Loading...
 

6e paaszondag C - eerste lezing

2 Foto


...page... Wiki page pagination has not been enabled.

Handelingen 15, 1-2.22-29: Het eerste concilie

De tekst

’Bijbel in gewone taal’

(Deze Bijbeltekst komt uit de Bijbel in Gewone Taal, © Nederlands Bijbelgenootschap 2014, p. 1746-1748)

In die tijd kwamen er een paar Joodse christenen uit Judea in Antiochië aan. Ze zeiden tegen de christenen daar: ‘Jullie moeten je laten besnijden. Dat staat in de wet van Mozes. Anders kunnen jullie niet gered worden.’ Maar Paulus en Barnabas waren het daar helemaal niet mee eens. En ze kregen een felle discussie met die christenen uit Judea.

(Toen besloten de christenen in Antiochië dat Paulus en Barnabas en een paar anderen naar Jeruzalem moesten gaan. Ze moesten daar aan de apostelen en de leiders van de kerk vragen wat die ervan vonden. Paulus en Barnabas werden dus naar Jeruzalem gestuurd door de christenen in Antiochië. Ze gingen op weg en reisden door Fenicië en Samaria. Overal vertelden ze dat er nu ook niet-Joden waren gaan geloven in de Heer. En alle christenen die het hoorden, waren erg blij. Paulus en Barnabas kwamen in Jeruzalem aan. Ze werden ontvangen door de apostelen, de leiders en de andere mensen van de kerk. Ze vertelden alles wat ze met Gods hulp gedaan hadden. Maar er waren daar ook een paar farizeeën die in Jezus waren gaan geloven. En die zeiden: ‘De niet-Joodse gelovigen moeten zich ook laten besnijden. En ze moeten zich aan de wet van Mozes houden.’ Toen kwamen de apostelen en de leiders van de kerk bij elkaar om deze zaak te bespreken. Midden in een felle discussie stond Petrus op en zei: ‘Vrienden, jullie weten hoe het gegaan is. Lang geleden heb ik het goede nieuws over Jezus al aan andere volken verteld, zodat ook zij konden gaan geloven. God wilde dat ik dat zou doen. Hij kent de harten van de mensen. En hij laat zien dat ook de niet-Joden erbij horen. Want hij heeft ook aan hen de heilige Geest gegeven, net als aan ons. God maakt geen verschil tussen Joden en niet-Joden. Want hij gaf ook aan niet-Joden het geloof. En door het geloof zijn hun zonden vergeven. Waarom verzetten jullie je tegen God? Jullie willen dat ook de niet-Joodse christenen zich aan de wet van Mozes houden. Maar zelfs onze voorouders konden dat al niet. En wij kunnen het ook niet. Nee, wij geloven dat we gered worden dankzij de goedheid van de Heer Jezus. En voor niet-Joden geldt precies hetzelfde.’ Na die woorden waren alle mensen stil. Toen luisterden ze naar Barnabas en Paulus. Die vertelden over alle wonderen die God hen had laten doen bij de niet-Joden. Toen Barnabas en Paulus uitgesproken waren, zei Jakobus: ‘Vrienden, luister naar mij. Simon Petrus heeft verteld hoe God vanaf het begin aandacht heeft gehad voor de niet-Joden. Hij wilde van hen een volk maken dat bij hem hoort. Dat kunnen we al lezen in de heilige boeken van de profeten. Want daarin staat: «Lang geleden heeft de Heer gezegd: Ik zal medelijden hebben met mijn volk. Ik zal het koninkrijk van David weer sterk maken. Het is nu zwak en er is niet veel van over. Maar ik maak het weer groot en machtig. Dan zullen de mensen van mijn volk mij weer gaan vereren. Samen met alle andere volken die ik uitgekozen heb.» Daarom moeten we het de mensen uit andere volken niet moeilijk maken als ze in God gaan geloven. Dat is mijn mening. We moeten hun in een brief wel de volgende regels geven: Ze mogen geen voedsel eten dat aan afgoden geofferd is. Ze mogen niets eten waar bloed in zit. Ze mogen alleen vlees eten van dieren die op de goede manier geslacht zijn. En ze mogen geen verboden seks hebben. Die regels zijn al heel lang overal bekend. Want ze staan in de wet van Mozes, die iedere sabbat in de synagogen wordt voorgelezen.’)

Toen namen de apostelen, de leiders van de kerk in Jeruzalem en alle andere christenen een besluit. Ze besloten om twee mannen met Paulus en Barnabas mee te sturen naar Antiochië. Ze kozen Silas uit en Judas, die ook wel Barsabbas genoemd werd. Zij waren allebei leiders van de kerk. Judas en Silas kregen een brief mee. Daarin stond:
‘Van de apostelen en leiders van de kerk. Aan de niet-Joodse christenen in Antiochië, Syrië en Cilicië.
Vrienden, wij groeten jullie! We hebben gehoord dat er een paar mensen uit onze kerk bij jullie geweest zijn. En dat zij dingen hebben gezegd waardoor jullie in de war gebracht zijn. Die mensen waren niet door ons gestuurd! Daarom hebben we nu met elkaar besloten om een paar andere mensen naar jullie toe te sturen. Ze komen mee met onze vrienden Barnabas en Paulus. Die zijn al vaak in gevaar geweest door hun werk voor onze Heer Jezus Christus. De mannen die we naar jullie toe sturen, zijn Judas en Silas. Zij zullen jullie de dingen die in deze brief staan, nog eens zelf vertellen. Wij hebben een besluit genomen, en zo wil de heilige Geest het ook. We willen het jullie niet te moeilijk maken. Jullie hoeven alleen de regels te volgen die echt nodig zijn: Eet geen vlees dat aan afgoden geofferd is. Eet niets waar bloed in zit. Eet alleen vlees van dieren die op de goede manier geslacht zijn. En heb geen verboden seks. Als jullie je aan die regels houden, dan doen jullie het goed.
Onze hartelijke groeten!’



Dichter bij de tijd

(C. Leterme)

Er kwamen enkele mensen uit Judea naar Antiochië die zeiden: ‘Als jullie zich niet laten besnijden, zoals de wet van Mozes het voorschrijft, kunnen jullie niet gered worden.’
Er ontstond een heftige discussie en Paulus en Barnabas raakten met hen in conflict. Daarom gaf men aan Paulus, Barnabas en nog enkele anderen de opdracht om dit probleem voor te leggen aan de apostelen en de verantwoordelijken in Jeruzalem.
Die besloten om in overleg met de gemeenschap van christenen Paulus en Barnabas samen met Judas (ook Barsabbas geheten) en Silas naar Antiochië te sturen. Ze gaven hun deze brief mee:
‘De apostelen en de verantwoordelijken groeten hun broeders van heidense afkomst in Antiochië, Syrië en Cilicië. Wij vernamen dat enkelen van ons, zonder ons daarin te kennen, jullie met hun woorden verward hebben. Daarom besloten wij samen om een paar mannen uit te kiezen en die mee te sturen met Barnabas en Paulus, die zich met hart en ziel inzetten voor de naam van onze Heer Jezus Christus. Het gaat om Judas en Silas die u dezelfde boodschap ook mondeling zullen overbrengen. De Heilige Geest en wij hebben besloten om jullie niets meer op te leggen dan wat strikt noodzakelijk is: jullie mogen geen vlees eten dat aan de afgoden geofferd is, of bloed, of vlees dat niet ritueel geslacht is en jullie mogen ook geen ontucht plegen. Als jullie zich daaraan houden, is het in orde. Het ga jullie goed.’





Bij de tekst

Situering van de tekst

Als Paulus op zijn reis in het Midden-Oosten ergens aankwam, ging hij eerst prediken in de synagoge. Hoewel heel wat joden aanvankelijk enthousiast waren, eindigde dit meestal in vervolging en arrestatie van Paulus. Daarom begon Paulus zich te richten tot de mensen die geen jood waren.
Maar ook dit stelde problemen:
- Kon men wel christen worden zonder eerst jood te zijn?
- Moest men eerst besneden zijn om Christus te kunnen volgen?
Vooral de christenen, die voordien jood waren geweest, waren ervan overtuigd dat men zeker de Tora moest beleven en besneden zijn.

Omdat deze kwestie een grote crisis veroorzaakte bij de eerste christenen, werden de apostelen in een concilie bijeengeroepen te Jeruzalem. Die bijeenkomst besloot officieel dat men christen kon worden zonder eerst jood te zijn. De argumenten hiervoor staan in Handelingen 15, 3-21, de tekst die weggelaten wordt tijdens deze eerste lezing, en in de volgende tekst licht aangepast is:

De gemeente deed hun uitgeleide en zij trokken door Fenicië en Samaria, waar ze de broeders grote vreugde bezorgden door te vertellen over de bekering van de heidenen. In Jeruzalem werden ze verwelkomd door de gemeente, de apostelen en de verantwoordelijken. Ze brachten verslag uit van wat God met hen gedaan had. Sommigen die vroeger bij de Farizeeën waren, zeiden: ‘Ze moeten hen besnijden en van hen eisen dat ze zich aan de wet van Mozes houden.’ Daarom kwamen de apostelen en de verantwoordelijken bijeen om dit probleem te bespreken. Na veel discussie stond Petrus en zei: ‘Broeders, jullie weten dat God al van in het begin ervoor gekozen heeft dat ik de heidenen het evangelie zou brengen zodat ze tot geloof zouden komen. God die weet wat er in hart van de mensen leeft, heeft dat duidelijk gemaakt door hun, net als ons, de heilige Geest te schenken. Hij heeft nergens onderscheid gemaakt tussen ons en hen, omdat Hij hun harten met het geloof gezuiverd heeft. Waarom wilt u hen een last opleggen die onze voorvaderen noch wijzelf konden dragen? Nee, wij geloven dat wij net als zij door Jezus zullen gered worden.’
Heel de vergadering zweeg. Dan luisterden ze naar de verhalen van Barnabas en Paulus over de tekenen en wonderen die God door hen onder de heidenen had gedaan. Toen zij uitgesproken waren, zei Jakobus: ‘Broeders, luister. Simeon heeft gezegd dat God zelf begonnen is zich het lot aan te trekken van de heidenen, om uit hen een volk te vormen voor zijn naam. Dit komt overeen met de woorden van de profeten: "Dan zal Ik terugkeren en de ingestorte tent van David weer opbouwen. Wat omver ligt zal Ik herstellen en weer overeind zetten. Dan zullen de mensen die overgebleven zijn, op zoek gaan naar de Heer samen met de heidenen, over wie mijn naam is uitgeroepen. Zo spreekt God. " Daarom vind ik dat we de heidenen die zich tot God bekeren, geen onnodige last moeten opleggen. We moeten hun schrijven dat ze zich onthouden van verontreiniging door afgoden, ontucht, verstikt vlees, en bloed.


In deze tekst toont Lucas aan dat het toelaten van heidenen tot de gemeenschap van christenen het werk is van God zelf:
. Hij verwijst naar de bekering van de Romein Cornelius, waarbij 'de heilige Geest neerdaalde op allen die naar zijn toespraak luisterden'.
. Via Petrus zegt Lucas dat de joden zelf niet in staat waren de wet te onderhouden (het lijkt wel erg onwaarschijnlijk dat Petrus dit zelf zou gezegd hebben)
. Paulus en Barnabas verwijzen naar het gunstig onthaal wanneer ze zich richten naar de heidenen.
. Via Jacobus komt een argument vanuit de Bijbel zelf: een citaat uit de profeet Amos (waarvan de tekst in 'Handelingen' komt uit een Griekse vertaling, die afwijkt van de Hebreeuwse tekst). Dit citaat toont aan dat de opname van heidenen in de gemeenschap van christenen reeds lang door God gewild is.



Brief aan de Galaten

De tekst in de ‘Handelingen van de apostelen’ werd door Lucas geschreven. In het Nieuwe Testament verwijst Paulus naar deze gebeurtenis in een brief aan de Galaten (Galaten 2, 1-10). Deze brief kan doorgaan als historische informatie uit eerste hand.

Na veertien jaar ging ik samen met Barnabas en Titus terug naar Jeruzalem. God had me laten weten dat ik dat moest doen. Ik heb daar aan de leiders van de Kerk het evangelie voorgelegd dat ik aan de niet-joden verkondig. Ik wilde er zeker van zijn dat ik niet voor niets werk of had gewerkt. Maar zelfs Titus, een Griek, werd niet gedwongen om zich te laten besnijden. Dat wilden wel een paar valse broeders, die als spionnen waren binnengedrongen om erachter te komen hoe wij onze vrijheid, die wij hebben in Christus Jezus, gebruikten. Maar wij zijn geen moment voor hen gezwicht, want de waarheid van het evangelie moest bij u behouden blijven. De leiders hebben mij niets opgelegd. Integendeel, toen zij inzagen dat aan mij het evangelie voor de niet-joden was toevertrouwd, zoals dat voor de joden aan Petrus en omdat zij de mij gegeven genade hadden erkend, hebben zij, Jakobus en Petrus en Johannes, mij en Barnabas de rechterhand toegestoken (1): wij zouden naar de niet-joden gaan en zij naar de joden. Wij moesten alleen de armen gedenken, en daar heb ik dan ook mijn best voor gedaan.

(1) Met dit gebaar geeft men aan dat men een vreedzaam verdrag heeft gesloten, waarbij geen van de partijen het overwicht heeft.