Loading...
 

24e zondag B - evangelie

2 Foto

WIE MIJN VOLGELING WIL ZIJN
MOET MIJ VOLGEN
DOOR ZICHZELF TE VERLOOCHENEN
EN ZIJN KRUIS OP TE NEMEN


...page... Wiki page pagination has not been enabled.

Marcus 8, 27-35: Belijdenis van Petrus

Marcus 8, 27-35 // Matteüs 16, 13-20 // Lucas 9, 18-24



De tekst

’Bijbel in gewone taal’

(Deze Bijbeltekst komt uit de Bijbel in Gewone Taal, © Nederlands Bijbelgenootschap 2014, p. 1593-1594)

Jezus en de leerlingen gingen naar de dorpen
in de buurt van de stad Caesarea Filippi.
Onderweg vroeg hij aan zijn leerlingen: ‘Wie ben ik volgens de mensen?’
De leerlingen antwoordden:
‘Sommige mensen zeggen dat u Johannes de Doper bent.
Anderen zeggen dat u Elia bent.
Weer anderen zeggen dat u één van de profeten van vroeger bent.’
Toen vroeg Jezus: ‘En wie ben ik volgens jullie?’
Petrus antwoordde: ‘U bent de messias.’
Jezus zei: ‘Vertel dat beslist niet aan iemand anders!’
Jezus zegt wat er met hem zal gebeuren
Jezus begon aan de leerlingen uit te leggen wat er met hem moest gebeuren.
Hij zei: ‘De Mensenzoon zal veel moeten lijden.
De leiders van het volk, de priesters en de wetsleraren
zullen hem behandelen als een vijand.
Hij zal gedood worden. Maar drie dagen later zal hij opstaan uit de dood.’
Jezus legde hun dit heel duidelijk uit.
Toen nam Petrus Jezus mee, weg van de andere leerlingen.
Hij zei tegen Jezus: ‘Zulke dingen mag u beslist niet zeggen.’
Maar Jezus draaide zich weer om naar de andere leerlingen.
Hij zei boos tegen Petrus: ‘Achteruit jij, Satan!
Jij denkt aan wat mensen willen, niet aan wat God wil.’



Stilstaan bij ...

Caesarea Filippi (Panias / Panion / Banyas)
Caesarea Filippi was in de oudheid een stad die zich bevond aan de zuidelijke helling van de berg Hermon (berg), dichtbij de bronnen van de Jordaan. Tijdens de regering van David was dit de meest noordelijke uithoek van het land.

'Caesarea' verwijst naar keizer Augustus; 'Fillippi' verwijst naar Filippus, de broer van koning Herodes Antipas (= zoon van koning Herodes de Grote, die opdracht gaf voor de kindermoord in Betlehem).

Caesarea F Grot

Grot van één van de bronnen van de Jordaan.

In de 3e eeuw voor Christus stond bij de bron Panias een heiligdom dat gewijd was aan de Griekse god Pan, die daar geboren zou zijn. Vermoedelijk stond vroeger op deze plaats het heiligdom van de god Baäl (Kanaänitische god).

Caesarea F   Reconstructie

Reconstructie van het tempelcomplex bij de bron, in de tijd van Jezus.


In de 1e eeuw voor Christus bouwde Herodes de Grote bij de grot een tempel voor keizer Augustus. Zijn zoon, de tetrarch Filippus, die hem gedeeltelijk opvolgde, stichtte een stad op het plateau, dat wat hoger lag dan de bron. Hij noemde die stad Caesarea, ter ere van keizer Augustus. Hij maakte die stad tot de hoofdstad van zijn rijk. De stad werd Caesarea Filippi genoemd, om die te kunnen onderscheiden van andere steden die ook Caesarea genoemd werden.

Caesarea F Ruïnes

Actueel zicht op de ruïnes van het tempelcomplex.



Johannes de Doper
Zoon van de priester Zacharias en zijn vrouw Elisabet.
Hij riep de mensen op om zich te bekeren, zich tot God te keren. Hij verzamelde leerlingen om zich heen en doopte mensen die zijn volgeling werden. Hij werd gevangen genomen en gedood, omdat hij kritiek had op de levenswijze van koning Herodes.


Elia (Hebreeuws = Mijn God is JHWH)
Eén van de belangrijkste profeten in het Oude Testament. Hij leefde in de 8ste eeuw voor Christus, een tijd waarin Israël terug afgoden vereerde. Hij trad op als de profeet die de verering van JHWH terug centraal stelde, geheel in de lijn van de betekenis van zijn naam.
Op het einde van zijn leven werd hij ‘ten hemel opgenomen’.
De Joden verwachten dat Elia zal terugkomen. Nu nog zetten ze bij het joodse paasfeest een extra beker wijn voor hem klaar.


Profeet (Grieks = ‘spreken voor of in naam van een ander’)
Een profeet spreekt in naam van God: hij klaagt een concrete situatie aan en roept op om ze te veranderen, om ze om te keren vanuit Gods droom over de wereld.


Petrus (Grieks = steen, rots; Frans: pierre)
Jezus noemde zijn eerste leerling Simon: Petrus. Hij vond hem duidelijk een ‘kei’ van een man.
Hij kreeg de belangrijkste plaats in de groep van de twaalf apostelen, en werd de eerste paus. Rond het jaar 67 stierf hij de marteldood onder keizer Nero en werd begraven buiten de stadsmuren van Rome.
De Sint-Pietersbasiliek staat boven op zijn graf.


Christus(Grieks = Gezalfde; Hebreeuws: Messias)
Vroeger werden de koningen van Israël gezalfd. Dit toonde aan dat ze een bijzondere zending van God ontvangen hadden. Ook personen met een bijzondere religieuze zending werden gezalfd (Priesters, profeten)
De Bijbel zegt dat de Gezalfde (= Messias, = Christus) het rijk van God op aarde zal vestigen.
Ten tijde van Jezus verwachtten de Joden dat die Messias hen zou komen bevrijden van de Romeinse bezetter en het rijk van koning David zou herstellen. Ze dachten dus over die Messias als over een nationalistische figuur, een militaire aanvoerder, een politieke rebel. Dat is wellicht de reden waarom Jezus dit woord niet voor zichzelf gebruikt.
Later is men deze titel voor Jezus gaan gebruiken: Jezus Christus. Het is dus geen familienaam.


Mensenzoon
Woord dat niet beladen is met allerlei bijbetekenissen.
De profeten gebruikten het om een mens aan te duiden in zijn sterfelijkheid en nietigheid.
De profeet Daniël spreekt over de mensenzoon als over een koning die zorgt voor vrede en die de mensen komt oordelen.


Zijn kruis opnemen
Beeldspraak voor het aanvaarden van het lijden.
Jezus maakt ermee duidelijk dat lijden en dood deel uitmaken van zijn zending als Messias. Deze invulling is onaanvaardbaar voor de joden. Ook voor de moslims: ‘Isa (Jezus) is niet gestorven aan het kruis ‘ (Koran, Sourate An-Nisa’ 4/157-159)


Satan
= hij die zich dwars opstelt,
iemand die dwars ligt, een tegenstander.





Bij de tekst

Het zwijgverbod

Jezus zou zijn leerlingen verboden hebben om over Hem te spreken als een Messias. Men vermoedt dat Hij zo wilde vermijden dat mensen van Hem zouden verwachten dat Hij een politieke Messias zou zijn, die hen zou verlossen van de Romeinen.



Christus / Messias

De Messias is in de joodse verwachting de profeet van het einde der tijden, die met zijn komst dit einde inluidt.
Dat Jezus de Christus, de Messias is, betekent dat het rijk aan het komen is. Maar de Messias zal veel moeten doorstaan als hij zijn opdracht trouw wil blijven.





Suggesties

Kleine kinderen

DOEN

Een grote bloem

Vooraf
Knip een aantal bloembladen, die groot genoeg zodat kleine kinderen erin kunnen tekenen, en een bloemhartje uit geel papier waarin je de naam 'JEZUS' schrijft.


Verloop
De kinderen vertellen wat ze over Jezus weten. Daarna tekenen ze over Jezus in een bloemblaadje. Schik nadien al deze bladen rond het 'bloemhartje' waarin de naam Jezus staat.

Outline Drawing Flower Plant Historic Writing





EXTRA

Klik hier voor meer suggesties.





Grote kinderen

VERDIEPEN

Vloergesprek

Materiaal
flap / groot papier met daarop de vraag: Wie is Jezus voor jou?


Verloop
Leg de flap met de vraag op de grond. Laat de kinderen een paar minuten nadenken over hun antwoord op die vraag. Daarna noteren ze in stilte hun antwoord op de flap. Nadien mogen ze hun antwoord toelichten.

Lees dan het evangelie voor.

Sta stil bij het merkwaardig antwoord van Petrus op diezelfde vraag en de betekenis van het woord Messias / Christus.
Het is niet onbelangrijk bij dit woord stil te staan, omdat het vaak in de evangelies terug komt én omdat het in zijn Griekse vertaling (nl Christus) zo gekoppeld is aan Jezus, dat veel kinderen (en ook volwassenen) foutief denken dat Christus de familienaam van Jezus is. Vermeld zeker dat de titel Messias (Christus) iets duidelijk maakt over de nauwe relatie tussen Jezus en God.




TIP
Je kunt de vraag op de flap persoonlijker maken:
Wat heeft Jezus in jouw leven te zeggen? (Laat de kinderen zoeken naar één woord dat hun antwoord samenvat – bv. liefde, eerlijkheid, vriendschap, vrede...)
Geef de kinderen de opdracht om voor zichzelf te zoeken waarin Jezus de volgende week hun leven kan inspireren.





EXTRA

Klik hier voor nog meer suggesties.





Overweging

Agnes Lameire (2018)

Wie is Jezus voor jou?

Wie zeggen de mensen dat ik ben? Wat werd er in die tijd over Jezus verteld in zijn thuisbasis Galilea ?
Sommigen herkennen in Hem Johannes de Doper, de ruige prediker bij de Jordaan. Nog niet zolang geleden had Herodes hem in de gevangenis laten onthoofden. Zou hij uit de dood zijn weergekeerd?
Anderen vragen zich af of die Jezus van Nazaret de profeet Elia was? Die was, eeuwen geleden in een vlammende wagen ten hemel gevaren en in de volksmond heette het dat hij ooit zou terugkeren om de eindtijd in te luiden... Tot op onze dagen staat bij orthodoxe joden bij het jaarlijkse paasmaal voor Elia een lege stoel thuis mee aan tafel.

Of is Jezus een van de profeten? - waarmee bedoeld wordt: een van de oude, bekende profeten als Jeremia, Jesaja of Ezechiël? In de laatste vijf eeuwen was in Israël geen enkele profeet meer opgedoken. De profetentijd leek definitief afgesloten, dus, wie weet ?

Maar gij, wie zegt gij dat ik ben vraagt Jezus aan de twaalf. Petrus hakt de knoop door: 'Gij zijt de Christus' zegt de tekst die voorgelezen werd. Anderen vertalingen zeggen: 'Gij zijt de Messias'.
Christus voor de christenen of Messias voor de joden, beide woorden betekenen hetzelfde: de gezalfde. In het oude Israël werd verlangend naar Hem uitgekeken want Hij zou het volk redden uit de vernederende positie waarin het onder de Romeinse overheersing was terechtgekomen.
De Messias was degene die komen zou, die het land zijn oude glans zou teruggeven, die het koninkrijk zou herstellen.

Was dat het wat Petrus bedoelde? Of horen we hier al de stem van de Petrus die de beweging rond de verrezen Jezus in gang zou zetten?

In elk geval nam Jezus zijn belijdenis niet in dank aan. Dacht de apostel enkel aan de glorierijke kant die zijn woorden inhielden?
Hij heeft inderdaad geen weet van wat zijn meester zal moeten lijden. Maar later zal Petrus in Rome dezelfde weg naar het kruis gaan...

De eerste christenen noemden Jezus: Heer, Lam Gods, Zoon van de Vader, het Lam dat wegneemt de zonden van de wereld, de Allerhoogste Jezus Christus. Eretitels die we nog altijd zingen in het Gloria. Straks herhalen we in de geloofsbelijdenis de oude formules van de jonge Kerk: ik geloof in Jezus Christus, onze Heer, ontvangen van de Heilige Geest, geboren uit de maagd Maria. Die geleden heeft onder Pontius Pilatus, gekruisigd is, gestorven, begraven en op de derde dag verrezen uit de doden.
We kennen die woorden van buiten, maar wat betekent Jezus in jouw leven, in dat van mij?

Een recente enquête gaf de volgende antwoorden:
Hij was de zoon van de timmerman van Nazaret.
Hij is de tweede persoon van de Heilige Drievuldigheid.
Hij was een mens als geen ander.
Hij was een leraar met gezag.
Hij vond mensen belangrijker dan wetten.
Hij was een wonderdoener.
Hij trok zich het lot aan van armen, zieken en gehandicapten...

Het zijn allemaal wel goede antwoorden maar daar gaat het vandaag in het evangelie niet om. Het gaat er om dat Jezus aan elk van ons de vraag stelt:
Wie zegt GIJ dat ik ben?
Wie ben ik voor JOU?
Wat beteken ik in JOUW leven?
Dat is geen simpele vraag waar je in 1 - 2 - 3 kunt op antwoorden.
Ons antwoord bepaalt immers meteen onze levenswijze...

Wie is Hij voor jou ?



Jan Wuyts pr.

De verantwoordelijkheid van de Kerk

Willen we eerst nagaan waar die evangelietekst eigenlijk vandaan komt? Dit besef is absoluut nodig om hem goed te verstaan. Wat we over Jezus weten speelt zich grotendeels af tussen het jaar 30 en het jaar 35. Het evangelie volgens Marcus zou geschreven zijn kort na het jaar 70, dus 35 tot 40 jaar later. Die tijd tussen Jezus en het evangelie wordt gewoonlijk verdeeld in twee fasen: de eerste fase noemt men de mondelinge overlevering: wat ze over Hem vertelden, hadden ze ‘van horen zeggen’. Om de toekomst van die Jezusbeweging veilig te stellen, ontstond de nood aan geschriften. Die tweede fase werd de schriftelijke overlevering genoemd.
Marcus zou het genre ‘evangelie’ ontworpen hebben: geen biografie, wel een boodschap, verpakt in verhalen, toespraken, gesprekken, en zo meer.

We zetten ons naast Marcus, zoals gezegd begin jaren ’70, terwijl hij aan zijn evangelie werkt. Zijn gedachten gaan twee richtingen uit. Naar het verleden, Jezus. Ook naar wat de mensen uit zijn omgeving daarover allemaal denken, vragen, willen weten. Deze mensen hoorden alleen maar vertellen over Jezus. Met deze overpeinzingen begint Marcus te schrijven. Hij laat eerst deze mensen aan het woord. Zij zagen in Jezus vooral een profetische figuur: een Johannes de Doper, of een Elia uit het Oude Testament. Iemand dus die de gave had om met Gods ogen doorheen de gebeurtenissen te kijken. Hij neemt ons nu mee naar de tijd van Jezus. Hij laat Jezus de vraag stellen, die hij eigenlijk aan zijn lezers, aan ons, stelt: ‘Maar gij, wie zegt gij dat Ik ben?’ Petrus, de eerste paus, geeft het officiële antwoord van de kerk: Jezus is de Messias, de Christus, de Redder: een koninklijke figuur. Maar nu barst de discussie los. Op tijd en stond hadden her en der in die jonge kerk vervolgingen plaats. Openlijk voor Jezus kiezen kon hun het hoofd kosten. Wie was deze Jezus toch? Een koninklijke Messias of een Mensenzoon, die geleden heeft, die verworpen werd door de Joodse overheid, gedood zelfs, maar dan toch na drie dagen opstond uit de dood. In de tijd van Marcus bleek dit nog steeds een punt van discussie te zijn.

Het is ook een vraag voor vandaag. Gaat onze kerk die weg van Jezus? In de tijd van Marcus, en die laatste jaren van de eerste eeuw, moest de kerk haar weg zoeken. Zij heeft nog steeds die weg van Jezus niet gevonden. De vraag blijft: wie is die Jezus, en hoe moeten wij zijn kerk zijn zoals Hij die bedoelde?

De kerk is op dit ogenblik in onze streken geen succesverhaal.
De geloofwaardigheid wordt in de media, maar ook door de feiten die een massale omvang nemen, zwaar op de proef gesteld. Ik bedoel het hele pedofilieschandaal.

Het is niet eenvoudig om een onderscheid te maken. Er is de boodschap van Jezus in de evangeliën. Een andere zaak is de menselijke vormgeving van het instituut kerk. Zonder een kader, zonder een draagvlak, zonder verkondigers, zonder een kerk hangt die boodschap van Jezus in de lucht. Die kerk is er dus wel nodig. De geschiedenis heeft uitgewezen en wijst nog steeds uit dat die kerk twee extremen kent. Zij heeft bijgedragen en draagt nog steeds bij tot het beste waar mensen toe in staat zijn; eveneens bleek zij in het verleden, maar blijkt zij ook vandaag wegen te gaan die haar boodschap alleen maar ontkrachten.

Wij, die de kerk nog een goed hart toedragen, kunnen in gesprekken hierover mensen helpen niet alles over eenzelfde kam te scheren.
De evangelische boodschap zelf, Jezus’ woorden en daden, zijn niet in het geding. Maar de kerk, aan wie die boodschap van Jezus toevertrouwd is, heeft de onbetwistbare verantwoordelijkheid op alle niveaus en op alle vlakken alleen maar de kerk van Jezus te zijn.



Frans Mistiaen s.j.

Ons kruis dragen, weerloos maar liefdevol

Wij staan vandaag stil bij de vraag van de Heer:
"Wie zegt gij dat ik ben?"
Op elk keerpunt van ons leven, bij elke diepe levenservaring,
bij elke ingrijpende verandering
stelt de Heer ons opnieuw de vraag:
"Wie ben Ik eigenlijk voor u, bij wat gij nu beleeft?"
En dat is niet zozeer een vraag
of wij weten wie Jezus theoretische, theologisch is.
Het is vooral een uitnodiging
tot een concrete vriendschapsrelatie met Hem:
"Wilt gij u voor mij engageren, op dit moment waar gij nu staat?"

Petrus meent het goede antwoord te geven
door te zeggen: "Voor mij, Heer, zijt Gij de Christus,
dat betekent de Messias, de Redder, die wij verwachten!"
Maar Jezus doorziet de dubbelzinnigheid van deze benaming,
die Petrus wellicht vooral formuleert
vanuit de sociale verzuchtingen van het volk.
Want, welke soort "Redder" bedoelt Petrus dan wel?
En welke “methode van redden” stelt hij zich daarbij voor?
Voor velen - en blijkbaar ook nog voor Petrus -
betekende "de Christus, de Messias":
een zeer aardse bevrijder, een politieke leider, en - gezien de toestand
van Palestina - de bevrijder van de Romeinse bezetter.
En de methode die men zich daarbij voorstelde was:
het veroveren van de politieke macht.
Nu is Jezus geen Bevrijder, die onze aardse verlangens,
hoe terecht ook, inwilligt.
Hij komt niet uit de hemel neer om hier voor ons iets te veroveren.
De christelijke God wil Zich nooit in de plaats zetten
van onze menselijke verantwoordelijkheid.
Jezus wil onze "Redder" zijn op het veel fundamenteler
en dieper niveau van ons geestelijk leven.
Met volledig respect voor onze vrijheid
is Hij de innerlijke, uitnodigende liefdeskracht,
die het hart van elke mens bezielt en inspireert,
en zo de wereld van binnenuit wil vernieuwen.
Jezus wil onze Bevrijder zijn, niet door spectaculaire,
uiterlijke ingrepen, wel door Zijn stille liefdeskracht
die onze medewerking vraagt en nodig heeft.
Daardoor is Zijn methode
ook zo heel anders dan verwacht.
Niet de methode van de uiterlijke macht en het geweld,
maar wel van de weerloze liefde.
Als God Zich vooral zou tonen
in macht en majesteit, overweldigend,
dan zou Hij toch wel grotendeels
het vrije antwoord van de mens verhinderen.
De weerloosheid van Jezus is een beter teken om te tonen
dat God Liefde wil zijn zonder dwang,
die ons tot een antwoord uitnodigt
en onze vrije overgave en medewerking mogelijk laat.

Ons engageren voor Jezus, betekent dus,
Hem volgen, ook in Zijn methode van de weerloosheid,
en niet van het recht van de sterkste.
Jezus noemt dat "ons kruis opnemen, dragen".
Dit wil niet zeggen dat de christenen het lijden moeten zoeken.
Het lijden is er. Elke dag heeft genoeg aan zijn eigen leed.
Het leven zelf brengt voldoende tegenkantingen,
beperktheden, onmacht, zelfs lijden mee.
Elk huisje heeft zijn kruisje.
Neen, Jezus vraagt niet dat wij het lijden zouden opzoeken.
Dat zou mensonwaardig en religieus hoogmoedig zijn.
Maar - wij weten het - echte liefde en het echte geloof
brengen altijd mee dat wij ons eigenbelang vergeten,
onze zelfzucht verloochenen,
onszelf achteruit stellen en anderen laten voorgaan.
De Heer vraagt ons vandaag
dat wij het kruis van onze beperktheden en onze zelfzucht
zouden "dragen", elke dag.
Dragen! d.w.z. niet ontvluchten, niet loom voortslepen,
er niet wanhopig onder gebukt gaan.
Maar de moeilijkheden die wij toch ondervinden, torsen,
er onze schouder, nog beter ons hart durven onder steken,
ze dragen met de kracht van een liefdevolle overgave.
Onze onmacht dragen als een kruis betekent,
zoals Jezus, ondanks weerloosheid,
vol vertrouwen blijven,
vol overgave, vol vergevensgezindheid,
zo liefdevol mogelijk, zelfs bij alles wat ons overkomt,
met het absoluut vertrouwen van de Dienaar van Jahweh
uit de eerste lezing.

De eigenlijke vraag van vandaag is dus
of wij ons voor Jezus willen engageren,
ook in Zijn methode van liefdevolle weerloosheid.
“Gaat uw vriendschap met Mij zover
dat gij Mij wilt volgen
door Mijn belangeloos-dienende Liefde te aanvaarden
als de enige en uiteindelijke kracht
om het hoofd te bieden aan wat gij nu beleeft?”

Wij worden uitgenodigd om die vraag
met grote edelmoedigheid te beantwoorden.

En, indien wij soms zouden de indruk krijgen
dat ons kruis ons te zwaar wordt,
laat ons dan maar goed beseffen
dat wij, die de Heer volgen, achter Hem stappen,
maar dat Hij vooropgaat
en het zwaarste deel van ons kruis torst
met de liefde van Zijn hart.

Aan die Redder durven wij ons toevertrouwen,
ook vandaag!



Marc Gallant, trappist (Orval)

Wie is Jezus?

Die vraag loopt doorheen heel het Marcusevangelie. Jezus is er echter niet op gebrand om zich kenbaar te maken. Voor zijn geloofsgenoten bevindt God zich op een oneindige afstand. Hoe hen laten begrijpen dat God Liefde is, dat Hij dus echt met ons wil zijn, met ons wil leven? De ene geldige manier is dat zij dat zelf kunnen vaststellen, dat ze, door met Hem te leven, Hem kunnen ervaren als dichtbij.
Het is nu misschien bijna twee jaar dat Jezus met deze pedagogie op weg is met zijn leerlingen, en Hij beslist even poolshoogte te nemen. Waar staan ze nu? Hij doet het “op weg” (Marcus 8, 27), alsof het gaat om iets onbelangrijk, zodat de leerlingen hun spontaneïteit bewaren. Wat zeggen de mensen? De vraag is niet compromitterend, en de antwoorden komen los, met een samenvatting van Jezus’ impact op de menigte: Hij zou een nieuwe Johannes de Doper zijn, Elias die de Messias aankondigt, ofwel een profeet.
Dan eerst komt Hij met de echte vraag die Hij wilde stellen: “Maar voor u, wie ben Ik ?”

Petrus, altijd haantje de voorste, springt op het antwoord: “U bent de Messias”. Zijn antwoord is als een bliksemflits. Een echte rechte geloofsbelijdenis. Uit zijn mond hoort Jezus dat zijn leerlingen ertoe gekomen zijn Hem zijn ware identiteit te geven van Messias, door God gezonden om zijn Rijk op aarde te vestigen.

Jezus’ eerste reactie verwondert echter: “Hij verbood hun streng met iemand over Hem te spreken” (Grieks: epetimèsen, Marcus 8, 30). Zij moeten zich eerst het juiste idee kunnen vormen over de Messias die Jezus is. En alleen zijn Passie en zijn Verrijzenis zullen hen toelaten de ware toedracht te kennen van het mysterie van zijn persoon en van zijn zending. Het is dan ook voor de eerste maal (“Hij begon, v.31) en openlijk (v.32), dat Jezus de reden geeft om zijn Messias-zijn verborgen te houden: God wil echt met ons zijn. De Messias is niet alleen Gods vertegenwoordiger, hij is ook een nederige en lijdende Mensenzoon. Hij komt niet onder ons met superioriteit, maar Hij neemt op zich de sombere kanten van het mensenbestaan, de verlatenheid, het lijden, de onterechte vernedering en ten slotte de dood, deze ergste vijand van de mens. Dat Messias-zijn van Jezus zal slechts na de verrijzenis kunnen verkondigd worden, nadat God het met de verrijzenis zal bekrachtigd hebben (cf. Marcus 9, 9).

Petrus kan die aankondiging van de passie niet aannemen. Nogmaals neemt hij het voortouw. Hij neemt Jezus apart en begint hem de les te spellen (v. 32, Grieks: èrchato epitimân). Maar Jezus draait hem de rug toe en richt zich tot de leerlingen (v.33). Niet de Meester moet zijn leerlingen volgen, maar de leerling zijn meester. Jezus aanvaardt geen compromis. Zijn vastberaden reactie wijst op de ernst van het meningsverschil. Jezus van zijn passie willen afwenden komt erop neer hem tot ongehoorzaamheid aan God op te zetten. Dat kan maar het werk van de duivel zijn, die daar reeds een poging toe ondernomen heeft bij het begin van zijn openbaar leven (Marcus 1, 12-13; Matteüs 4, 10).

De strenge taal van Jezus voor Petrus is geldig voor allen die Hem willen volgen (v. 34). Vanaf hier begint het tweede deel van het Marcusevangelie met een duidelijke scheidingslijn. Omdat Jezus passie en dood op zich neemt, erkennen de leerlingen Hem niet echt als Messias. Hun houding wordt duidelijk bij het passieverhaal. Niet alleen Judas (Marcus 14, 10-11: het verraad), maar ook Petrus (Marcus 14, 26-32; 66-72: de verloochening), Jacobus et Johannes (Marcus 14, 32-42: zij slapen te Getsemane), en uiteindelijk alle leerlingen (Marcus 14, 50: “Ze lieten Hem allemaal in de steek en vluchtten weg”) laten Jezus alleen.

Jezus’ woorden voor de menigte over de voorwaarden om Hem te volgen, (Marcus 8, 34-35), worden door Marcus gericht aan christenen die opgeschrikt zijn door de vervolging, waarbij sommigen, om te ontsnappen aan gevaar en dood, geneigd zouden zijn te verzaken aan hun geloof in Jezus. Wie leerling wil worden van de Heer, moet Hem gelijk worden door Jezus’ leven op zich te nemen, met de paradox te moeten komen tot de heerlijkheid doorheen lijden en dood. Zijn leven willen redden, is het verliezen; het verliezen voor Christus is het redden.