Loading...
 

4e paaszondag C - evangelie

2 Herder


...page... Wiki page pagination has not been enabled.

Johannes 10, 27-30: Luisteren naar mijn stem

De tekst

’Bijbel in gewone taal’

(Deze Bijbeltekst komt uit de Bijbel in Gewone Taal, © Nederlands Bijbelgenootschap 2014, p. 1694-1695)

De mensen die bij mij horen, luisteren wel naar mij. Ik ken hen, en zij volgen mij. Ik zorg ervoor dat ze gered worden, ik geef hun het eeuwige leven. En niemand kan hen bij mij weghalen. Want mijn Vader heeft mij de hoogste macht gegeven. De Vader en ik zijn samen één. En niemand kan God, de Vader, iets afnemen.’



Dichter bij de tijd

Dan zegt Jezus tot zijn leerlingen:
„Mijn schapen luisteren naar mijn stem
en Ik ken ze
en ze volgen Mij.
Ik geef hun eeuwig leven;
zij zullen nooit verloren gaan
en niemand zal ze van Mij wegroven.
Mijn Vader immers
die ze Mij gegeven heeft
is groter dan allen;
en niemand kan iets
uit de hand van mijn Vader roven.
Ik en de Vader, Wij zijn één.”



Stilstaan bij …

Schapen
Schapen voorzagen in de behoefte aan melk, kaas en vlees. Van schapenwol werden mantels gemaakt. Schapen werden ook geofferd.
In deze context zijn de schapen het beeld van de volgelingen van Jezus. De herder, naar wie ze luisteren, is Jezus zelf.


Luisteren naar zijn stem
De verschillende herders van een dorp brachten 's avonds hun schapen bijeen in een grote schaapskooi om ze er te laten overnachten onder de hoede van een deurwachter. 's Morgens liet de wachter de verschillende herders binnen, die hun eigen schapen buitendreven. De schapen volgden hun eigen herder omdat ze zijn stem herkenden.


Kennen
Dit kennen gaat over een relatie waarin men kan rekenen op elkanders begrip. Het is dus geen kennen in de zin van weten.


Eeuwig leven
Voor de joden is dit de samenvatting van al wat goed is.
Voor de joden was dit een leven bij God.


Wegroven
Een herder moest niet alleen zijn kudde leiden naar groene weiden, maar ook beschermen tegen wilde dieren en rovers.


Eén
Jezus baseert zijn uitspraken op zijn eenheid met God. Tegelijk maakt Hij zo duidelijk dat Hij het beeld van God is.





Bij de tekst

Einde van de rede waarin Jezus zich zichzelf een herder noemt, een beeld waarmee de mensen toen meer vertrouwd mee waren dan nu het geval is: ze zagen herders rondtrekken in hun streek en de Bijbel gebruikte het beeld van de herder om over een koning en over God te spreken.



Wortel in het Oude Testament

Psalm 23
De heer is mijn herder,
het zal mij nooit aan iets ontbreken.

Hij laat mij rusten in groene weiden,
Hij voert mij naar vredig water.
Daar geeft Hij mij nieuwe kracht.
Hij leidt mij op veilige paden,
tot eer van zijn naam.

Al gaat mijn weg door een donker dal
ik ken geen angst,
want U bent bij mij:
uw stok en uw staf
geven mij nieuwe moed.

U nodigt mij uit aan uw tafel
voor het oog van wie tegen mij is.
U zalft mijn hoofd met olie,
en vult mijn beker tot de rand.

Uw goedheid en liefde volgen mij
alle dagen van mijn leven.
Ik keer telkens weer terug
in het huis van de heer,
tot in lengte van dagen.


Lees meer over deze psalm.





Suggesties

Grote kinderen

VERTELLEN

De wilde geiten

(C. LETERME, Een parel voor elke dag, Averbode 2007, p. 187)

Een geitenhoeder had een kleine kudde geiten.
Tegen de avond dreef hij ze bijeen in de stal.
Op een dag kwamen - tot zijn grote verbazing -
een heleboel wilde geiten aangelopen.
Hij dreef ze samen met zijn eigen geiten naar de stal.
Daar verzorgde hij die nieuwe geiten buitengewoon goed:
ze kregen een dikke laag vers stro
en een grote hoop geurig hooi.
Zijn eigen geiten jammerden:
‘Waarom geef je ons zo weinig?’
‘Stil,’ zei de herder,
‘jullie komen niets tekort!’
En tegen de wilde geiten zei hij:
‘Eet maar zoveel jullie willen.’

De volgende dag liet de herder de geiten uit de stal.
Zijn eigen geiten begonnen te grazen,
maar de wilde geiten liepen weg naar het bos.
‘Hé,’ riep de geitenhoeder,
‘Waarom lopen jullie weg?
Ik heb jullie gisteren toch goed verzorgd!
Jullie kregen zelfs beter eten dan mijn eigen geiten!’
‘Precies daarom,’ riep één van hen,
‘Je hebt ons verwend
en je eigen vrienden verwaarloosd.
Geen prettig vooruitzicht voor ons!
Als er op een dag andere geiten komen,
zul je alleen hen verwennen.’

Naar een fabel uit het oude Griekenland




Overweging bij het verhaal
(C. LETERME in Kerk en leven, Federatie Rotselaar, 8 mei 2019, p. 1)

Een mooie herder is dat:
één en al aandacht voor een groep wilde geiten
die zomaar komt aangewaaid
en intussen de kudde verwaarloost
waar hij de herder van was.

De wilde geiten hadden de herder vlug door:
zijn aandacht was er alleen voor de nieuwkomers!
Daarom wilden ze niet langer bij hem blijven.
De herder zelf kon er niet bij:
hij had toch goed voor hen gezorgd.

Als Jezus zichzelf een herder noemde
had hij zeker niet dat soort herder voor ogen.
Hij wilde een goede herder zijn
met oog voor alle dieren in zijn kudde,
vooral voor hen die klein en zwak waren.

Hij wilde een herder zijn
zoals de koningen van zijn volk herder waren
zoals God zelf ook herder was.
Een herder die het goede voor heeft
voor elk van zijn schapen.

Mensen noemen zichzelf geen ‘herder’,
behalve pastoors, pastors en bisschoppen.
Toch zijn veel mensen op een of andere manier
een ‘herder’ voor anderen:
in hun beroep, hun gezin, hun familie, hun vriendenkring.

Ze kunnen kiezen welk soort herder ze willen zijn:
een praatjesmaker, iemand die verantwoordelijkheid ontloopt …
of iemand die zich kan inleven in zijn kudde
en één en al aandacht is voor hun noden
zodat hij hen kan leiden naar een leven vol geluk.





EXTRA

Herder

Klik hier voor suggesties bij een herder.





Overwegingen

Valérie Kabergs

Jezus' volgelingen

Jezus geeft een open definitie van wie zijn schapen zijn, namelijk degenen die luisteren naar zijn stem en Hem volgen. Daarmee sluit Hij enerzijds geen enkele geloofsgroep uit, maar verplicht Hij anderzijds ook geen enkele jood om te behoren tot zijn schapen. Niet Jezus kiest immers zijn schapen uit, maar het zijn die laatsten die besluiten om al dan niet in te gaan op zijn roepstem. Hierin schuilt veel vrijheid. Jezus verplicht niemand ertoe Hem te volgen.



Frans Mistiaen s.j.

Zich toevertrouwen aan Christus, lam en herder

Een herder is geen machthebber,
maar iemand die de schapen dient door zijn dagelijkse zorg,
die hen roept bij hun eigen naam
en die zelfs zijn eigen leven wil opofferen om hen te redden.

Lam en Herder, het zijn twee beelden om te zeggen
dat de kern van de christelijke gemeenschap,
waarop wij hopen en waaraan wij willen bouwen, juist is:
de belangeloze liefde, een liefde die zichzelf geeft om anderen te laten leven.

Hoe kunnen wij de verbondenheid met onze kern levendig houden?
Door eerlijk te luisteren naar Jezus' stem in ons geweten en ons hart,
door Zijn goedheid voor ons meer persoonlijk te leren kennen,
door Hem te volgen in Zijn methode en levensweg.
Ieder van ons zal dit moeten doen op zijn of haar manier
met zijn of haar talenten en mogelijkheden.
Dit is een persoonlijke levensopdracht
die niemand in onze plaats kan vervullen.
In die zin heeft ieder van ons zijn of haar roeping te beantwoorden
om de belangeloze liefde in het eigen leven waar te maken.

Maar steeds zullen er mensen zijn
die Jezus niet alleen willen “volgen van op afstand”,
maar Hem van heel nabij willen “na-volgen”.
Dit is de religieuze roeping.
Roeping betekent niet
een slaafse onderdanigheid aan een aantal strenge regels en wetten,
die de priester of kloosterling in zijn vrijheid zou beperken en klein houden.
Roeping betekent de vreugdevolle aanhankelijkheid
aan een innerlijke vriendschap met de Heer
die heel het leven kan vervullen,
die geborgenheid en levenskracht tot ruime dienstbaarheid biedt.
Het is een leven van heel nabije verbondenheid
met het centrum van de belangeloze dienstbaarheid.
Zulke roepingen zijn een weelde voor een gelovige gemeenschap.
Wij mogen er vandaag speciaal voor bidden.

Ieder van ons wordt uitgenodigd eerlijk zijn eigen roeping te volgen
door te luisteren naar Jezus' stem,
door Hem in Zijn persoonlijke liefde voor ons beter te leren kennen,
door Hem te volgen.
Het is de moeite waard ons toe te vertrouwen aan de belangeloze Liefde,
aan Christus, het Lam in het centrum onze gemeenschap
en de Herder die ons voorgaat en leidt.



Marc Galant, trappist (Orval)

Een goede herder (2013)

Waar heeft Jezus deze woorden uitgesproken?
Johannes zegt het ons: “In Jeruzalem werd het feest van de Tempelwijding gevierd; het was winter. Jezus liep in de tempel, in de zuilengang van Salomo” (Johannes 10, 22-23). Daar wordt Hem gevraagd : “Als u de Messias bent, zeg het ons dan ronduit.” (Johannes 10, 24). Jezus antwoordt, maar zonder het woord Messias te gebruiken, dat bij zijn toehoorders geladen is met zoveel verschillende militaire en politieke verwachtingen. Hij gebruikt het beeld van de herder, de traditionele figuur van de Davidische Messias.

Om dat beeld goed te verstaan moeten wij ons de herder voorstellen zoals de tijdgenoten van Jezus hem zagen. Hij is niet het type herder dat achter de kudde aanloopt en de schapen voor zich voortdrijft van de ene naar de andere afgebakende weide. Zijn schapen zijn ‘s nachts geparkeerd met de schapen van andere herders in een gemeenschappelijke schaapskooi, een afsluiting in open lucht. ‘s Morgens roept hij op zijn schapen, zij herkennen zijn stem, zij komen naar buiten en zij volgen hem. Hij trekt op kop en gaat op zoek naar grazige beemden (cf. Psalm 23, 2).

Wat er ons treft bij het beeld van dit type Messias, is dat de verhouding tussen de herder en de schapen gefundeerd is op persoonlijke basis. Het schaap moet zijn herder herkennen om hem te volgen. De stem van de herder wekt voldoende vertrouwen op om hem te volgen waar hij ook gaat. Die herder drijft ook niet dwingend zijn schapen op: hij gaat vooraan, en men volgt hem vrijuit. Die relatie is ook wederzijds: de schapen kennen hun herder en de herder kent zijn schapen: “Mijn schapen luisteren naar mijn stem, Ik ken ze en zij volgen Mij”.

Jezus kent ons. Niet alleen weet hij wat er in de mens is, zoals Johannes het zegt (Johannes 2, 25), maar Hij kent ieder persoonlijk. Hij kent de situatie van de Samaritaanse: “Dat zegt ge wel: “ik heb geen man”, want vijf mannen hebt ge gehad” (Johannes 4, 18) en hij kent Natanaël als een ware Israëliet (Johannes 1, 47). Het doet ons deugd als we gekend zijn of als men ons herkent. ‘Met iemand kennis hebben’ betekent ’een liefdesrelatie hebben’. We weten ons maar echt gekend in de liefde. In zijn liefde voor ons gaat Jezus tot het geven van zijn leven: zijn liefde betrekt het diepste van zijn wezen en laat hem ons kennen in ons diepste wezen. Wij volgen hem omdat we ons door hem gekend weten, bemind.

Die Messias-herder die voor de kudde uit gaat, is een voorbeeld voor allen die in de Kerk een herderstaak te vervullen hebben: hij eigent zich niet de minste machtspositie toe: de schapen zijn niet van hem, zijn Vader heeft ze hem toevertrouwd. Hij noemt zijn kudde: “Zij, die Gij mij gegeven hebt” (Johannes 17,24). Zijn kudde is hem een genadegave van de Vader. Wederzijds is Jezus als Messias erkennen en hem volgen, ook altijd een genadegave van God. Onze liefde tot Jezus is een Godsgeschenk.

Jezus laat ons begrijpen dat de relatie met hem een bijzondere diepte heeft: het is de Vader die ze wil. Het gaat hier niet om een puur menselijke relatie als die van meester tot leerling. Johannes zal daarom het mysterie van de relatie van Jezus met zijn Vader sterk in de verf zetten. Het is de Vader die de meester is van de kudde die Hij aan zijn Zoon toevertrouwt. Johannes had dit reeds sterk naar voren gebracht in de rede over het Brood des Levens (Johannes 6). De eucharistie heeft immers geen wezenlijke inhoud, als ze niet van God komt. Ook hier had Jezus gezegd: “Al wat de Vader mij geeft, zal tot mij komen” (Johannes 6, 37) en verder: “Dit is de wil van Hem die mij gezonden heeft, dat ik niets verloren laat gaan van wat Hij mij heeft gegeven, maar dat ik het op de jongste dag doe verrijzen” (Johannes 6, 39). De Messias is een herder die zijn schapen leidt “door het dal van de schaduw des doods” (Psalm 23, 4) tot de verrijzenis en het eeuwig leven, “waar ik verblijven mag in het huis van de Heer tot in lengte van dagen” (Psalm 23, 6).

En waarom onze Herder ons kan leiden tot in het huis van de Vader, wordt ons in één woord gezegd: “Ik en de Vader, Wij zijn één” (Johannes 10, 30). Nooit heeft Jezus een sterkere uitdrukking gebruikt om zijn intimiteit met de Vader weer te geven. Het vertrouwen in de Herder en de verbondenheid met Hem wordt tot vertrouwen in de Vader en verbondenheid met Hem. In die verbondenheid kan niemand verloren gaan in leegte en eenzaamheid

Onze Messias-herder is zelf op tocht geweest doorheen de wisselvalligheden van ons mensenleven. Hij maakte er een opgang van in het totaal vertrouwen op zijn Vader. Hij gaat ons voor in dit vertrouwen: wat de Vader ons heeft gegeven, gaat alles te boven: niemand kan het Hem ontrukken!





Eén met God (2016)

De zin die ons evangelie besluit : "De Vader en ik zijn één", geeft ons de reden aan van Jezus’ uitsluiting door de leiders van Israël. Zodra hij die woorden uitspreekt, rapen de Joden stenen op om naar hem te gooien (Jo 10,31). In de synoptische evangeliën lezen we dat het hele Sanhedrin van mening dat dergelijke godslastering de dood verdient (Marcus 14, 64 en par.).

Maar wat betekent deze verklaring voor Jezus’ zending en zijn herderstaak, die vandaag in het licht gesteld wordt?
Merken we vooreerst dit kleine detail op dat zijn belang heeft. Om te zeggen dat de Vader en de Zoon één zijn, gebruikt Johannes niet het Griekse persoonlijk-mannelijke “heis”, maar het onzijdig-onpersoonlijke “hen”. Voor Johannes zijn de Vader en de Zoon altijd twee onderscheiden personen. Hun eenheid is niet fusioneel. We zouden dus beter vertalen: ”De Vader en ik vormen een eenheid”. De eenheid van de Vader en de Zoon situeert zich op het plan van de actie. Door de oneindige liefde van de Vader te onthalen, geeft de Zoon aan de Vader zich oneindig te kunnen geven. Alles wat de Vader heeft, geeft Hij aan de Zoon. En zo kan Jezus verklaren: “Ik ben in de Vader en de Vader is in mij” (Johannes 14, 10). De Vader geeft aan de Zoon, Zoon te zijn, en de Zoon geeft aan de Vader, Vader te zijn. Zo kan Paulus op zijn eigen manier van Christus zeggen: “in Hem woont al de volheid van de Godheid” (Kol 2,9-10).

Jezus' schapen zijn niet zijn schapen, maar de schapen van de Vader. De Vader vertrouwt ze hem toe. Waarom vertrouwt de Vader ons toe aan de Zoon? Eenvoudigweg omdat ons hart te klein is om de oneindige liefde van de Vader te onthalen. Door zelf opgenomen te worden in het onthaal dat de Zoon biedt aan de Vader, worden wij ledematen van Christus, en zo nemen wij deel aan zijn onthaal van de liefde van de Vader.

Paulus heeft dat geëxpliciteerd: “Weet u niet dat uw lichaam ledematen zijn van Christus? … Of weet u niet dat uw lichaam tempel is van de Heilige Geest die in u is en die van God komt, en dat gij uzelf niet toebehoort?” (1 Korintiërs 6, 15.19)?
Wanneer de Vader ons toevertrouwt aan de Zoon behoren wij onszelf niet meer toe. Wij zijn van Christus, en “niemand zal ons aan mijn hand ontrukken”, zegt Jezus (Johannes 10, 28), want in hem zijn we in de hand van de Vader aan wie niets ontrukt kan worden (v. 29). Wij zijn inderdaad tempel geworden van de Heilige Geest, in wie Vader en Zoon zich wederkerig onthalen. Wij zijn terzelfder tijd opgenomen in het onthaal van de Vader door de Zoon, terwijl dit onthaal gebeurt in ons, die tempel zijn van de Heilige Geest.

Anders gezegd: wij verdwijnen niet in een fusie met de goddelijkheid. Wij worden er volledig onszelf, in ons meest persoonlijk statuut van zoon van God, waar niets ons van kan ontrukken. Dan zal Jezus’ gebed zich in ons verwezenlijken: “Dat ze allen één mogen zijn ! Zoals U, Vader, in Mij bent en Ik in U, dat zij zo zij in ons mogen zijn” (Johannes 17, 21).
Of om het te zeggen met de woorden van het Boek der Openbaring: “Het Lam zal hun herder zijn, en hen leiden naar de wateren des Levens” (Apokalyps 7, 13).