Loading...
 

29e zondag door het jaar A - evangelie

Geldstukken

IS HET GEOORLOOFD BELASTING TE BETALEN
AAN DE KEIZER OF NIET?


...page... Wiki page pagination has not been enabled.

Matteüs 22, 15-21: Geef aan de keizer wat hem toekomt

Matteüs 22, 15-21 // Marcus 12, 13-17// Lucas 20, 20-25



De tekst

Dichter bij de tijd

De Farizeeën praten onder elkaar.
Ze maken plannen
om Jezus in zijn eigen woorden te vangen.
Ze besluiten om hun leerlingen naar Hem toe te sturen.

Die zeggen aan Jezus:
‘Meester, we weten dat U houdt van al wat oprecht is
en dat U in alle oprechtheid les geeft over de weg van God,
en dat U zich door niemand laat beïnvloeden.
Maar zeg eens: wat vindt U hiervan:
moeten we belasting betalen aan de keizer of niet?’

Jezus heeft hun kwade bedoelingen door.
Hij vraagt:
‘Waarom willen jullie me testen, schijnheiligen?
Toon Mij eens een geldstuk
waarmee je die belasting moet betalen.’
Ze geven Hem zo’n geldstuk.
Hij vraagt: ‘Van wie is die afbeelding en het opschrift?’
Ze zeggen: ‘Van de keizer.’
Daarop zegt Jezus:
‘Geef dan aan de keizer terug wat van de keizer is
en aan God wat van God is.’



Stilstaan bij …

Farizeeën
Vrome joden, die heel goed de wet kenden en die stipt wilden beleven. Ze zagen de Romeinse bezetting als een straf van God en wensten de onafhankelijkheid van het joodse volk.
Belasting betalen aan de keizer stond voor hen gelijk aan: God verraden en meeheulen met de bezetter.


Herodianen
Deze ‘aanhangers van Herodes’ stonden nogal gunstig tegenover de Romeinse bezetters en hun wetten. (Deze Herodes Antipas was de zoon van Herodes de Grote, die prachtige bouwwerken in zijn land liet uitvoeren, maar ook een echt wrede heerser was. Over hem schrijft Matteüs dat hij de kinderen in Betlehem liet vermoorden)
De Herodianen wilden het vroegere rijk van koning Herodes de Grote herstellen en maakten er geen probleem van om eventueel een overeenkomst met de Romeinen te sluiten als hun dat dichter bij die wens bracht.


Belasting betalen aan de keizer
Wie belasting betaalde aan de keizer, gaf zo te kennen dat hij de keizer aanvaardde als heerser over het land. Die belasting bestond uit een denarie per persoon, wat neerkwam op het loon van één dag arbeid.
De verplichting om belasting te betalen aan de Romeinen werd in 6 na Christus ingevoerd, toen Judea en Samaria onder het direct bestuur van de Romeinen kwamen.


Belastingmunt
Ten tijde van Jezus kenden de joden voor elke soort belasting een andere munt. Zo werd de belasting voor de tempel betaald in Tyrische munt. Omdat die niet meer in omloop was, stonden daarvoor in de tempel geldwisselaars. De belasting voor de keizer van Rome moest met denariën, Romeinse munten, betaald worden. Wie zo’n munt bij zich had, gaf onrechtstreeks aan dat hij geen problemen had met de aanwezigheid van de Romeinen en erkende zo de heerschappij van de vorst.


Opschrift
Op de Romeinse munten was toen geschreven:
2 Munt

TI CAESAR DIVI AUG F AUGUSTUS
‘Tiberius Caesar, zoon van de verheven Augustus’

De heerschappij van een koning / keizer strekte zich vroeger zo ver als de geldigheid van zijn munten.



Keizer
De toenmalige keizer was keizer Tiberius, zoon van keizer Augustus. Hij was keizer van Rome van 14 tot 37 na Christus.


Wat God toekomt
Het eerste boek van de Bijbel maakt duidelijk dat de hele schepping, hemel en aarde en alles wat leeft, aan God toebehoort. Hij eist de hele mens op.





Bij de tekst ...

Betekenis

De Herodianen wilden graag dat Jezus zou zeggen dat men geen belastingen moest betalen, en de leerlingen van de Farizeeën hadden graag van Jezus gehoord dat men belasting moest betalen aan de keizer. Want dan hadden beide een argument om Jezus uit de weg te ruimen:
de Herodianen konden bij een ‘neen’ zeggen dat Jezus tegen de Romeinen was, terwijl zij zelf voordelen zagen in een samenwerking met die Romeinen.
De Farizeeën konden bij een ‘ja’, zeggen dat Jezus tegen de joodse wetgeving was. Want de wet van Mozes laat geen inmenging van een andere bevolkingsgroep toe.
Maar Jezus zegt: ‘Geef aan de keizer wat je van de keizer hebt, en geef aan God wat van God is.’
De vraag die bedoeld was om Hem te strikken, buigt Jezus zo om, dat duidelijk wordt dat God een centrale plaats moet krijgen in het denken en handelen van mensen. Dé manier om het Rijk van God te realiseren.



Context

"Het is wellicht geen toeval dat deze perikoop haar plaats vind in het evangelie onmiddellijk na de parabel van de onwillige bruiloftsgasten. Ook die herinnert aan de absolute voorrang van God en van Gods uitnodiging waarvoor alles moet wijken. Maar wat van God is, of hoe het aan God geschonken wordt, zegt onze perikoop niet. Dergelijke concrete vragen laat het evangelie de mens zelf oplossen."

Herman SERVOTTE



Praktische informatie

Bij het materiaal dat u op deze site vindt, hoort een map.
'Bijbel in 1000 seconden' bevat een verzameling van ongeveer 227 fiches die stilstaan bij lezingen in het kerkelijk jaar.

Die map is te verkrijgen via: info aan bijbelin1000seconden.be
of via: Uitgeverij Halewijn, Halewijnlaan 92, 2050 Antwerpen
Telefoon: 03/210 08 14; Mail: halewijn.uitgaven aan kerknet.be

De fiche die hoort bij Matteüs 22, 15-21, bevat:
. De Bijbeltekst, zoals die voorgelezen wordt tijden de eucharistieviering
. Informatie bij die Bijbeltekst
. De Bijbeltekst die 'Dichter bij de tijd' herschreven werd
. Informatie over de betekenis van deze tekst





Bijbel en kunst

TITIAAN

De cijnspenning (Dresden)

Titiaan 1

Olieverf op paneel (79 × 70 cm) - ca. 1515
Gemäldegalerie Alte Meister, Dresden



Titiaan (1487 – Venetië, 27 augustus 1576) heette Tiziano Vecelli of Vecellio. Hij was een van de belangrijkste kunstschilders van de renaissance. Op dit schilderij laat hij een Farizeeër zien die Jezus probeert aanspreekt met de vraag: 'Mogen Joden belasting betalen aan de Romeinse keizer?' Jezus laat hem een geldstuk tonen met de beeltenis van de keizer. Dan zegt Hij: 'Geef aan de keizer wat van de keizer is, en geef aan God wat van God is.'
Titiaan toont Jezus met een jonge, bleke huid en de Farizeeër met een verweerde donkere huid.




Suggestie
Wat de Farizeeër met zijn vraag van plan is, weten we. Schrijf dat in een tekstballon bij de Farizeeër.
Wat door het hoofd van Jezus gaat, daar hebben we het raden naar. Probeer een paar mogelijke gedachten van Jezus onder woorden te brengen in een gedachtenballon.




De cijnspenning (Londen)

Titiaan 2

Olieverf op doek (112 × 103 cm) — ca. 1560-1568
National Gallery, Londen



Vijftig jaar later maakte Titiaan nog een schilderij over hetzelfde onderwerp.
Bekijk het goed en vergelijk het met het schilderij dat hij vijftig jaar eerder maakte.
Wat wil Titiaan met dit kunstwerk nu vooral duidelijk maken?


Merk op
De ringvinger en de middenvinger van de linkerhand van Jezus zijn op een vreemde, bijna onnatuurlijke manier gekruist. Zo'n gekruiste vingers ziet men regelmatig op iconen die de pantocrator voorstellen. Ze willen de Griekse letter chi (X) weergeven, de eerste letter van het Griekse woord 'Christus'.



P. P. RUBENS

Het belastinggeld

Rubens

Pieter Paul Rubens (1577-1640) maakte dit werk rond 1612.
Het stelt de Farizeeën voor die Jezus vragen of men belasting moet betalen aan de keizer of niet.
De meeste personen op dit schilderij zijn op een andere manier betrokken bij dit gebeuren: belangstellend, onderzoekend (heeft Jezus onze list door?), vaststellend... Een paar Farizeeën hebben meer aandacht voor wat zich buiten beeld afspeelt.



Luc BLOMME

Geef aan de Keizer wat de Keizer toekomt

Luc Blomme X

Een Farizeeër toont een geldstuk op vraag van Jezus. Zijn lichaamshouding verraadt de valstrik van de vraag die hij eerder aan Jezus stelde.





Suggesties

Kleine kinderen

DOEN

Een aparte munt

Materiaal
Rond uitgesneden papier
Tekengerei


Verloop
De kinderen tekenen Jezus op een rond uitgesneden papier.



Wat God toekomt

(Naar een idee van 11 nevendienstmedewerkers uit Erembodegem)

Materiaal
- zorg voor een aantal geldbeugeltjes, voor elk kind één. (zo'n tasjes zijn te maken van een lapje stof. Plooi een rechthoekig lapje dubbel en stik twee open zijden ervan. Zorg voor een stuk touw, koord of lint om het zakje mee dicht te maken)
- papier met een formaat dat aan papieren geld doet denken.
- kleurpotloden
- ronde schijf stevig papier


Verloop
Spreek met de kinderen over wat mensen allemaal gratis van God krijgen.
(bv. de zon, de maan en de sterren, de natuur, onze familie...)
Alles wat de kinderen aanbrengen wordt op het papier getekend dat aan geld doet denken. Vouw nadien deze papieren zoals papieren geld. Dat 'geld' steken de kinderen in hun 'geldbeugeltje', dat ze met een touwtje dichtknopen. Vertel dat mensen dit allemaal van God krijgen.
Bespreek met de kinderen wat ze kunnen doen om God te danken voor dit geschenk. Ze tekenen of schrijven dit antwoord op een ronde schijf.
Leg deze schijven nadien voor het altaar.





Grote kinderen

EVEN TESTEN

Goed geluisterd?

Lees eerst de volgende tekst voor:

De Farizeeën praten onder elkaar.
Ze maken plannen
om Jezus in zijn eigen woorden te vangen.
Ze besluiten om hun leerlingen naar Hem toe te sturen.

Die zeggen aan Jezus:
‘Meester, zeg eens: wat vindt U hiervan:
moeten we belasting betalen aan de keizer of niet?’
Jezus heeft hun kwade bedoelingen door.
Hij vraagt:
‘Waarom willen jullie me testen, schijnheiligen?
Toon Mij eens een geldstuk
waarmee je die belasting moet betalen.’
Ze geven Hem zo’n geldstuk.
Hij vraagt: ‘Van wie is die afbeelding en het opschrift?’
Ze zeggen: ‘Van de keizer.’
Daarop zegt Jezus:
‘Geef dan aan de keizer terug wat van de keizer is
en aan God wat van God is.’

(naar C. LETERME, map Bijbel in 1000 seconden, fiche bij de 29e zondag door het jaar A)


Lees daarna deze tekst voor:

De vissers (Farizeeën) praten onder elkaar.
Ze maken plannen
om Jezus in hun netten (zijn eigen woorden) te vangen.
Ze besluiten om hun vrienden (leerlingen) naar Hem toe te sturen.

Die zeggen aan Jezus:
‘Meester, zeg eens: wat vindt U hiervan:
moeten we een huis geven (belasting betalen) aan de farao (keizer) of niet?’
Jezus heeft hun kwade bedoelingen door.
Hij vraagt:
‘Waarom willen jullie me testen, schijnheiligen?
Toon Mij eens dat huis (een geldstuk
waarmee je die belasting moet betalen.)’
Ze tonen (geven) Hem zo’n huis (geldstuk).
Hij vraagt: ‘Van wie is die afbeelding en het opschrift?’
Ze zeggen: ‘Van de farao (keizer).’
Daarop zegt Jezus:
‘Geef dan aan de farao (keizer) terug wat van de farao (keizer) is
en aan God wat van God is.’


De kinderen reageren wanneer je iets fout voorleest.
Duiden ze alle fouten aan?





VERDIEPEN

Geldstukken in het Rijk van God

Materiaal
1 euro; wit papier; stiften


Verloop
Toon de euro.
- Wie kent dit?
- Wat doen we ermee?
- Waar wordt dit gebruikt?
- Wat staat erop?
- In welk land werd deze euro gemaakt?,
- In welk jaar werd dit geldstuk gemaakt?
Bespreek de muntzijde waarop de waarde af te lezen is.
Bespreek de beeldzijde waarop koning Albert II te zien is (tenminste op de euro's die in België geslagen werden)
Toen Jezus leefde, stond op de beeldzijde het beeld van keizer Tiberius, die keizer Augustus in het jaar 14 was opgevolgd. Hij had het toen voor het zeggen in Rome.

- Als we nu eens een geldstuk zouden maken dat in het Rijk van God zou gebruikt kunnen worden, wat zou er dan kunnen op staan?
De kinderen denken hierover na in vrijheid.
Het volgende wordt alleen gebruikt als de kinderen weinig inspiratie hebben.
Beeld (Jezus? kruis?...)
Geldwaarde, (hart? ...)
Welk land? (overal? ...)
Welk jaar (altijd? ...)
Kleur (rood - liefde?: groen - hoop?; wit - verrijzenis? ...)



Het beeld van God

Als Jezus op het geldstuk naar het beeld van de keizer vraagt, zegt Hij dat men aan de keizer moet geven wat de keizer toekomt.
Daarna zegt Hij dat men aan God moet geven wat God toekomt. Er staat wel geen beeld van God op een geldstuk, maar ... als je mocht kiezen ... wat zou dat dan kunnen zijn en waarom?

Leg vier foto's in het midden van de kring:
- een herder die zijn schapen leidt
- een lichtende zon
- mensen bijeen
- vader en kind


Laat de kinderen een keuze maken tussen de foto's. Daarna verwoorden ze waarom ze dit beeld het meest geschikt vinden voor God.



Motivatie van de keuze van de foto's
. In de Bijbel wordt God vergeleken met een herder. Zijn zorg voor de schapen typeert Hem.
. Zoals de zon is voor de mensen (geeft licht, warmte, energie, leven ...), zo kunnen mensen God ervaren.
. In de Bijbel schept God de mens naar zijn beeld en gelijkenis. Daarom moet men mensen met eerbied en waardering benaderen.
. Jezus noemt God zijn Vader.





DOEN

Bijzondere geldstukken

De kinderen tekenen een grote cirkel op een blad papier. Binnen deze cirkel schrijven de kinderen een uitspraak van Jezus die ze kennen en die zij zelf belangrijk genoeg vinden om op een geldstuk te plaatsen.





Jongeren

VERTELLEN

God bestaat

(C. LETERME, Een parel voor elke dag, uitgeverij Averbode 2007, p. 299)

Op een dag zei de keizer van Rome
tegen een rabbi:
‘Toon mij je God.
Ik wil Hem leren kennen.
Waar kan ik Hem zien?’
De rabbi antwoordde:
‘Wat u wilt is onmogelijk.
Geen sterveling op aarde
kan zo’n volmaaktheid aanschouwen.’
‘Wat?’ riep de keizer,
‘Voor een Romeins keizer
is niets onmogelijk!’

De volgende dag vroeg de rabbi aan de keizer:
‘Wilt u met me meegaan
als ik naar de stad ga?
Dan zal ik u God laten zien.’

De keizer ging met hem mee.
Aangekomen op een uitgestrekte vlakte
wees de rabbi naar de stralende zon.
Hij vroeg aan de keizer:
‘Wilt u in de zon kijken?’
‘Dat is onmogelijk,’ protesteerde de keizer.
‘mijn ogen kunnen daar niet tegen.’
Toen zei de rabbi:
‘Hoe kan dit voor de machtige Romeinse keizer
onmogelijk zijn?
De zon is slechts een dienaar van God.
Als deze dienaar voor u al te machtig is
om naar te kijken,
hoe denkt u dan God zelf ooit te kunnen zien?’

Naar een joods verhaal

LIGHT SOURCE




Overweging bij het verhaal
(C. LETERME in Kerk en leven, Federatie Rotselaar, 18 oktober 2017, p. 1)

‘Geef aan de keizer wat de keizer toekomt
‘en aan God wat God toekomt.’
Dat zei Jezus toen joodse mensen Hem vroegen
aan wie ze belastingen moesten betalen.

‘Maar wie is God?’ vroeg een keizer zich af.
‘Ik wel Hem leren kennen, ik wil Hem zien.’
Een joodse rabbi liet de keizer naar de zon kijken.
‘Daar kunnen mijn ogen niet tegen’ zei de keizer.
‘Zo zie je maar hoe overweldigend God is,’ wist de rabbi.

In de geloofsbelijdenis, het credo, zeggen christenen:
‘Ik geloof in God, de almachtige Vader,
Schepper van hemel en aarde, van al wat zichtbaar en onzichtbaar is.’
Christenen geloven dat God de Schepper is
en aan de basis ligt van alles wat hen omringt.

Dat God ook als een vader is,
drukte Jezus zijn volgelingen goed op het hart:
een liefdevolle Vader, die zijn kinderen steeds nieuwe kansen aanreikt.
Daarom weten christenen zich opgeroepen
om als ‘kinderen’ van dezelfde Vader liefdevol met elkaar om te gaan.

Maar hoe vertrouwd men ook is met het beeld van een vader,
God is nog zoveel meer,
zo ongrijpbaar, zo overweldigend.
Dit is het wat het verhaal hierbij wil aantonen.





Overwegingen

Jan Vanden Berghe

(Jan VANDEN BERGHE in Overhoop, 2012, p. 12)

Er zijn van die vragen die je doen achterovervallen. Maar er bestaan ook zulke antwoorden! Zoals dat antwoord van Jezus aan de man die Hem probeerde klem te rijden met de netelige vraag of ze verplicht waren om aan de keizer van Rome - de bezetter! - belasting te betalen. De man kreeg uiteindelijk te horen: 'Geef aan de keizer wat de keizer toekomt en aan God wat God toekomt'. Een heerlijke vondst van Jezus - zijn talmen had Hem de kans gegeven om dit antwoord te vinden - en weer was Hij aan hun strikken ontsnapt.

Zou de vraagsteller diezelfde avond nog bij dat antwoord hebben stilgestaan? Of liet hij dit over aan wie dat verhaal heeft doorverteld, aan wie dat verhaal naderhand hoorde vertellen? Aan ons bijvoorbeeld?

Eén ding is zeker: de keizer is hiermee onttroond, en na hem iedereen die hier op aarde het hoogste gezag claimt. Want boven elke keizer, boven elke gezagsdrager, staat God! En wat komt die God toe? Wat vraagt Hij? Och iedereen die Jezus een beetje kent weet het wel ... Barmhartigheid vraagt Hij, en geen offers. Dat we niet in een boog om onze medemens in nood zouden heenlopen. Dat we Hem zouden herkennen in iedere mens op onze weg: 'Wat je aan de minste van mijn broeders (en zusters) hebt gedaan, dat heb je aan Mij gedaan'. Dat we God bovenaan zouden plaatsen - en bijgevolg onze naaste even belangrijk zouden vinden als onszelf.



Agnes Lameire

Beeld van God

De sluwe vraag of er aan de keizer belasting moet worden betaald, vinden we niet enkel bij Matteüs maar ook bij de evangelisten Marcus en Lucas. Het is dus een vraag die niet enkel leefde bij de joden in Jezus’tijd maar evenzeer bij de jonge christenen in het hele Romeinse rijk voor wie het evangelie werd geschreven. Wie stelt de vraag? Farizeeën en Herodianen. Verenigd voeren ze een front van oppositie tegen Jezus, de rondtrekkende rabbi uit Nazaret.
Farizeeën onderhouden heel nauwgezet de wet van Mozes en staan vijandig tegenover het Romeinse gezag, en zeker het feit dat elke Jood, ongeacht zijn inkomen, personenbelasting aan de overheerser moest betalen. Herodianen, trouwe aanhangers van het Huis van Herodes de Grote, werden daarom door de Farizeeën als collaborateurs aanzien. Stel je voor dat deze twee zo tegengestelde partijen de handen in elkaar slaan om Jezus ‘in zijn eigen woorden te vangen’ zoals het er letterlijk staat.
Antwoordt Hij ‘ja’ dan bekent Hij zich als een aanhanger van de keizer, als een laffe Jood dus die God niet als enige koning erkent. Antwoordt Hij nee dan kan Hij worden aangeklaagd als opruier tegen het Romeinse gezag.
Maar Jezus doorzag hun valsheid en zei: “Waarom probeert gij mij te vangen , huichelaars? Laat mij de belastingmunt zien!”

Valt het jullie ook op dat Jezus zelf geen muntstuk op zak heeft? En bij de denarie die Hem wordt getoond vraagt Hij blijkbaar onwetend wie erop staat afgebeeld ...
Het is het beeld van keizer Tiberius met het randschrift: ‘Zoon van de goddelijke Augustus.’
Dat Tiberius zijn beeltenis op een munt laat slaan en zichzelf daarbovenop ook nog goddelijk noemt, is voor Jezus en zijn tijdgenoten godslasterlijk. Die munt werd door wetsgetrouwe joden gemeden als de pest en vanzelfsprekend heeft Jezus die niet in zijn bezit. Die munt kon ook niet in de tempel dienen als offergave. Daarom dus zaten er dus altijd geldwisselaars op de tempeltrappen die de munt tegen Joodse exemplaren omruilden.
De munt met het beeld van de keizer was een belastingsmunt en behoorde dus letterlijk toe aan de keizer. Wie die munt op zak heeft, heeft de keuze dus al gemaakt. Hij kiest voor de keizer. ‘Geef maar (terug) aan de keizer wat van de keizer is’ zegt Jezus.

Joodse munten hadden geen beeltenis. De aanhef van de joodse geloofsbelijdenis begint met de woorden: ‘Luister, Israël, de HEER is onze God, de HEER is de enige;’ Van Hem mochten geen beelden worden gemaakt en ook het afbeelden van mensen was taboe. In het scheppingsverhaal staat immers geschreven dat de mens zelf het beeld van God is. ‘God schiep de MENS als zijn beeld’ lezen we daar.
Zoals de denarie met de beeltenis van de keizer aan de keizer toebehoort, zo behoor jij, mens, toe aan God. ‘Geef aan God wat aan God toekomt’ zegt Jezus.

‘Wees beeld van God’ is een oproep aan ieder van ons. Maar hoe kan je dat? Hoe kunnen wij, kleine mensen, Gods beeld laten oplichten voor mensen rondom ons? Misschien kan het volgende lied dat we zonen ons op weg zetten:
Mens voor de mensen zijn,
herder als God
trooster voor groot en klein
zo lief als God.

Hoe we dat persoonlijk invullen zoeken we zelf maar uit waar we wonen, werken, ons ontspannen of gewoon samen zijn.



@preekvdw

Hoe geven we aan God wat Hem toekomt?

(Preek van de week - 29ste zondag door het jaar - A-2017)

Volgens het jongste scheppingsverhaal heeft God de mens, man èn vrouw, geschapen naar zijn beeld en gelijkenis (Genesis 1,26 v.). Hierdoor verschillen de mensen radicaal van dieren en planten. Het is een gewaagde vergelijking, maar het evangelie geeft er aanleiding toe: zoals elk muntstuk en alle bankbriefjes hun waarde ontlenen aan de autoriteit waarvan ze een afbeelding dragen, zo krijgt elke afzonderlijke mens zijn of haar waarde van God omdat hij of zij drager is van Gods beeld. Maar er is ook een fundamenteel verschil. Muntstukken en bankbriefjes zijn dingen, ze kunnen met elkaar uitgewisseld worden. Met mensen kunnen we dat niet, ze zijn geen dingen. Elke afzonderlijke mens is uniek en bezit zijn of haar onvervangbare waarde, God zelf staat daar borg voor.
 
Aan God geven we niet alleen wat hem toekomt door de praktijk van onze godsdienst: bidden, liturgie vieren. We geven hem alleen ten volle wat hem toekomt als we de onvervangbare waarde van elke mens erkennen en tot haar recht laten komen. Ik kan het ook omdraaien. Aan God wordt onthouden wat Hem toekomt overal en telkens waar en wanneer een mens in zijn of haar menselijkheid wordt miskend, wanneer en waar een mens niet meetelt, wordt vertrapt en onder de voet gelopen.
 
Van hier naar de mensenrechten is het maar een kleine stap. Het is, om te beginnen, geen politieke stap. Christenen hebben geen plechtige verklaringen en internationale verdragen nodig om de fundamentele rechten van elke mens, gegrond in zijn of haar intrinsieke waardigheid als drager van Gods beeld, hoog in het vaandel te dragen. Maar daaruit moeten wel politieke stappen volgen, want christenen kunnen onmogelijk lijdzaam toezien waar mensen ergens worden miskend, vertrapt en onder de voet gelopen. Het zal wel duidelijk zijn dat het om veel meer gaat dan om 'misdaden tegen de menselijkheid'. Het gaat ook, en wel eerst, om de kwaliteit, of het gebrek eraan, inzake 'menswaardigheid' van het politieke bestel en de overheden waaraan we als burger moeten geven wat hen toekomt.
 
Aan God geven wat Hem toekomt vereist dus van ons ook een alerte, op menselijkheid betrokken bemoeienis met de politiek.
 


Frans Mistiaen sj

Van God of van de keizer, wiens beeld dragen wij in ons binnenste?

Wel of geen belasting betalen aan de Romeinse keizer,
die Palestina bezet hield,
dat was niet alleen een politiek probleem
waarover de Joden het onder elkaar oneens waren,
maar het was ook een religieus probleem.
Want de belasting moest uitsluitend
met Romeinse munten worden betaald, waarop stond geschreven:
"Van Tiberius, zoon van de goddelijke Augustus"
Een Romeinse munt aanraken,
betekende voor de strikt gelovige joden dan ook zoveel
als een godslastering.
Jezus staat voor een dilemma:
Hij kan niet antwoorden
dat men geen belasting moet betalen aan de keizer,
want dan zouden de partijgangers van de Herodes (Herodianen),
die de Romeinen steunden,
Hem zeker beschuldigen van opstandigheid tegen het wettelijk gezag.
Antwoordt Hij dat men wel belasting moet betalen,
dan zou de andere strekking nl. de strenge farizeeërs
Hem zeker verwijten geen echte jood te zijn,
maar de Romeinse keizer in plaats van Jahweh als god te erkennen.

Jezus kan het niet nalaten
toch eerst even hun huichelarij te ontmaskeren.
Hij vraagt hun de belastingsmunt te zien.
Met tegenzin moeten zijn aanvallers toegeven
dat zij die verfoeide Romeinse munt wél in hun beurs dragen
en blijkbaar dus toch gebruiken en aanraken.
 
Maar dan dient Hij hun ook van antwoord.
"Geef aan de keizer wat aan de keizer toekomt,
maar geef aan God wat aan God toekomt!"
Wij vragen ons natuurlijk af: "Wat komt er dan wel aan God toe?"
 
Jezus nodigt ons uit zijn redenering te vervolledigen:
"Wat het beeld van de keizer draagt, komt toe aan de keizer".
Wij mogen dus vervolledigen:
"Aan God komt toe wat het beeld van God draagt"
Welnu wie of wat draagt het beeld van God?
Dat is de mens zelf, die geschapen is naar Gods beeld en gelijkenis.
Wat behoort dus uiteindelijk nooit toe
aan de keizer, aan de staat of aan de politieke machten?
De kern van de mens, die van God is,
zijn diepste wezen zelf, zijn vrijheid, zijn unieke persoon,
zijn beminnenswaardigheid, zijn eeuwigheidsdrang.
Daarover heeft geen enkele menselijke organisatie macht.
Jezus zegt dus dat het gezag van God uiteindelijk
boven de politieke machten staat,
als die het wezen van de mens zouden willen verknechten.
Een politieke structuur is nooit absoluut, maar steeds relatief
dwz. aanvaardbaar in zoverre zij de kern van de mens dient,
de mens respecteert als unieke persoon en als kind van God.
 
Hiermee wordt dus helemaal niet gezegd
dat geloof en politiek totaal gescheiden zijn van elkaar.
Het is niet zo dat een deel van de mens - vb. zijn openbaar leven -
aan de staat zou toebehoren
en een ander deel - vb. zijn privé-leven - aan God,
als twee gescheiden domeinen zonder invloed op elkaar.
Het evangelie moet integendeel invloed hebben
op de concrete organisatie van onze maatschappij.
De christen wordt juist vanuit het evangelie opgeroepen
om als gelovige mee te werken aan de opbouw
van een meer menswaardige samenleving.
Het evangelie zegt ons niet concreet
welke concrete politieke structuren nu de beste zijn
voor een land, een streek of voor de wereld in onze tijd.
Jezus’ woord vandaag biedt ons alleen
een waarschuwing voor elke machthebber, groot of klein:
politieke macht is enkel verantwoord
als zij ten dienste staat van de menselijke waardigheid.
Boven elke maatschappelijke ordening
staat het Rijk van Gods liefde
die de unieke persoon van elke mens respecteert.
 
Op elk muntstuk staat een beeltenis geprent.
Wij vragen ons vandaag af: "Wiens beeld of opschrift
dragen wij uiteindelijk in ons binnenste mee?
Aan wie behoort onze diepste persoonlijkheid toe?
Behoren wij toe
aan één of andere afgod, een verslavende macht?
Of behoren wij werkelijk toe aan de God van de liefde?"



Marc Gallant

Monnik te Orval



God toebehoren

We hoorden in de eerste lezing: 'Ik ben de Heer en er is er geen andere'. Als God de koning is van Israël, en niemand anders, is het dan niet zijn recht om Israël te ontkennen als men aan iemand anders belasting betaalt? En Jezus die altijd de mond vol heeft met het koninkrijk Gods, wat zegt Hij daarvan? Die mensen uit Jeruzalem vragen het Hem met een complimentje, aangepast aan een naïeveling die uit Galilea komt: 'Wij weten dat U oprecht bent en in alle oprechtheid onderricht geeft over de weg van God. We weten dat U zich aan niemand iets gelegen laat liggen, U kijkt immers niemand naar de ogen' (Matteüs 22, 16).
Wel, Jezus kan de mensen die hem voor een naïeveling nemen wel het pleziertje gunnen zich even zò voor te doen. Zo'n Romeins muntstuk dat nodig is om de keizer belasting te betalen heeft Hij niet op zak, maar Hij schijnt er nog nooit een gezien te hebben, want Hij vraagt er Hem een te tonen. Zie je wel dat Hij uit Galilea komt! Met passend groot gebaar diepen ze zo'n munt uit hun zak.
Door het feit alleen dat ze die Romeinse munt op zak hadden, kon Jezus hen de laan uitsturen. Immers: zij die de macht van de Romeinse keizer niet erkenden, weigerden zijn munt te gebruiken. Jezus’ opposanten hadden reeds gekozen voor de keizer. Met welke intentie komen ze Hem dan nog die vraag stellen?

Maar Jezus blijft in zijn rol van onwetende naïeveling.
- Van wie is die beeltenis en wat is dit opschrift? Ik ken geen Latijn!'.
- Van de keizer!
- Ach zo! Wel, als die munt toebehoort aan de keizer die er zijn naam en zijn beeltenis op geplaatst heeft, geef dan terug aan de keizer wat aan de keizer toebehoort. En geef terug aan God wat van God is.
Jezus’ visie op de wereld heeft niets gemeen met een religieus fanatisme: integendeel, ze beoogt een evenwicht dat onderscheid maakt tussen religie en politiek.

Geef aan God terug wat van God is! Wij zijn het die vandaag die deze uitspraak in ons volle gezicht krijgen. Ja, maar wat is er van God, dat we aan Hem moeten teruggeven?
Paulus geeft ons het strafste antwoord. Hij schrijft aan de Korintiërs: 'Weet u niet dat uw lichaam een tempel is van de heilige Geest, die in u woont en die u ontvangen hebt van God, en weet u niet dat u uzelf niet toebehoort? (1Korintiërs 6, 19). Dat toebehoren aan God is voor een christen zo intens, dat het een aanwezigheid wordt. Paulus trekt immers de lijn door naar het huwelijk waar de echtgenoten niet meer aan zichzelf toebehoren, maar wederzijds aan hun partner, zoals aan God (1Korintiërs 7, 4-5).

De schepping is van God: 'Van de Heer is de aarde en al wat zij draagt, de wereld en wie haar bevolken' (Psalm 24). Maar vanaf de eerste bladzijde van de bijbel horen we dat God alles heeft toevertrouwd aan de mens. In het hoofdstuk één van het boek Genesis beëindigt God de zesdaagse schepping met de mens aan wie Hij alles toevertrouwt: 'Bevolk de aarde en breng haar onder je gezag' (Genesis 1, 28). En opdat we niet zouden vervallen in het creationisme, doet het tweede hoofdstuk van Genesis nog eens het scheppingsverhaal over, maar nu in omgekeerde volgorde, en nu begint God met de mens, voor wie Hij vervolgens alles schept opdat hij gelukkig zou zijn. De combinatie van die twee tegenovergestelde verhalen onderlijnt dat de de Bijbel geen boek is van wetenschappen, noch een geschiedenisboek, maar een boek van zingeving. En de zin is hier dat de hele schepping toevertrouwd is aan de mens, die er dan ook verantwoordelijk voor is.

Wij zijn er verantwoordelijk voor, maar de schepping is niet ons bezit. God heeft ons de aarde toevertrouwd om ze met onze technische vaardigheid zorgvuldig te beheren en niet voorgoed te verknoeien. Hij zal er ons rekenschap om vragen. ‘De wereld en wie haar bevolken’ behoren aan God. De mens zelf is van God en moet aan God teruggegeven worden. De mens draagt in zich als het ware de beeltenis van God en daarom behoort hij aan God toe. Ook dat hadden Jezus’ tijdgenoten geleerd vanaf het eerste hoofdstuk van het boek Genesis, het was voor hen hun eerste catechismusles: 'God sprak: laat ons de mens maken als ons beeld, als onze gelijkenis' (Genesis 1, 26). Clemens van Alexandrië (150-215) heeft een woord van Jezus bewaard dat niet in de evangeliën opgetekend werd: 'Ge ziet uw broeder, ge ziet uw God'. In de broeder zien wij het beeld van God. De mens, drager van Gods beeltenis, is van God en moet dus aan God teruggeven worden.

Hoe zo? Hoe kan de mens aan God teruggeven worden? Door gelijk te worden aan Christus 'die de afstraling is van Gods glorie, de beeldenaar van zijn Wezen' (Hebreeën 1, 3; vgl. 2Korintiërs 4, 4). Gods beeltenis in de mens is altijd aanwezig, maar soms is ze nog moeilijk te ontwaren, bedekt als ze is met het slijk van de zonde, bemodderd met egoïsme en liefdeloosheid. Daarom is Christus gekomen met een nieuwe schepping (2Korintiërs 5, 17) om de mens de glans terug te geven van het beeld van God dat de zonde verduisterd had. Dankzij de nieuwe mens Christus kunnen we, zoals Paulus het schrijft aan de Korintiërs, 'met ongesluierd gelaat de heerlijkheid van de Heer terugspiegelen, en worden wij steeds heerlijker in zijn beeld herschapen door de Geest van de Heer.” (2 Korintiërs 3, 18). 'En zoals wij het beeld van de aardse mens gedragen hebben, zullen wij ook het beeld dragen van de hemelse mens' (1 Korintiërs 15, 49), Christus.

Wij beginnen onszelf terug te geven aan God, door er ons goed van bewust te worden dat wij alles gekregen hebben van God, onszelf, met alles wat ons lief is. Maar het valt ons moeilijk, ons aan God toe te vertrouwen en te groeien naar het beeld van Christus. Wij vallen zo gemakkelijk op onszelf terug! Wij zullen dan bidden om de Geest van Jezus te mogen ontvangen, de Geest van het kindschap Gods die ons aangrijpt in ons diepste binnenste en die het verlangen opwekt echt aan God toe te behoren.



Geef terug aan God wat van God is

Hoe zich ontdoen van Jezus? Die volkspredikant wordt echt hinderlijk. Hij heeft de gunst van het volk en wordt daarmee een verontrustende profeet. Het handigste zou zijn de Romeinen daarmee te belasten. Niet gemakkelijk, want in feite bemoeiden de Romeinen zich niet met de joodse religieuze aangelegenheden. Lucas houdt eraan dit te vermelden. Te Korinte stuurt Gallio, de proconsul van Achaïe, de joden de laan uit met de woorden: “Aangezien het een geschil betreft over woorden en namen en uw eigen wet, moet u zelf maar zien wat u doet; over die zaken wil ik geen recht spreken” (Handelingen 18, 15 // Hand 24 en 25). 
Jezus deed weliswaar de Romeinse wenkbrauwen fronsen door de komst van het Rijk Gods aan te kondigen. Maar Hij brengt Pilatus in verlegenheid als Hij verklaart dat dit Rijk niet van deze wereld is (Johannes 18, 36). Er was toch wel iets dat de Romeinen nooit zouden verdragen: dat men het volk zou opruien om geen belasting meer te betalen aan Rome. Door aan Jezus de vraag te stellen over die belasting, haalde men altijd de slag thuis. Ofwel zou Jezus zich uitspreken tegen die belasting, en de Romeinen rekenden Hem in, ofwel zou Hij zich uitspreken voor de Romeinse belasting, en dan kreeg zijn populariteit een ferme deuk: 'Jezus, een Romeinsgezinde'! 

De Farizeeën komen dus met een uitgestreken gezicht aan Jezus vragen of het het geoorloofd is belasting te betalen aan de keizer. Jezus reageert echter met een tegenvraag: “Laat mij de belastingmunt zien”. Door het feit dat ze die op zak hadden, toonde Jezus hun huichelarij aan. Immers: zij die de macht van de Romeinse keizer niet erkenden, weigerden die Romeinse munt. Jezus’ opposanten hadden reeds gekozen voor de keizer. Waarom komen ze dan nog die vraag stellen?
Jezus gaat nog een stapje verder. Een grote stap die de godsdienst scheidt van de staat. 'Van wie is de beeldenaar en het opschrift?' - 'Wel, als de Keizer zijn naam en zijn figuur op die munt heeft staan, geef dan terug aan de Keizer wat aan de Keizer toebehoort. En geef terug aan God wat van God is.'
Jezus stelt aldus het principe dat de christenen van de jaren 80 zal toelaten zich te situeren in het Romeinse rijk: zij zijn het politieke gezag onderdanig (vgl. Romeinen 13, 1-7) zolang de staat de plaats van God niet inneemt door zich te doen aanbidden of door onrecht te legaliseren tegenstrijdig met het evangelie.
Zo begrepen, schept Jezus’ woord geen muur tussen politiek en geloof, en blijft het een richtlijn voor elke geëngageerde christen.
Er zijn hier echter ook vragen voor ons leven.
Wat moeten we aan God teruggeven? Wat behoort Hem toe? Wij zingen in psalm 24: 'Van de Heer is de aarde en al wat zij draagt, de wereld en wie haar bevolken'. ‘De aarde en al wat zij draagt’ behoort aan God. Zij is niet ons bezit. God heeft ons de aarde toevertrouwd om ze met onze technische vaardigheid zorgvuldig te beheren en niet voor goed te verknoeien. Hij vraagt er ons rekenschap om. 

‘De wereld en wie haar bevolken’ behoren aan God. De mensen zelf zijn van God en moeten aan God teruggegeven worden. De mens draagt als het ware de beeldenaar van God en daarom behoort de mens aan God toe. Dat hadden Jezus’ tijdgenoten geleerd vanaf het eerste hoofdstuk van het boek Genesis, het was voor hen hun eerste catechismusles: “God sprak : laat ons de mens maken als ons beeld, als onze gelijkenis” (1, 26). Clemens van Alexandrië (150-215) heeft een woord van Jezus bewaard dat niet in de evangeliën opgetekend werd: “Ge ziet uw broeder, ge ziet uw God”. In de broeder en de zuster zien wij het beeld van God. De mens, drager van Gods beeltenis, is van God en moet dus aan God teruggeven worden.

Hoe zo? Hoe kan de mens aan God teruggeven worden? Door gelijk te worden aan Christus 'die de afstraling is van Gods glorie, de beeldenaar van zijn Wezen' (Hebreeën 1, 3 // 2 Korintiërs 4, 4). Gods beeltenis in de mens is altijd aanwezig, maar soms is ze nog moeilijk te ontwaren, bedekt als ze is met het slijk van de zonde, bemodderd met egoïsme en liefdeloosheid. Daarom is Christus gekomen met een nieuwe schepping (2 Korintiërs 5, 17) om de mens de glans terug te geven van het beeld van God dat de zonde verduisterd had. Dank zij de nieuwe mens Christus kunnen we, zoals Paulus het schrijft aan de Korintiërs, “met ongesluierd gelaat de heerlijkheid van de Heer weerspiegelen, en worden wij steeds heerlijker in zijn beeld herschapen door de Geest van de Heer” (2 Korintiërs 3, 18). “En zoals wij het beeld van de aardse mens gedragen hebben, zullen wij ook het beeld dragen van de hemelse mens” (1 Korintiërs 15, 49):  Christus.

Wij beginnen het proces om onszelf terug te geven aan God, door er ons goed van bewust te worden dat wij alles gekregen hebben van God, onszelf met alles wat ons lief is, met al onze talenten. Vervolgens zullen we vaststellen hoe moeilijk wij ons uit handen kunnen geven, hoe moeilijk wij ons aan God kunnen toevertrouwen. Er is altijd een hoekje dat we voor onszelf willen houden. Zo gemakkelijk vallen wij terug op onszelf. Wij zullen dan bidden om de Geest van Jezus te mogen ontvangen, de Geest van het kindschap Gods die ons aangrijpt in ons diepste binnenste en die het verlangen opwekt echt aan God toe te behoren.
Het verlangen naar een grotere intimiteit met God wordt bewerkstelligd door naar Jezus’ woord te luisteren, zijn leven te beschouwen en Hem in ons te laten leven. De eucharistie is daar altijd een sterk moment van.