwekken ...
Deze handelingen werden door de profeten genoemd als tekens van de komst van de Messias.





Bij de tekst

De toehoorders van Jezus

Dit is het begin van de zendingsrede, de tweede grote toespraak van Jezus in het evangelie volgens Matteüs. Merk op dat Jezus zich aanvankelijk alleen richt tot het joodse volk.
Wanneer een deel van hen niet op die boodschap wil ingaan, en er zelfs afkerig tegenover staat, richt Jezus zich tot mensen van andere volkeren.

Merk ook op hoe bont het gezelschap van de twaalf apostelen is. Dit kun je zien aan hun namen: joodse en Griekse. Dit is ook te zien aan wat ze deden in hun leven: vissen, tol heffen in opdracht van de Romeinen, in het verzet zijn tegen de Romeinen.
Zoals Israël geroepen en gezonden werd om in de wereld te getuigen van de liefde en de trouw van God zelf, zo worden de leerlingen in het evangelie uitgekozen om getuigen van Jezus te zijn.





Suggesties

Grote kinderen

VERDIEPEN

De vrienden van Jezus

C. LETERME in Simon Plus 2003, nr 9

Maak vooraf kaartjes waarop je telkens één van de volgende woorden schrijft: Jezus, Zacheüs, melaatse, zondige vrouw, Nicodemus, Bartimeüs, vrouw uit Samaria. Zorg voor een groot blad papier (flap) en enkele stiften.

Vraag aan de kinderen:
- Waarom is iemand je beste vriend?
- Kan iedereen je beste vriend zijn?
- Kennen jullie de beste vrienden van Jezus?
(Verwacht niet dat de kinderen al deze namen kennen.)
Leg het kaartje met de naam Jezus in het midden van de flap. De kinderen noteren rond dat kaartje de namen van de apostelen. Leg dan, rond deze namen, omgekeerd de kaartjes met de andere namen. (Maak een keuze tussen de kaartjes in functie van de tijd en de mogelijkheden van de kinderen) Zeg dat Jezus nog meer vrienden had. Draai één voor één een kaartje om en laat de kinderen vertellen wat ze over die persoon weten. Zorg ervoor dat je zelf bij elke persoon een verhaal kunt vertellen. Verwerk in je verhaal ook de informatie i.v.m. de appreciatie van die persoon bij andere mensen.


Zacheüs (Lucas 19, 1-10)
Een tollenaar vraagt tol voor het gebruik van wegen en bruggen, of bij het binnengaan van het land of een stad. Hij doet dit in opdracht van de Romeinen, die Palestina binnengevallen waren. Daarom hielden de joden niet van tollenaars. Bovendien vroegen ze te veel geld. Voor Jezus is een tollenaar ook een mens.


Melaatse man (Marcus 1, 40-45)
Toen Jezus leefde was melaatsheid een verzamelnaam voor besmettelijke huidziekten. Om zich hiertegen te beschermen moesten melaatsen op een aparte plaats wonen, ver van de gezonde mensen. De joden zegden toen dat melaatsheid de ergste straf was die God kon geven. Daarom noemden ze melaatsen ‘zondaar’. Maar Jezus raakt een melaatse aan en laat hem toe terug als een gezonde mens te leven.


Bartimeüs (Marcus 10, 46-52)
Toen Jezus leefde waren er veel blinden. Fel zonlicht, gebrek aan lichaamsverzorging, armoede en ondervoeding waren er de oorzaak van. Het lot was van blinden was hard: ze moesten bedelen om in leven te blijven. Men dacht toen dat blind zijn een straf was van God voor een zonde van de blinde of van zijn ouders. Maar Jezus dacht daar anders over.


Zondige vrouw (Lucas 7, 36-50)
Toen Jezus leefde, probeerden de joden zo weinig mogelijk contact te hebben met zondaars, mensen die de joodse wetten niet onderhielden.
In de parabel van de verloren zoon vertelt Jezus dat God van zondaars blijft houden.
In het verhaal van de zondige vrouw wordt duidelijk dat liefde belangrijker is dan zonde.


Nicodemus (Johannes3, 1-3)
Farizeeërs waren erom bezorgd dat iedereen de wet zou onderhouden. Daarom herschreven ze die in nauwkeurige voorschriften. Wie de wet en de voorschriften niet onderhield was voor hen een zondaar. Tussen de eerste christenen en de farizeeërs waren heel wat spanningen. Maar Jezus zelf had verschillende vrienden onder de farizeeërs.


Vrouw uit Samaria (Johannes 4, 1-9)
Voor de joden waren de Samaritanen geen echte joden. De joodse wetten zegden dat ze onrein waren. Daarom mocht men ze niet aanspreken of een gebruiksvoorwerp aanraken dat hen toebehoorde.
Jezus ‘schokt’ zijn vrienden wanneer Hij een Samaritaan als voorbeeld stelt.



De twaalf apostelen

In dit stukje evangelie vermeldt Matteüs de namen van de twaalf apostelen.
Een gelegenheid om stil te staan bij die namen die nog steeds gebruikt worden.
- Herkennen de kinderen de oude namen van de apostelen in de namen die nu aan kinderen gegeven worden?
Bouw deze activiteit op rond dit blad.





BELEVEN

Genees zieken...

De kinderen maken een lijst van terreinen waar hulp nodig is.
(bv. bij zieken, kinderen die gepest worden...)
Daarnaast vullen ze in wat ze zelf kunnen doen.





Overweging

Rob Moens

Dominicaan, Genk



Genezen

De woorden ‘voor niets’, gratis, belangeloos, onvoorwaardelijk, onbaatzuchtig zijn typische woorden die christenen in de mond nemen. Ze in daden omzetten is wel zeer moeilijk. Dikwijls maken we mee dat mensen die veel goed doen, op een bepaald moment zeggen: ’Ik kreeg nog niet eens een vriendelijk woord, zelfs geen dank u.’ In dat geven ‘om niets’ zit dan toch nog dikwijls een verborgen verlangen naar ‘iets’, hoe weinig ook. Dat is heel menselijk.

In dit evangelie horen we hoe Jezus zijn apostelen, en ons dus ook, zendt om zieken te genezen. We zijn natuurlijk geen dokters. Zij bestrijden de ziekte van buitenaf met medicatie en therapieën. Wij kunnen zieken helpen om zich van binnenuit weer op te richten, om midden in het lijden een weg te vinden waardoor ze levenskracht krijgen om het leven nog te omhelzen. Zieken kunnen zich anders en beter voelen als ze verlost worden van angst, wanhoop of eenzaamheid. Liefdevolle zorg, steun en bemoediging kunnen daar veel aan doen.



Marc Galant, trappist (Orval)

De oogst (2017)

Matteüs had reeds een eerste panorama geschetst van Jezus’ zendingsactiviteit in het kader van “heel Galilea” (4, 23). Nadat hij er nu rond gegaan is “door alle steden en dorpen, er onderricht gegeven heeft in de synagogen, er de Blijde Boodschap verkondigd heeft van het Koninkrijk en er alle ziekten en kwalen genezen” (9, 35), maakt Jezus een bilan op. In dit stadium van zijn zending, is het meer tederheid die Hij aanvoelt voor de menigte dan alleen maar medelijden: Hij ziet hen met de ogen van Gods liefde. De stoet van ellende en te genezen kwalen heeft hem ruimschoots aangetoond dat de menigte afgetobd (Grieks “eskulmenoi”, letterlijk: “geschramd”) en neergeslagen is. Maar er is erger: in hun toestand van geestelijke verlatenheid, zijn deze mensen zijn "als schapen zonder herder", vooral omdat hun officiële herders, Schriftgeleerden en Farizeeën, doorgaan in hun weigering de komst van het Koninkrijk te onthalen. Op hen kan Jezus niet rekenen, en Hij ervaart het schrijnend gebrek aan middelen tegenover de omvang van de oogst. Uiteraard gaat de taak zijn krachten te boven. Hij zal vermenigvuldigers nodig hebben die met zijn eigen macht “onreine geesten uitdrijven en alle ziekten en alle kwalen genezen” (10, 1).

“De oogst is groot” (v. 37). In de Bijbel, drukt het beeld van de oogst een beslissende termijn uit: het betekent het uiteindelijke bijeenbrengen van Israël (vgl. Jesaja 27, 12-13), zoals het ook het Laatste Oordeel oproept (vgl. Joel 4,13; Apokalyps 14, 14-20). De oogst is rijp, het oogsten kan geen vertraging meer oplopen. In deze kosmische context behoort elk initiatief uiteraard God toe met de engelen als zijn uitvoerders (vgl. Matteüs 13, 39). Voor Jezus is de tijd rijp voor zijn zending om van Israël de goede oogst te maken die God verwacht.

Als deze oogst gebeurt op aarde, waar Jezus aan het werk is in de mensengeschiedenis met zijn medewerkers, dan blijft God de “Heer van de oogst”. De arbeiders zijn er niet de eigenaars van. Jezus vraagt dan ook zijn leerlingen om “de Heer van de oogst te bidden arbeiders uit te zenden voor zijn oogst” (v. 38). Dit gebed, in een geest van totale beschikbaarheid aan de Vader, bewust tevens van ons gebrek aan middelen, blijft het onze, in onze zeer complex geworden wereld, die evangelische arbeiders vereist op alle gebied van het sociale, culturele en intellectuele leven.
Meteen stuurt Jezus nu zijn leerlingen op zending met zijn eigen macht. Voor het eerst geeft Matteüs hun de naam van ‘apostelen’, in het Grieks ‘apostoloi’: ’gezondenen’. In de zending komt het er niet op aan hun eigen ideeën en standpunten te propageren. Ze zijn gezonden, geïnvesteerd met de woorden van de Heer en zijn macht om ze te laten horen.

Jezus preciseert het doel van de zending, nu nog in een voorlopig stadium. Zijn uiteindelijke richtlijn is: “Gaat en maakt alle volkeren tot mijn leerlingen” (Matteüs 28, 19). Voor hun eerste stappen in de zending, beperkt Jezus de actie van zijn apostelen: “Begeeft u niet onder de heidenen en gaat niet binnen in een stad van de Samaritanen; gij moet veeleer gaan naar de verloren schapen van het huis van Israël” (v. 5-6). Desnoods maakt Jezus wel uitzonderingen, maar Hij verklaart zichzelf “enkel maar gezonden tot de verloren schapen van Israël” (Matteüs 15, 24). Hij stelt zichzelf niet boven wat Hij aan zijn apostelen vraagt. De zending is een vertrouwenskwestie tussen Jezus en zijn zendelingen. Het vervolg verduidelijkt dit: de apostelen nemen de zending van Jezus op zich, door de komst van het Rijk der Hemelen te verkondigen (vgl. Matteüs 4, 17) en door de werken van goedheid van Jezus verder te zetten (v. 7-8a). Matteüs noemt deze tekenen “de werken van Christus” noemen (11, 2).

Jezus plaatst heel hun gezamenlijke onderneming in het licht van God: “Voor niets hebt gij ontvangen, voor niets moet gij geven” (v.8b). God is gratuïteit. De gratuïteit is zijn ademhaling. In de Drie-eenheid is de een er voor de andere, is de een er door de andere. God heeft de schepping niet nodig. Hij wil ze om niets. Om niets wil Hij er zijn voor ons, met ons in onze wereld, en Hij schenkt zich gratis aan ons. Hij wil er ook zijn door ons, en Hij vraagt ons die gave gratis mee te delen. Door gratis te ontvangen en gratis te geven komen wij Gods leven binnen.