Loading...
 

19e zondag door het jaar C - evangelie

Bloemen


...page... Wiki page pagination has not been enabled.

Lucas 12, 32-40: Maak je geen zorgen

De tekst

’Bijbel in gewone taal’

(Deze Bijbeltekst komt uit de Bijbel in Gewone Taal, © Nederlands Bijbelgenootschap 2014, p. 1646)

Wees niet bang, ook al zijn jullie maar met weinig gelovigen. Want de nieuwe wereld is voor jullie. Zo wil God dat.’

Jezus zei verder: ‘Verkoop je bezit en geef het geld aan de armen. Zorg dat je rijk wordt in de hemel. Want in de hemel raakt je geld nooit op. Je zult het daar ook nooit verliezen, en het zal er nooit gestolen worden. Leef daarom op zo’n manier dat je rijk wordt in de hemel.’

Jezus zei: ‘Zorg dat je klaarstaat en goed oplet. Net zoals knechten die wachten op hun heer. Hij komt laat thuis van een feest. Maar als hij op de deur klopt, doen de knechten meteen open. Het echte geluk is voor zulke knechten. Knechten die wakker zijn als hun heer komt, zelfs al is het midden in de nacht. Luister goed naar mijn woorden: De heer zal voor die knechten klaarstaan. Hij zal hen behandelen als belangrijke gasten, en hij zal zelf hun eten komen brengen. Stel dat je van tevoren weet wanneer er een dief komt. Dan zorg je ervoor dat die dief niet bij je kan inbreken. Maar jullie weten niet wanneer de Mensenzoon komt. Dus moeten jullie altijd klaarstaan. Onthoud dat goed!’

Toen vroeg Petrus: ‘Heer, was dat voorbeeld bedoeld voor iedereen? Of alleen voor ons?’ De Heer antwoordde: ‘Wat doet een dienaar die trouw en verstandig is? Stel dat zijn heer op reis gaat. Hij geeft zijn dienaar de opdracht om goed te zorgen voor al het personeel. Op een dag komt de heer terug. En hij ziet dat de dienaar inderdaad goed zorgt voor het personeel. Luister goed naar mijn woorden: Die dienaar krijgt een beloning! De heer zal hem verantwoordelijk maken voor zijn hele bezit.
Maar stel dat die dienaar denkt: Mijn heer komt voorlopig niet terug. En hij begint het personeel te slaan. Hij eet zich vol en wordt dronken.
Stel dat de heer dan terugkomt op een moment dat de dienaar hem helemaal niet verwacht. Dan zal de heer hem de zwaarste straf geven. Net zo’n zware straf als de ongelovige mensen zullen krijgen.

Stel dat een dienaar weet wat zijn heer wil, maar het niet doet. Dan zal hij zwaar gestraft worden. Maar stel dat een dienaar niet weet wat zijn heer wil, en dan iets verkeerds doet. Dan zal hij minder zwaar gestraft worden. Want als God je veel geeft, dan vraagt hij er ook veel voor terug. En als je veel voor God mag doen, dan zal hij ook veel van je verwachten.’



Dichter bij de tijd

(C. LETERME, Map Bijbel in 1000 seconden, fiche die hoort bij Lucas 12, 32-40)

Jezus zegt tot zijn leerlingen:
‘Wees niet bang, volgelingen van Me.
Uw Vader wil u het Koninkrijk geven.
Verkoopt uw bezit en geeft het geld aan de armen.
Zorg voor beurzen die niet verslijten,
en zorg voor een onuitputtelijke schat in de hemel,
waar geen dief bij kan
en geen mot hem kan bederven.
Waar uw schat is,
daar zal ook uw hart zijn.
Zorg dat je klaar staat en dat je lampen branden!
Doe zoals de dienaars die wachten
op de terugkeer van hun baas
die naar een trouwfeest is.
Als hij aankomt en klopt,
doen ze voor hem meteen open.
Gelukkig zijn de dienaars
die de baas bij zijn komst wakker vindt.
Echt waar, Ik zeg u: Hij maakt zich klaar,
nodigt hen uit aan tafel
en gaat zelf rond om hen te bedienen.
Al komt hij om middernacht of nog later,
gelukkig de dienaars die hij zo aantreft.
Onthou goed: als de eigenaar van het huis wist
wanneer de dief precies zou komen,
dan zou hij niet laten inbreken in zijn huis.
Ook jullie moeten klaar staan,
want de Mensenzoon komt
op een moment waarop je hem niet verwacht’.

Dan vraagt Petrus:
‘Heer, vertel je dat nu voor ons of voor iedereen?’
Jezus zegt:
‘Wie is de trouwe en verstandige dienaar?
Dat is hij die zijn baas zal aanstellen om te zorgen voor het personeel
en ieder op tijd hun deel van het koren te geven.
Gelukkig de knecht
die de heer bij zijn aankomst daarmee bezig vindt.
Echt waar, ik zeg u:
zijn baas zal hem de zorg over heel zijn bezit toevertrouwen.
Maar, als die knecht bij zichzelf zegt:
‘Mijn heer blijft nog wel een tijdje weg’,
en hij begint de knechten en dienstmeisjes te slaan,
en gaat hij zich te buiten aan spijs en drank,
dan zal de baas van die dienaar komen
op een dag dat hij hem niet verwacht
en op een uur dat hij niet kent.
Dan zal zijn baas hem onthoofden
en hem zo het lot doen ondergaan van de ontrouwen.
Als een knecht weet wat zijn baas wil,
maar geen voorbereidingen treft
en de wil van zijn baas niet uitvoert,
dan zal hij zwaar gestraft worden.
Maar wie in onwetendheid
dingen heeft gedaan die fout zijn,
zal slechts licht gestraft worden.
Van ieder aan wie veel is gegeven
zal veel worden geëist
en van hem aan wie veel is toevertrouwd
zal des te meer worden gevraagd’.



Stilstaan bij...

Vader
Typische manier waarmee Jezus God aanspreekt.
Door God zijn vader te noemen, wordt duidelijk dat Jezus de zoon van God is. Wanneer zijn volgelingen ook God als Vader mogen noemen, zijn zij dus ook zonen of dochters, dus kinderen van God. Een verwantschap die een hele taak met zich meebrengt.


Koninkrijk
Dit Rijk heeft te maken met een levensstijl waarbij men aan het woord van God de juiste plaats geeft. Dit Rijk heeft niets te maken met het materiële noch met succes, of met werelds machtsvertoon. Op dit punt botste Jezus op onbegrip en verzet bij zijn leerlingen en bij het volk. Want die dachten dat bij de komst van het Rijk van God de Romeinse bezetter verdreven zou worden.
Omdat dit rijk van een andere orde is dan dat wat men kent, gebruikt Jezus metaforen, beelden, gelijkenissen... om dit te verduidelijken.


Aalmoes
Dit is een gift (geld of goederen) aan een arme of een bedelaar.
De joden zagen het geven van aalmoezen als een godsdienstige verplichting. In een tijd waarin de overheid geen zorg droeg voor wie hulpbehoevend was, was dit een belangrijke vorm van ondersteuning en levensonderhoud voor hulpbehoevende medemensen.


Omgorden
Om meer bewegingsvrijheid te hebben bij het werken, werd de lange tuniek die gedragen werd opgetrokken met een gordel.


Nachtwake
De nacht werd onder de Romeinse bezetting verdeeld in vier nachtwaken, die elk drie uren duurden: van 18.00 tot 21 uur (= eerste nachtwake), van 21.00 tot 24.00 uur (= tweede nachtwake), van 24.00 tot 3.00 uur (= derde nachtwake) en van 3.00 tot 6.00 (= vierde nachtwake)


Mensenzoon
Hebreeuwse naam voor de Messias. Die naam gebruikte Jezus vaak om over zichzelf te spreken.
Op zich betekent ‘mensenzoon’: ‘mens’ (De profeten gebruikten het woord ‘mensenzoon’ om een mens aan te duiden in zijn sterfelijkheid en nietigheid), maar de profeet Daniël spreekt over de mensenzoon als over een koning die zorgt voor vrede en die de mensen komt oordelen.
Later gebruikte men dit woord om er de menselijke natuur van Jezus mee aan te duiden.
Huub Oosterhuis vertaalt ‘Mensenzoon’ met ‘Mensenkind’.


Petrus
(Grieks = steen; Frans: pierre)
Naam die Jezus gaf aan Simon, zijn eerste leerling. Jezus vond hem duidelijk een ‘kei’ van een man. Petrus was een visser uit Betsaïda. Hij was de belangrijkste in de groep van de apostelen. Rond het jaar 67 stierf hij de marteldood onder keizer Nero en werd begraven buiten de stadsmuren van Rome. De Sint-Pietersbasiliek staat bovenop zijn graf.


Gelijkenis
Een gelijkenis is een kort verhaal waarbij men een waarde, een begrip, plaatst naast een concreet gegeven dat er gelijkenis mee heeft, en het helpt te begrijpen.
Het woord ‘gelijkenis’ wordt in Vlaanderen vaak vervangen door ‘parabel'.





Bij de tekst

Spreken met beelden

'Houdt uw lendenen omgord en de lampen brandend.'


De gordel om de lendenen herinnert aan de uittocht uit Egypte. Men at de paasmaaltijd terwijl men vertrekkensklaar stond. De lange kledij werd met een gordel opgeschort / opgetrokken om meer bewegingsvrijheid te hebben bij het stappen.


De brandende lampen doen denken aan de parabel van de tien bruidsmeisjes.
De lampen moesten brandend blijven, want de meisjes hadden er geen idee van wanneer de bruidegom precies zou aankomen.


Beide beelden zeggen iets over waakzaamheid en klaarstaan.





Suggesties

Grote kinderen

BELEVEN

'Schatten van kinderen'

Materiaal
Een mooi versierd doosje met daarin: goudkleurige lintjes (‘Jij bent goud waard’) of pluimpjes (‘Ik heb een pluim voor jou!’)
Eventueel: speldjes om de lintjes vast te maken


Verloop
Neem het mooie doosje in je hand en behandel het als heel kostbaar materiaal.
Vraag aan de kinderen wat daar zou kunnen in zitten.
Ga in op hun antwoorden:
- Vinden jullie dat belangrijk? Waarom?
Vraag daarna:
- Zou Jezus dat ook belangrijk vinden? Waarom? Wat vindt Jezus belangrijk?


Doe dan langzaam het doosje open.
De kinderen zien dat het vol is met gouden lintjes of pluimpjes.
Bezorg elk kind en jezelf een gouden lintje of een pluimpje.


Geef zelf aan één kind een gouden lintje en zeg:
. omdat jij ................. bent, geef ik jou een gouden lintje, want zo ben jij goud waard.
of:
. omdat jij ................. bent, geef ik jou een pluim.


Het kind dat het lintje of pluim van jou heeft gekregen, geeft dan zelf een lintje of een pluim aan iemand anders in de groep en zegt erbij waarom die dat doet. Zo wordt aan iedereen pluim gegeven of een lintje.


Besluit dat wanneer we allemaal op die manier verder leven, we een betere wereld maken, zoals God die voor de mensen droomt.


TIP
. Versier een gewoon doosje met allerlei vormen van pasta's die je erop kleeft. Bespuit het nadien met goudkleurige of zilverkleurige verf.

. Gebruik het doosje nadien om uitspraken van Jezus in te bewaren die een 'schat zijn voor het hart'.





Jongeren

VERDIEPEN

'Echte schatten'

(Geïnspireerd door een tekst van Pastor Rob van Sambeek - Dongen)

- Waar denk je aan bij het woord 'schat?
Aan ‘schatrijk’?
Aan een ‘kunstschat’ of aan ‘een schat aan kennis’?
Aan ‘een schat’ van een meisje/jongen?
Aan veel geld?
Aan een rijkdom van geluk en liefde?


- Wat bedoelt Jezus met schat?
Jezus bedoelt zeker niet:
. materiële rijkdom (de rijke jongeling)
. schat aan kennis ( Farizeeërs en Schriftgeleerden. Zij wisten alles over wetten en voorschriften. Maar met hun ‘schat aan kennis’ waren ze tegelijk ook heel arm, omdat ze met al hun kennis toch het hart van de mensen niet wisten te raken.
 
Wat Jezus met ‘schat’ bedoelt, gaat meer in de richting van ‘schatje’, en van ‘een schat van een man/vrouw’. Dan horen we in het korte woord ‘schat’ ineens een wereld van warmte en liefde. Jezus wil naar de échte ‘schatten op aarde’ wijzen. Want wanneer we iemand ‘schat’ noemen, dan doen we dat omdat we daarmee de grote rijkdom willen aangeven, die we voelen aan vriendschap en liefde. Een gevoel dat niet in geld of in een materiële waarde kan uitgedrukt worden.
Hoeveel is je een vriendschap waard? Hoeveel is je een liefdevolle relatie waard?
In het antwoord op die vragen hoor je wat Jezus bedoelt met: 'een schat waar ook je hart is’.





VERTELLEN

Ware rijkdom

(C. LETERME, Parels van verhalen, Uitgeverij Averbode, 2019, p. 56 - verschijnt in het najaar 2019)

‘Ik kan overal inbreken zonder betrapt te worden,’,
pochte een inbreker.
‘Maar niet in mijn huis’,
zei een rijke man die hem hoorde.

Dat wilde de inbreker wel even testen.
’‘s Nachts ging hij naar het huis van de man.
Het leek wel een vesting:
rolluiken voor de ramen, deuren vol sloten en een alarmsysteem!

Maar de inbreker klauterde langs de regenpijp het dak op,
forceerde een zolderraampje en raakte met kleine moeite binnen.
De volgende dag zag de rijke man de inbreker
met zijn zilveren kandelaar in de hand. Niet te geloven!

Op een andere dag vroeg een man aan de inbreker:
‘Wil je eens zien of je bij mij kunt stelen?’
Dat moest men de inbreker geen twee keer vragen.
’s Nachts ging hij naar het adres dat de man hem gegeven had.

Daar stond een verkommerd huis met open ramen.
Nergens waren er sloten. Verbaasd liep de inbreker naar binnen.
In een kast lag een samenraapsel van borden, vorken, lepels en messen.
Niets had enige waarde.

Toen de inbreker zonder buit wegging,
kwam hij de man tegen die hem aangesproken had.
‘Jij hebt niets wat de moeite waard is om te stelen’, zei de inbreker.
‘Mijn rijkdom bewaar ik in mijn hart’, zei de man.

(Naar een Angelsaksisch verhaal)




Overweging bij het verhaal
(C. LETERME in Kerk en leven, Federatie Rotselaar, 3 augustus 2016, p. 1)

Elk jaar opnieuw houdt de politie rond de vakantieperiode
een campagne om de mensen ertoe aan te zetten
hun huis goed te beschermen tegen diefstal.
Het is goed dat dit gebeurt, want enige nonchalance op dit vlak
kan behoorlijk onaangename verrassingen met zich brengen.

De rijke man in het verhaal hierbij
wordt daarbij extra aangespoord door een inbreker
die ermee pochte dat hij in elk huis kon binnenbreken.
De inbreker vond de zwakke plek en nam een zilveren kandelaar mee.
Heel jammer voor die rijke man!

Heel anders verging het de inbreker uit dit verhaal in een ander huis:
hij kon er zonder moeite binnen,
zocht in alle hoeken en kanten naar iets waardevol,
maar ging nadien naar buiten zonder buit.
‘Ware rijkdom bewaar je in je hart’, zei de eigenaar nadien.

Op die manier maakt dit verhaal geen deel meer uit
van de campagne van de politie.
Het wil doen nadenken over wat echte rijkdom is.
Veel mensen denken dat rijkdom ligt in het materiële:
hoe meer men heeft, hoe rijker men is.

Maar echte rijkdom is in het hart te vinden.
Het ligt in de liefde en de genegenheid
die men voor elkaar heeft.
En daar hoeft men niet rijk of arm voor te zijn.





Overwegingen

Dalai Lama

Dalai Lama



Paus Franciscus

Waar is jouw schat?

'Waar uw schat is, daar zal ook uw hart zijn.'
Er zijn 'schatten', een leven lang opgestapeld,
maar die moet de mens op het ogenblik van de dood achterlaten.
Ik heb nog nooit een verhuiswagen achter een lijkstoet had gezien, nooit.
Maar er bestaat ook een schat die men met zich kan meenemen, die niemand kan roven,
een schat die men niet voor zichzelf heeft gespaard,
maar die men aan de anderen heeft gegeven.
De schat die de mens aan de anderen heeft gegeven, die neemt hij mee.
Liefde, naastenliefde, dienstbaarheid, geduld, goedheid, tederheid
zijn schatten die de mens kan meenemen, de andere niet.




Op maandag 31 maart 2014 kregen 5 Vlaamse jongeren (Verse vis) de kans om paus Franciscus te interviewen. op het einde vroegen ze de paus of hij nog een vraag had voor hen. Toen zei de paus:

'Waar is jouw schat?
Waar rust jouw hart?
Op welke schat rust jouw hart?
Want die schat zal jouw leven bepalen.
Het hart is gelinkt aan die schat
die we allemaal bezitten.
Macht, geld, trots ...
zoveel dingen of
goedheid, schoonheid, de wil om goed te doen ...
Het kunnen zoveel dingen zijn.
Waar is jouw schat?
Dat is mijn vraag.
Maar jullie moeten die zelf beantwoorden.
Bij jullie thuis.'



Frans Mistiaen s.j.

Als goede beheerders uitzien naar een liefdevolle ontmoeting met Hem

Het is niet zo onbelangrijk
te weten waarheen wij uiteindelijk op weg zijn,
wat het einddoel is van ons leven.
Want het besef van ons einddoel
heeft veel invloed op de manier waarop wij nu leven, daar naartoe.
Wie overtuigd is dat alle mensen
op de wereld zijn geworpen door een dom noodlot
en uiteindelijk in het lege niets zullen verdwijnen,
zal nú zeer onverschillig, zonder veel energie of hoop
door het leven gaan.
Wie vreest op het einde te zullen verschijnen
voor een strenge Rechter, die elke fout beoordeelt en veroordeelt,
zal nú vooral als een angstige mens leven.
Bij christenen leeft een ander beeld over wat wij verwachten:
geen verdwijnen in het niets,
geen verschijnen voor een strenge Rechter;
wij geloven en hopen sterk dat ons leven uitmondt
in een uiteindelijke ontmoeting
met de levende, verrezen Heer Jezus, die van ons houdt.
Die ontmoeting wordt in het evangelie dikwijls uitgedrukt
met de beelden van "de wederkomst van de Bruidegom" en
van “het samen aanzitten aan de bruidstafel waar Hij bedient”.
De Bruidegom, dat is diegene die het feest van de liefde organiseert.
Dat betekent dus dat wij ons leven willen zien
als een voorbereiding op een ontmoeting met Heer van de liefde.
En dus zullen wij ons leven nu reeds zodanig organiseren
dat de liefde er centraal staat.
Ons voorbereiden om
"samen aan te zitten aan de bruidstafel, waar Hij bedient",
betekent dat wij nu reeds een gemeenschap willen vormen
van genegenheid, zelfgave en dienstbaarheid voor elkaar.
Christenen zijn mensen die geloven en hopen
dat hun leven uiteindelijk uitloopt
op een “liefdevolle” ontmoeting met hun Heer.
En dat voelt men nu reeds aan hen, als men hen ontmoet.
 
En toch kan het besef van het einddoel verflauwen.
Reeds in de jonge Kerkgemeenschap
ontstond er daarover heel vlug een probleem,
want de wederkomst van de Heer bleef toen, en blijft ook nu,
steeds langer uit.
Het concrete leven en de aardse taken,
de noodzakelijke zorg voor kinderen en kleinkinderen,
voor eten op tafel en een dak boven het hoofd,
deden en doen ook vandaag die wederkomst van de Heer,
en dus het toekomstperspectief, vergeten.
Sommige teksten van de schrift willen dat dan ook wat corrigeren
en moedigen ons vooral aan
te denken aan wat wij nog mogen verwachten.
Zij vragen ons “waakzaam te zijn”,
nog sterker “elk ogenblik paraat te staan”
om met de Heer mee te gaan als Hij komt.
Voor ons, mensen, die toch als eerste taak hebben
ons te engageren in het concrete leven nu,
kan deze nadruk op het “uitkijken naar de toekomst”
overdreven lijken.
Moeten wij dan de wereld vluchten,
zoals sommige strekkingen dat,
ook binnen de Kerk, hebben gepropageerd?
Neen, dit is niet de bedoeling van het evangelie.
Wel worden wij,
te midden van onze heel reële dagelijkse zorgen en inzet,
hier uitgenodigd toch eens na te denken
over de kwaliteit van onze ijver, van ons werk en van ons engagement
in het perspectief van onze toekomst.
Christenen zijn geen mensen
die zich volledig terugtrekken uit de wereld,
maar wel mensen die, te midden van hun inzet
toch steeds kritisch blijven tegenover een wereld,
vooral als die zich zou willen opsluiten op zichzelf
en gaan leven los van God.
Christenen willen zich loyaal engageren in onze maatschappij,
als die verbonden is en blijft met haar toekomst,
met haar Schepper en Heer van het Leven.
Want wij, gelovigen, beschouwen de aarde
als de schepping van God, die wij mogen beheren
en waarbij wij de opdracht hebben gekregen
goede beheerders te zijn van Gods eigendom.
Zulk een visie beïnvloedt sterk de manier waarop
wij ons engageren in onze dagelijkse, concrete taken.
Christenen willen
niet handelen als hooghartige bezitters,
niet als mensen die menen dat heel de wereld van hen is
en die voor zichzelf maar mogen pakken wat zij kunnen grijpen.
 
Wij, christenen willen steeds proberen te handelen
als dankbare beheerders van een aarde, die van God is,
en die meer en meer een goede aarde, schepping, kan worden,
zoals Hij die heeft gedroomd, als wij met Hem meewerken.
 
Ook vandaag is het voor gelovigen belangrijk
bewust te blijven van dit toekomstperspectief,
ook in meest opslorpende activiteiten van elke dag.
Want wie, als een goede beheerder,
uiteindelijk een liefdesgemeenschap verwacht,
zal bij alles wat hij onderneemt of beheert toch vooral proberen
nu reeds liefdesgemeenschap op te bouwen.
Wie uiteindelijk naar een tafelgemeenschap uitziet,
zal nu reeds zijn tafel delen met anderen.
 
Van ons uiteindelijk doel krijgen wij reeds een voorsmaak
elke keer hier in de eucharistie,
waar de Heer rond gaat om ons te bedienen
en ons uitnodigt een liefdesgemeenschap op te bouwen
door onszelf voor anderen te breken en te delen,
zoals Hij hier voor ons doet.



Marc Gallant, trappist (Orval)

De Heer komt (2013)

Jezus geeft ons een buitengewoon positieve kijk op ons levensverloop. De ons gegeven tijd heeft een einde. We gaan een 'ginds' tegemoet waar wij niet meer zullen zijn. Ons leven heeft nu eenmaal de richting naar een naderbij komend einde. Ons leven is echter radeloos op de vlucht voor het niet-zijn. Leven begeert te leven en roept om verder leven. Het wil altijd weer naar verder trekken, altijd opnieuw naar toekomst verlangen. Maar één vraag blijft: is die toekomst het vallen in de afgrond van het niets?

Op die vraag vertelt Jezus een parabel over knechten voor wie de toekomst de komst is van hun Heer. Hier geldt niet meer: ’de tijd gaat, de dood komt’, maar: ‘de tijd gaat, de Heer komt’. Niet de dood zal ons overvallen, maar de komst van de Heer. Zijn komst is de toekomst. Zijn komst bevestigt dat God Liefde is, en dat het ondenkbaar is dat Hij ons geschapen zou hebben om ons daarna in het niets te laten vallen. God is onze hoop: Hij laat ons niet vallen. Hopen is Hem dus ook niet laten vallen. Het vertrouwen is wederkerig.
De dood is toch wel onze grens. Zij kan ons alles afnemen. Zij neemt ons ook alles af, wat van ons is. Maar de dood heeft ook een grens: zij kan God niet aan, zij kan Hem niets afnemen want God heeft niets: Hij is. De dood kan ons dus niet afnemen wat in ons van God is. Bij onze dood blijft voortbestaan de liefde van God waar wij mee geleefd hebben. Alleen ons gewicht aan liefde zal de dood overleven.

Dat is het ongehoorde wat in de parabel de dienstknechten te beurt valt als ze staan in dienstkledij als hun meester komt: hun meester trekt zelf de dienstkledij aan om hen te dienen! De liefde is altijd actief, ze is in dienstkledij. Tegenover de liefde van de knecht staat de liefde van de meester.
De liefde is de enige werkelijkheid die stand houdt bij de komst van de dood, bij de komst van de Meester.

Vanuit zijn eigen liefde-zijn heeft God ons uit het niet-zijn geroepen tot ons eigen bestaan. Wij bestaan door Hem, in zijn licht, naar zijn beeld. Door de menswording is God ons zo nabij gekomen dat we in ons het beeld dragen van Christus. En Christus is onder ons gekomen “als Hij die dient” (Lucas 22, 27). Leven zoals Hij, leven in zijn liefde betekent gericht zijn naar zijn komst. Wij zijn dan niet “als die dienaar die bij zichzelf zegt: Mijn heer komt maar niet, en de knechten en dienstmeisjes gaat slaan, zich vol vreet en zich bedrinkt” (12, 45). Dat is een gedrag dat iemand totaal buiten de liefde zet. 

De liefde van God werpt een licht op onze toekomst. Onze toekomst is onze vrijheid. We zijn totaal vrij Gods aangeboden liefde te beantwoorden. Zonder die vrijheid zou onze liefde geen zin hebben voor God: het ‘ja’ van onze liefde moet uit ons hart komen. Ons antwoord is echter niet bijkomstig voor God: ware liefde verwacht wederkerigheid. Antwoorden op zijn liefde, is God in ons doen en laten God laten zijn.
Zo wordt duidelijk dat de liefde tot Christus niet op de eerste plaats is Hem te willen beminnen, maar Hem ons te laten beminnen. Het is deelnemen aan zijn liefde, misschien zonder zelf iets te hebben, met lege handen: de dood zou ons toch afnemen wat we zelf zouden hebben. Niet onszelf willen geven, maar Hem geven die de liefde is. God zich in ons aan God laten geven, opgenomen worden in de beweging van de Drievuldigheid. God zich laten geven bij zijn komst. 
Bij zijn komst God zich laten geven is sterven aan zichzelf om, één met Christus, Gods gratuïteit te beleven.



Wees waakzaam (2016)

Jezus is op weg naar Jeruzalem, waar hij zijn exodus zal volbrengen. Hij wil zijn leerlingen voorbereiden op de situatie na Pasen: dan zullen ze Hem in zijn afwezigheid moeten verwachten. Alle gelovigen moeten steeds gereed staan, de lendenen omgord in werkkleding, en hun lampen moeten ze brandend houden (v. 35-40). Vooral wie verantwoordelijk is voor een gemeenschap wordt uitgenodigd om trouw te zijn (v. 41-48). Met gelijkenissen wil Jezus aantonen hoe zich te gedragen.

Jezus begint met alle leerlingen uit te nodigen om in werkkleding te blijven, als Hij, na de Hemelvaart, vertrokken zal zijn. De afwachtende houding om te kunnen opendoen als de Heer aanklopt (v. 36), bestaat er voor de leerlingen in, onverlet hun werk te doen. De meester, die naar een huwelijksfeest is, kan immers terugkomen op elk moment van de nacht (v. 36-38).
Tot tweemaal toe prijst Jezus de knechten gelukkig, die de meester waakzaam zal vinden. Zij zullen zijn tafel te delen. Dat is een verwijzing naar de eschatologische maaltijd, die God voorzien heeft voor zijn volk (Jesaja 25, 6-8). Jezus zal dit beeld nog hernemen (Lucas 13, 29), en het verduidelijken in de aankondiging dat de zijnen zullen eten en drinken aan zijn tafel in zijn koninkrijk (Lucas 22, 30). Deze uitspraak ontleent haar kracht aan de verklaring dat de meester zelf de tafeldienst zal verzekeren: te midden van de zijnen is het Jezus zelf die bedient (Lucas 22, 27). Op hun beurt, betrekken zijn leerlingen geen machtspositie, zij staan tot dienst. Paus Franciscus blijft het nog steeds herhalen.

Het thema van de waakzaamheid wordt nog versterkt door een tweede parabel. Een gezinshoofd weet nooit hoe laat er zou kunnen worden ingebroken. Het is niet mogelijk precies op het goede ogenblik wakker te zijn ! We moeten dus voortdurend op onze hoede zijn: de uiteindelijke komst van de Mensenzoon heeft een totaal onvoorspelbaar karakter (vgl. Lucas 17, 23-36).

Petrus komt dan met de vraag om de toepassing van de parabel te verduidelijken. Voor wie is die parabel? Voor allen - met inbegrip van de menigte - of alleen voor de leerlingen (v. 41)?
Lucas noteert hier dat de vraag zich richt tot de ‘Heer' - dat is de titel van de verrezen Jezus -, en dat het 'de Heer’ is, de meester van de Kerk, die antwoordt met een derde parabel, die expliciet de situatie schetst na Pasen: de werkwoorden zijn er in de toekomstige tijd, met name als er sprake is van de aanstelling van de beheerder. Jezus herhaalt dat de knecht gelukkig is, als zijn Heer hem bij zijn terugkeer op zijn post aan het werk zal vinden (vgl. v. 36-38), en het gaat hier om een dienaar die verantwoordelijk is om voedsel te verstrekken aan de andere personeelsleden (v. 42-44). Naar behoren deze taak volbrengen is trouw zijn en betrouwbaar, in het bewustzijn dat het eeuwige leven in de dagelijkse taken uitgespeeld wordt. Als beloning zal deze dienaar een grotere taak worden gegeven, het beheer van alle eigendommen van zijn meester.

Een in het negatief geschetst tafereel biedt verduidelijking (v. 45-46). Als de meester niet tijdig terugkomt, zou de beheerder een machtspositie kunnen aannemen met alle misbruiken vandien. Men kan hier denken aan al het machtsmisbruik waaronder de Kerk geleden heeft sinds de Romeinse keizers in de vierde eeuw het christendom tot staatsgodsdienst verklaarden en het met machtsstructuren georganiseerd hebben …
De parabel is duidelijk: bij zijn onverwachte terugkomst zal de meester deze wanordelijke beheerder breken, en hem buiten de gemeenschap onder de ongelovigen plaatsen. Er wordt nochtans onderscheid gemaakt tussen het geval van opzettelijke verwaarlozing bij de beheerder (v. 47), en dat van onopzettelijke nalatigheid, dat van onbekwaamheid getuigt (v. 48a).

De vraag van Petrus heeft Jezus dus ertoe geleid om iets te preciseren: indien alle gelovigen bij de waakzaamheid betrokken zijn, wordt er een striktere houding vereist van hen die een pastorale verantwoordelijkheid dragen voor de andere leden van de gemeenschap. Christus verwacht veel van de leiders van de gemeenschap, zoals Hij het aangeeft door het populaire spreekwoord aan te halen: “Van iemand aan wie veel gegeven is, zal ook veel gevraagd worden; als iemand veel is toevertrouwd, zal men des te meer van hem eisen” (v. 48b).