Loading...
 

4de paaszondag A - evangelie

Deur 3

IK BEN
DE DEUR


...page... Wiki page pagination has not been enabled.

Johannes 10, 1-10: 'Ik ben de deur'

De tekst

Dichter bij de tijd

(C. LETERME, map 'Bijbel in 1000 seconden')

Op een dag zegt Jezus tegen zijn leerlingen:
‘Echt waar, Ik zeg je:
wie de schaapskooi niet binnengaat door de deur
maar ergens anders naar binnen klimt,
dat is een dief of een rover.
De herder van de schapen
is iemand die door de deur naar binnen gaat,
hij roept zijn eigen schapen bij hun naam
en leidt ze naar buiten.
Wanneer al zijn schapen buiten zijn,
gaat hij voorop.
Al zijn schapen volgen hem,
want ze kennen zijn stem.
Die schapen volgen niemand anders.
Van anderen lopen ze weg
omdat ze hun stem niet kennen.’

Jezus zegt: ‘Echt waar, Ik zeg je:
Ik ben de deur voor de schapen.
Als iemand door Mij binnenkomt,
wordt hij gered.
Hij zal in en uit lopen,
en hij zal malse weiden vinden.
Dieven komen alleen om te roven,
te slachten en te vernietigen,
maar Ik ben gekomen
om aan mijn schapen het volle leven te geven
zodat ze gelukkig zijn.’



Stilstaan bij

Deur
Een schaapskooi had maar één toegang. Wanneer alle schapen in de kooi waren, ging de herder in die toegang zitten, zodat de schapen er niet meer uit konden. Zo werd de herder als een levende deur.


Schaapskooi
Een schaapskooi was een ruimte binnen muren van opgehoogde stenen van één meter hoog in de vorm van een cirkel. (de Griekse tekst spreekt van een ‘aula’) Ze werd vaak gebouwd tegen rotsen waarin grotten of holen waren. Zo’n kooi had maar één toegang. De herder ging er met gespreide benen in staan om de dieren te tellen, terwijl ze onder zijn benen door de kooi inliepen.


Herders
In Jezus' tijd was een leven als herder hard: gras en water waren schaars. Heuvels en ravijnen maakten het weiden moeilijk. Wolven en jakhalzen bedreigden zowel de kudde als de herder.
Een goede herder is daarom eerder het beeld van een heldhaftige liefde dan van een romantisch gevoel. Het is het beeld van iemand die door dik en dun zorg draagt voor zijn schapen. Jezus gebruikt het om zijn relatie met de mensen te illustreren.

‘Herder’ is ook een koningstitel. 'Herder, kudde, weiden, hoeden...' zijn woorden die gebruikt werden om de relatie vorst/volk en God/mensen aan te duiden.


Luisteren naar zijn stem
De verschillende herders van een dorp brachten 's avonds hun schapen bijeen in een grote schaapskooi om ze er te laten overnachten onder de hoede van een deurwachter. 's Morgens liet de wachter de verschillende herders binnen. Die dreven hun schapen naar buiten door hen te roepen. De schapen volgden hun eigen herder omdat ze zijn stem herkenden.


Gelijkenis
Een gelijkenis is een kort verhaal waarbij men een waarde, een begrip, plaatst naast een concreet gegeven dat er gelijkenis mee heeft, en het helpt te begrijpen.
Het woord ‘gelijkenis’ wordt in Vlaanderen vaak vervangen door ‘parabel’.


Dieven en rovers
Hiermee bedoelt Jezus mensen die het lot van hun schapen niet ter harte nemen.


Redden
De naam van Jezus betekent: ‘redder’. Hij is de weg naar het leven. Andere wegen zijn wegen naar de dood.


In- en uitgaan
Mogelijk beeldende taal om er de vrijheid van de gelovigen mee aan te duiden.



Praktische info

Bij het materiaal dat u op deze site vindt, hoort een map.
'Bijbel in 1000 seconden' bevat een verzameling van ongeveer 227 fiches die stilstaan bij lezingen in het kerkelijk jaar.

Die map is te verkrijgen via: info aan bijbelin1000seconden.be
of via het: Uitgeverij Halewijn, Halewijnlaan 92, 2050 Antwerpen
Telefoon: 03/210 08 14; Mail: halewijn.uitgaven aan kerknet.be

De fiche die hoort bij Johannes 10, 1-10 bevat:
. De Bijbeltekst
. Informatie bij de tekst
. De Bijbeltekst die 'Dichter bij de tijd' herschreven werd
. Informatie over de betekenis van deze tekst
. Herinneringen aan het Oude Testament
. Informatie bij 'roepingenzondag'






Bij de tekst

Spreken met beelden

Een verhaal met een dubbele bodem? Een allegorie?
Dit is de betekenis die men in de woorden van Jezus kan leggen:
kudde schapen
- Israël

goede herder
- God / Messias / Jezus

schaapskooi
- tempelhof, symbool voor het jodendom – Rijk van God

dieven/rovers
- joden die zich op onwettige wijze opwerpen als religieuze leiders, valse messiassen





Suggesties

Kleine kinderen

BIDDEN

Bidden met woorden van anderen

Lieve Jezus
Jij bent als een open deur:
bij Jou is iedereen thuis.
Jij hebt een groot hart:
Jij ziet iedereen graag.

Help me om de deur van mijn hart
open te zetten voor iedereen.
Dan word ik zo'n lieve mens als Jij.





ZINGEN / BELUISTEREN

'Is je deur nog op slot’

Is je deur nog op slot?
is je deur nog op slot?
van je krr, krr, krr
doe ‘m open voor God
want de Heer wil bij je wonen
en dan ben je nooit alleen (2x)

Je hart is net een huisje
waar het gezellig is
maar ‘t is er nog zo donker
er is iets dat ik mis

(Even beluisteren? Klik hier)





Grote kinderen

SPREKEN MET BEELDEN

Deuren …

Deur kunnen openstaan, gesloten zijn, op een kier staan ...
Dat kun je allemaal zeggen over een echte deur.

Maar...

Je kunt dit ook zeggen als je iets wil duidelijk maken dat zich niet zo gemakkelijk laat zeggen.
Kun je daar voorbeelden van geven?


Enkele ideeën
Een dichte deur: biedt bescherming en veiligheid
(vgl. de wolf en de zeven geitjes)
Een open deur: teken van gastvrijheid
Een deur die moedwillig op slot gehouden wordt:
'Je bent hier niet welkom'





BELEVEN

Tekenen

Bespreek eerst met de kinderen: Wat zou Jezus antwoorden op de vraag: 'Wat is geluk?' of 'Wat maakt jou gelukkig?'
Zoek met de kinderen naar concrete situaties die hiervan een voorbeeld zijn.
Geef de kinderen nadien een A4-blad. Ze plooien dat in twee. Op de voorkant tekenen ze een grote deur, die de hele bladzijde bestrijkt.
Wanneer ze de deur openen (wanneer ze het blad omdraaien) zien ze een witte bladzijde. Daarop tekenen ze wat naar hun aanvoelen Jezus over geluk zou gezegd hebben.





VERTELLEN

De deur

(C. LETERME, Een parel voor elke dag, uitgeverij Averbode, 2007, p. 199)

Een aantal jaren geleden,
werd ergens in Engeland
een schilderij onthuld.
Hierop stond Jezus afgebeeld,
die voor een huis stond en op de deur klopte.
De mensen
die het schilderij zagen,
vonden het heel mooi.

Toen merkte een aandachtige toeschouwer
iets bijzonders op.
Hij ging naar de kunstenaar
die het schilderij gemaakt had en zei:
‘Ik vind het een mooi schilderij,
maar U bent iets vergeten.
De deur waar Jezus op klopt heeft geen klink.
Hoe kan Jezus dan naar binnen gaan ?’

De kunstenaar antwoordde:
‘Die deur is de deur van ons hart.
Ze kan alleen van binnenuit open gemaakt worden!




Overweging bij het verhaal
(C. LETERME in Kerk en leven, Federatie Rotselaar, 1 juni 2016, p. 1)

Een deur heeft twee grote eigenschappen:
je kunt er ergens door naar binnen of naar buiten,
en je kunt er je mee afsluiten van je omgeving.

Het verhaal hierbij heeft het over een kunstwerk
waarbij Jezus op een deur klopt zonder deurklink.
Want, zegt de kunstenaar, dit is de deur van je hart.

Een deur die je alleen van binnenuit kunt openmaken.
Niet iedereen krijgt er zomaar een plaats,
alleen wie je raakt, laat je binnen.

In het leven kan Jezus aan de deur van je hart staan.
Hij vraagt, Hij nodigt uit, Hij confronteert, Hij roept op …
maar blijft voor de deur en dringt zich niet op.

Jezus roept op om in je leven rekening te houden met God
én met je medemens
om zo je leven beter en rijker te maken:

door te redden wie moeilijkheden kent,
door solidair te zijn met wie weinig of geen kansen krijgt,
door van deze wereld een hemel op aarde te maken.

Wie die woorden van Jezus hoort,
is vrij om er al of niet op in te gaan.
Wij zijn het die de deur van ons hart openen.





Jongeren

VERDIEPEN

Gedicht: Deuren

Materiaal
Werkblad met foto's van allerlei soorten deuren, die al of niet open zijn.


Verloop
Laat de jongeren stilstaan bij wat een deur is en doet. Inspireer je hierbij aan de deuren op het werkblad.
Sta eventueel stil bij de deur van het lokaal waarin je je bevindt.
Stel dan zo'n deur voor, alsof je een 'verkoper van deuren' bent: Gemaakt van..., kan open, kan dicht.
Men kan die hard doen maar ook heel zacht. Wie die dat zo doet kan er iets mee duidelijk maken.
Een deur kan helemaal dicht zijn, maar er kan ook glas inzitten.
De bewoners kunnen dan naar buiten kijken, de bezoekers naar binnen.
De deur kan op een kier staan, maar kan ook wagenwijd open.
En elk van die posities van een deur kan iets duidelijk maken. Wat?

Nodig de jongeren om in een dichtvorm te noteren wat hen hierbij getroffen heeft. Men kan hiervoor het eerste deel van het werkblad gebruiken.

Verwijs dan naar Jezus die zich vergelijkt met de deur van een schaapstal.
Welk soort 'deur' was / is Jezus?
Dit wordt neergeschreven in het tweede deel van het gedicht.

Afhankelijk van de groep, kan dit gedicht verder inspireren om een gebed te schrijven, waarbij men gebruikt maakt van deze beeldtaal. Dit gebed kan in een eucharistieviering gebeden worden na de communie.





Overwegingen

Frans Mistiaen sj

Geroepen om herders te worden die een deur openen op het leven

Schapen zien 's avonds reikhalzend uit naar de stal,
maar zij trekken 's morgens ijverig op zoek naar groene weiden.
Het verlangen enerzijds naar veiligheid
en anderzijds naar echt leven,
doet ons, gelovigen, hunkeren naar een Kerk
die ons van de ene kant innerlijke structuur en leiding geeft,
maar langs de andere kant een grote openheid
op alles wat onze huidige, wijde wereld
aan echt leven kan bieden.
Elk tijdperk in de geschiedenis zal wel meer het accent leggen
op het ene aspect, zonder het andere te willen verwaarlozen.
Maar ik heb de indruk dat wij in onze tijd minder nood hebben
aan herders die ons naar de stal willen terugbrengen,
maar meer aan herders die ons naar nieuwe weiden kunnen voeren.

Het evangelie van vandaag legt er echter vooral de nadruk op
dat beide alleen maar mogelijk zijn
door een persoonlijke, hechte en levendige verbondenheid
met Jezus, de ware herder van alle schapen en alle echte herders.
Dat Jezus, onze ware Herder, is, betekent in ieder geval
dat Hij geen heerser is met macht,
maar een belangeloze Leider, een Dienaar die Zijn leven geeft.
Het is aan die geest van dienstbaarheid
dat de echte herders zich toevertrouwen.
En gelukkig zijn er vele mensen in ons leven
die reeds voor ons “herder” zijn geweest,
- anders zouden wij hier niet zitten - :
moeder thuis, een onderwijzer op de lagere school,
een verpleegster toen wij ziek waren,
een echte vriend of vriendin.
Wij blijven de herders en de herderinnen van ons leven
diep dankbaar.

Wij, gelovigen, worden dus geroepen om geen schaap te blijven,
maar om op onze beurt zelf ‘herder’ te worden
om anderen te dienen, de stal in en uit te gaan
en aan diegenen voor wie wij te zorgen hebben,
zowel veiligheid te bieden als openheid op het leven.
Daarvoor is onontbeerlijk
onze zeer hechte, persoonlijke verbondenheid
met de dienstbaarheid van Jézus de Herder.

Maar “herder zijn” is eigenlijk een gevaarlijke stiel,
niet alleen omwille van uiterlijke dreigingen, onweer of roofdieren,
maar veeleer wegens de innerlijke bekoring tot machtsdrang.
Want “macht” is de dagelijkse verlokking voor elke herder,
voor al wie verantwoordelijkheid draagt over anderen:
ouders, opvoeders, dokters, diensthoofden, bureauchefs,
priesters, pastores, sociale helpers.
Zij krijgen namelijk regelmatig de neiging
- uit goedbedoeld plichtsbewustzijn nog wel -
om toch de voorrechten van hun functie op te eisen,
om te vragen dat het organisatieschema goed wordt gevolgd,
om allereerst de reglementen van de dienst te verdedigen,
om te zorgen dat de wetten en de papieren in orde zijn,
om macht uit te oefenen over mensen.
En uiteindelijk zien zij dan niet meer op de eerste plaats
naar de mensen die voor hen staan en die hun hulp nodig hebben.
Meer dan bij anderen, dreigt
bij al wie verantwoordelijkheid draagt
steeds opnieuw de bekoring om eerst ruimte te veroveren
voor de idealen en de principes van de zaak,
in feite voor de zelf gevormde inzichten erover,
dus eigenlijk om meer ruimte en macht te veroveren voor zichzelf.
Deels onbewust, maar ook deels gewild,
komen zij ertoe om de mensen met hun eigenlijke noden
voor wie zij verantwoordelijk zijn,
wat weg te duwen, niet meer te laten meetellen,
in het ergste geval zelfs, af te schrijven of dood te verklaren.
De opdracht voor alle herders:
ouders, opvoeders, priesters, diensthoofden luidt steeds opnieuw:
die sluimerende behoefte aan macht uit te zuiveren
door dagelijks opnieuw echt te dienen,
zijn eigen inzichten op te offeren, zijn eigen leven te geven,
zoals Jezus, onze ware Herder.

En dit is nu de kern van elke geestelijke roeping.
Geestelijk of religieus geroepenen
doen meer dan een functie uitoefenen
als sociale helper of groepsanimator,
als leraar, ontwikkelingshelper of arts zonder grenzen.
Dat zouden ze allemaal wel kunnen.
Maar “herder zijn” is geen supplementaire functie uitoefenen
naast de andere.
Het is binnen elke functie, binnen welk engagement ook
de innerlijke houding beleven van “totale gegevenheid”.
“Herders” zijn, binnen al de taken die zij hebben,
vooral specialisten van mensenzorg
met een hart dat mensen liefheeft zonder onderscheid te maken,
dat dus de macht wil afleggen
en dat wil dienen en zijn leven wil geven.

Echt herderswerk zal dan ook vooral betekenen:
genezen, wassen, verzorgen, troosten,
verbinden, zoeken, luisteren, thuisbrengen,
verlossen van vervreemding, van eenzaamheid, van benauwdheid,
van manipulatie, van uitbuiting, van onrecht.
En dat voor allen, zonder exclusiviteit, zonder uitsluiting.
Dus zullen de zwakkeren daar zeker ook bij zijn.
Herder zijn betekent: getuigen, niet met leer of redenering,
maar met voorbeeld, met heel het eigen leven.

In het evangelie zegt Jezus er vandaag nog bij
dat Hij de enige betrouwbare deur is om de stal te verlaten.
Om toegang te krijgen naar de Vader, naar het leven,
om mensen in onze wereld echt mens te laten worden,
kunnen wij alleen door die ene betrouwbare weg:
de dienstbaarheid en zelfgave, waar de Heer Jezus ons voorgaat.

De Farizeeërs van Jezus' generatie zowel als van onze tijd
zijn zij die de levensmogelijkheden eerder afsluiten.
Goede herders en herderinnen
worden een poort op het leven en openen perspectieven.
Herder zijn op die manier daarvoor kies je niet alleen,
daarvoor word je ook gekozen, geroepen.
Wie wil in onze tijd tot zulk herderschap worden gekozen?
Zij zijn er, die goede herders en herderinnen,
ook in onze geloofsgemeenschap van vandaag.
Het godsvolk moet ze wel durven herkennen
en op tijd aanwijzen



Marc Gallant, monnik te Orval

“Ik, Ik ben de deur van de schapen”.

Om die op eerste zicht raadselachtige woorden van Jezus te begrijpen, moeten we ons even een schaapskooi voorstellen zoals hij die kende. Bij valavond kwamen de herders ieder met zijn kudde naar een gemeenschappelijke schaapskooi om er hun schapen te laten overnachten, beschut tegen wilde dieren en diefstal. Die openlucht-schaapskooi, omgeven met muurtjes van droog opgestapelde stenen, had maar één toegang, een stukje smalle gang, zodat de schapen er één per één door moesten, hetgeen het tellen en het nakijken van de dieren vergemakkelijkte. Er was geen deur, maar de wachter vleide zich neer in dat gangetje om te waken of te slapen, zodat niemand binnen of buiten kon zonder met hem te doen te hebben. Hij was de levende deur van de schaapskooi. ‘s Morgens kwamen de herders terug en ieder op beurt riepen ze hun schapen om ze te gaan weiden.

Jezus gebruikt dat tafereel uit het dagelijkse leven om duidelijk te stellen wie Hij is, en om zijn relatie te schetsen met zijn leerlingen. Zijn leerlingen “luisteren naar zijn stem”. Voor Johannes is dat luisteren kenmerkend voor de leerling. Hij gebruikt dat werkwoord 59 maal in zijn evangelie. Het gaat hier om een actief luisteren, een bereidheid om te doen wat men hoort. Dat is typisch voor de relatie van de christen met Jezus. Als wij in de liturgie luisteren naar Gods Woord, dan zijn we gezeten, rustig, aandachtig. Maar zodra Jezus’ stem weerklinkt in het evangelie staan alle leerlingen op : zo doen de christenen reeds vanaf de eerste Kerk. Zoals de schapen hun herder volgen, staan we bereid Jezus te volgen omdat wij zijn stem herkennen.

Zijn stem herkennen veronderstelt een persoonlijke band met Jezus. Je zou het evangelie kunnen promoten omdat je dat de verstandigste leer vindt om een menswaardige wereld uit te bouwen. Dan ben je weliswaar een christelijk geïnspireerd filosoof, maar daarom nog geen christen. De christen herkent de stem van Hem die uit liefde zijn leven heeft gegeven. Hij weet zich als enig bemind, persoonlijk betrokken bij de liefde van Jezus. En die betrokkenheid is wederzijds: de herder kent zijn schapen en roept ze bij hun naam. De schapen ook herkennen de stem van hun herder. Het is met een persoonlijke oproep dat Jezus ons uit de besloten ruimte van de schaapskooi naar buiten wil leiden om ons voor te gaan naar het leven in overvloed. Hij is de deur: slechts langs Hem hebben we toegang tot het Leven van God.

Die persoonlijke relatie is wezenlijk voor het christendom. Onze God is immers louter interpersoonlijke relatie. Onze band met Hem kan slechts een persoonlijke relatie zijn. Onze God komt tot ons, Hij roept ieder van ons bij zijn naam: wij zijn enig voor Hem. God maakt geen clonen, Hij maakt enkel originelen. God kunnen we maar ontmoeten vanuit onze diepste eigenheid. Daarom staan we alleen tegenover God in een relatie die niemand in onze plaats kan invullen.

Die relatie krijgt hier door de uitspraak van Jezus “Ik, ik ben” een buitengewoon sterke inhoud. “Ik, ik ben” heeft een bijzondere plaats in het Johannesevangelie. Zevenmaal drukt Jezus ermee uit wie Hij is voor ons. Het Grieks ‘egô eimi’ betekent letterlijk: “Ik, ik ben” met een nadruk op ‘Ik’. “Ik, Ik ben het brood van het leven (6, 35 = 48); Ik, Ik ben het licht der wereld (8, 12 + 9, 5), de goede herder (10, 11), de verrijzenis (11, 25), de weg, de waarheid en het leven (14, 4), de ware wijnstok (15, 1), en vandaag: “Ik, Ik ben de deur van de schapen (10, 7).

Die uitdrukking ‘Ik, ik ben’ gaat echter veel verder dan op het eerste zicht. In het brandende braambos heeft God aan Mozes zijn naam bekend gemaakt als ‘Jahweh’ = ‘Ik ben die ben’ (Ex. 3, 4-5). Wanneer de bijbel van het Hebreeuws in het Grieks vertaald wordt, dan wordt ‘Jahweh’ vertaald als ‘Egô eimi’ = Ik, ik ben”; zo wordt “Ik ben Jahweh, de Heer zonder gelijke”, in het Grieks: “Ik ben: ‘Ik, Ik ben’, de Heer zonder gelijke” (Jesaja 45, 18).

Jezus benoemt zich met de naam van Jahweh. Hij kan dan zeggen: “Voor Abraham bestond, Ik, ik ben” (8, 58). Bij zijn aanhouding, vraagt Jezus: “Wie zoekt ge?”. Men antwoordt: “Jezus van Nazaret”. Zegt Jezus nu: “Egô eimi, Ik, ik ben”, dan deinzen de dienaars van de hogepriester achteruit en vallen ze op de grond (18, 6). Johannes geeft hier duidelijk aan dat "Ik, Ik ben" de goddelijke naam is waartegen ze machteloos staan. Daarna laat Jezus zich doen, maar Hij had gezegd: “Als ge de mensenzoon omhoog zult verheven hebben zult ge weten dat Ik, ik ben” (8, 28). En inderdaad, boven zijn hoofd op het kruis laat Pilatus een opschrift plaatsen in het Hebreeuws, het Grieks en het Latijn: “Jezus van Nazaret, de Koning der Joden” (19, 19-20). Op sommige kruisbeelden zien we de Latijnse afkorting ‘INRI’ staan voor: ‘Iesus Nazarenus Rex Iudeorum’. In het Hebreeuws is dat ‘Jeshua Hanazarei Wemelekh Hayhudim.’ In afkorting: JaHWeH: ‘Ik, ik ben’. Gods naam staat boven het hoofd van Jezus die sterft aan het kruis. Alleen omdat Hij God is, kan Jezus ons langs zijn mensheid toegang geven tot God. Hij is de enige toegangspoort.



Vertrouwen

Dit evangelie volgt op het verhaal van de genezing van de blindgeborene (Johannes 9, 1-41). Genezen, verklaart de blindgeborene zijn geloof in Jezus, en de farizeeën jagen hem weg. Dat is echt geen houding van goede herders. Jezus haakt daarop in met een betoog over de ware schaapstal van God, waar hij de herder van is.

Onze relatie met Jezus is als deze van de genezen blindgeborene: een relatie in het geloof. In de Bijbel heeft het geloof als object niet een systeem van waarheden. Wij geloven in een persoon. Het geloof is geen intellectuele voorstelling. Ons geloof richt zich tot de persoon van Jezus. Het gaat om het vertrouwen dat we in hem stellen. We mogen gerust steeds het woordje ‘geloof’ vertalen door het woordje ‘vertrouwen’ (Zoals de Willibrordvertaling doet bij Matteüs 8, 10; 8, 13; 9, 2; 9; 28; 9, 29; 13, 58; 15, 28; 17, 20; enz.), dat ons onmiddellijk een persoonsbetrokkenheid aanwijst.

Dat vertrouwen is altijd een persoonlijke relatie. Het geloof heeft altijd te maken met liefde. Iemand beminnen is hem zeggen: “Ik geloof in je, ik stel mijn vertrouwen in je”. Er is maar echt vertrouwen als het wederkerig is. Ik kan je niet echt vertrouwen als jij ook maar enigszins wantrouwig tegenover mij staat. Ook de liefde verlangt steeds wederkerigheid.

Vandaag brengt Jezus dat wederzijds aspect van het geloof naar voren. Hij doet het aan de hand van de verhouding die een herder heeft met zijn schapen. Johannes is echter verplicht vast te stellen: “maar ze begrepen niet wat hij bedoelde. Hij noemt zichzelf “de leerling die Jezus beminde” (Johannes 13, 23; 19, 26; 20, 2): zijn vertrouweling dus, zodat hij verwonderd schijnt te zijn dat de leerlingen dat woord over het vertrouwen niet begrijpen.

Zelf begrijpen wij het ook niet altijd goed. En nochtans, God is de eerste om in ons te geloven, nog voor dat wij in hem geloven. God als eerste bidt tot ons, en vraagt ons te bestaan. Hij gelooft in ons. Hij neemt het risico zijn vertrouwen in ons te stellen. Hij rekent op ons als op medewerkers in zijn schepping en in zijn liefdeswerk.
God is Liefde, en liefde is jezelf zonder waarborg toevertrouwen, jezelf compleet geven in de hoop dat jouw liefde ook wederzijdse liefde zal opwekken bij de beminde persoon. Liefde is vertrouwen schenken. Met weinig vertrouwen heb je ook maar weinig liefde. Door ons te vertrouwen te schenken, geeft God ons zelfvertrouwen, en dit zelfvertrouwen laat ons toe het risico te nemen op onze beurt met God op weg te gaan.
Kortom, in het geloof hebben niet wij het initiatief, maar God. Jezus zegt het duidelijk aan zijn leerlingen : “Niet jullie hebben mij uitgekozen, maar ik jullie” (Johannes 15, 16).

Jezus gebruikt het beeld van de schaapskooi om de persoonlijke relatie van ieder van ons met hem klaar te stellen. Hij roept ieder van ons bij onze naam (Johannes 10, 3). Wij, die zijn stem horen, volgen hem. Hij gaat ons voor.
“De schapen luisteren naar zijn stem”, zegt Jezus, die zich vergelijkt met een herder. “Luisteren”, zegt Jezus. Je kan horen zonder te luisteren. Luisteren doorbreekt de in-zichzelf-opgeslotenheid, luisteren laat de andere binnenkomen, laat toe hem in zijn stem als hem te herkennen. Zo kan het luisteren toelaten een stukje weg met de andere af te leggen: “de schapen volgen hem omdat ze zijn stem kennen”.

Een persoonlijke vertrouwensrelatie met Jezus wordt aldus opgeroepen. Zo hij ons roept bij naam, dan is het omdat hij ons kent. De ‘naam’ in de Bijbeltaal, duidt de personaliteit aan. Zo roept Jezus Simon bij zijn naam: “Jezus keek hem in de ogen en zei: ‘Jij bent Simon, de zoon van Johannes, maar voortaan zul je Kefas heten’ (dat is Petrus, ‘rots’) (Johannes 1, 42). De naam drukt de persoon uit. Voor Jezus zijn we geen nummers. Zoals voor Simon heeft hij iets met ons voor, een project. Het ervoor en het erna van de ontmoeting met Jezus zijn niet gelijk. Er werd een wederkerigheid aangeknoopt. Als wij hem volgen, dan is het omdat we nu van hem zijn. Er is een genegenheidsrelatie die ons bindt. Wij staan samen voor zijn leven als voor ons leven.

Inderdaad : “Ik ken mijn schapen en mijn schapen kennen mij (Johannes 10, 14). Dit kennen is wederkerig en betekent een diepe eenheid tussen twee personen. De bijbel gebruikt dit woord voor de echtverbintenis. Luisteren en kennen sluiten op elkaar aan, en betreffen de hele persoon. We gaan helemaal op in onze relatie met Jezus.

In dit luisteren zetten we dus een veel grotere pas dan op eerste zicht. Voor Johannes krijgt het luisteren hier zijn volle waarde. Jezus naar wie we luisteren is immers het mensgeworden Woord van God zelf. “Wie luistert naar wat ik zeg en hem gelooft die mij gezonden heeft, heeft eeuwig leven”, zegt Jezus (Johannes 5, 24). Luisteren gaat over in geloven, in het zich verenigen met het Woord, de Logos. Het Woord is tevens Leven. Luisteren naar Jezus is dan ook levengevend (Johannes 5, 25). “Ik ben gekomen om hun het leven te geven in al zijn volheid”, besluit Jezus (Johannes 10, 10). Hij is de deur die ons toegang geeft tot het leven van God : “Ik ben de deur; wie door Mij binnenkomt zal gered worden: die kan vrij in en uit gaan en zal weidegrond vinden” (Johannes 10, 9).



Leven en vreugde (2017)

Jezus besluit de gelijkenis van de herder met de uitspraak: “Ik ben gekomen, opdat zij het leven hebben, het leven in overvloed” (v. 10). De gelijkenis is duidelijk: Jezus stelt zichzelf voor als de onuitputtelijke bron, in overvloed van leven en vreugde voor alle mensen. Deze verklaring belicht de hele gelijkenis, en geeft er ons de zin van.

In feite kan de parabel worden gelezen op twee verschillende niveaus.
Bij een eerste lezing wordt het een verhaal geïnspireerd door het leven van alledag. Bij deze lezing volstaat het te weten wat zo een schaapskooi was. De kuddes van verschillende herders werden voor de nacht geparkeerd in een gemeenschappelijke schaapskooi, bewaakt door een portier. Er was maar één toegangsdeur. Wat men hier 'deur' noemt, was eigenlijk een eindje vrij smalle gang waardoor maar een schaap tegelijk door kon. Zo kon de herder, zowel zijn schapen tellen, als hun gezondheidstoestand inspecteren. De nachtportier legde zich in deze gang te slapen, zodat hij de levende “deur” was van de schaapskooi. In de ochtend kwam elke herder zijn schapen roepen om ze te grazen te leiden. Hij riep hen bij naam, en ze herkenden zijn stem. De dieven, die kwamen natuurlijk niet langs de deur. Jezus stelt de ware herder die binnenkomt langs de deur, tegenover zij die binnenbreken als dief en rover. Bij die eerste lezing komt Jezus ons nog niet voor als de bron van onze vreugde.

De gelijkenis heeft echter een verborgen betekenis, die ontdekt wordt bij een tweede lezing. Johannes richt zich tot lezers voor het grootste deel van Joodse afkomst. Die zijn vertrouwd met het beeld van de kudde in de Bijbel. De relatie tussen de herder en zijn kudde is een klassiek beeld in het Oude Testament om de relatie tussen God en zijn volk uit te drukken. God is zelf de herder die zijn volk leidt in de woestijn (Psalm 79, 13; 95, 7; 100,3).
Hier begrijpen we wat Jezus bedoelt als Hij zegt dat Hij gekomen is opdat de schapen het leven in overvloed hebben. God alleen is de bron van onze vreugde. Jezus stelt zich hier als herder in plaats van God, en het leven dat Hij ons wil mededelen, is het leven van God. Een leven dat geen einde kent. Een leven in volheid. Is het Gods enige wens niet, zijn vreugde met ons te delen? Dit leven heeft slechts één ingangsdeur. De toegang is Jezus zelf.

Jezus duidt hier zichzelf aan als de herder, en dit op twee manieren. Vooreerst stelt Jezus dat hij de enige toegang is om tot de schapen te komen. Om te komen tot de kudde, beeld van het Godsvolk, is Jezus de enige toegang. De formule: "al degenen die vòòr Mij zijn gekomen, zijn dieven en rovers" (v. 8), stelde een probleem met zijn absolute en exclusieve verwoording, zodat sommige manuscripten "vòòr mij” weglieten. Het is waar dat sommige ketters deze woorden gebruikten om heel het Oude Testament te verwerpen.
De Kerkvaders begrepen het niet zo: Jezus is de eerste want "hij is de deur waardoor Abraham, Isaak, Jakob, de profeten, de apostelen en het evangelie gekomen zijn" (Ignatius van Antiochië, Brief aan de Filadelfiërs, 9.1. Rond het jaar 106). Dit betekent dat de Joden en de Farizeeën die Jezus bemiddeling afwijzen, en hen uitsluiten die in Jezus geloven (zoals de genezen blindgeborene), dieven zijn en rovers. Meer algemeen kan Jezus hier de vermeende Messiassen aanwijzen, die zich voorgesteld hebben als door God gezonden.

Vervolgens stelt Jezus dat alle schapen langs Hem moeten komen. Bij Hem krijgen zij de vrijheid en de volheid van leven, de vreugde van God. Tot de trouwe dienaar zegt God : “Treed binnen in de vreugde van je meester” (Matteüs 25, 21.23). De parabel wordt hier expliciet: Jezus stelt zich voor als onuitputtelijke en overvloedige bron van leven voor alle mensen. Hij kan ons immers zeggen: “Gelijk de Vader Mij heeft liefgehad, heb ook Ik u liefgehad ; blijft in mijn liefde. … Dit heb Ik tot u gesproken, opdat mijn blijdschap in u zij en uw blijdschap vervuld worde” (Johannes 15, 9-11).
Het is Gods vreugde zijn liefde mee te delen. In Jezus nodigt Hij ons uit om zijn vreugde te zijn, door op onze beurt zijn liefde mee te delen!