Loading...
 

Palmzondag A - lang evangelie

2 Bliksem


...page... Wiki page pagination has not been enabled.

Matteüs, 26, 14 - 27, 66: De laatste dagen van Jezus

Matteüs, 26, 14 - 27, 66 // Marcus 14, 1 - 15, 47 // Lucas 22, 14 - 23, 56 // Johannes 18, 1-19,42



De tekst

Dichter bij de tijd

(C. LETERME, Map Bijbel in 1000 seconden, fiche die hoort bij Matteüs, 26, 14 - 27, 66)

Op een dag gaat Judas, een van de twaalf apostelen, naar de hogepriester.
Hij vraagt: ‘Wat krijg ik als ik Jezus aan u overlever?’
De hogepriester geeft hem dertig zilverstukken.
Vanaf dat ogenblik zoekt de hogepriester
een geschikt moment om Jezus te arresteren.

Op de eerste dag van het joodse paasfeest vragen de vrienden aan Jezus:
‘Waar wilt U dat wij het paasmaal klaarmaken?’
Hij zegt: ‘Ga naar de stad, naar die en die, en zeg:
‘De meester wil met zijn vrienden paasfeest vieren.” ’
De vrienden van Jezus doen dat.

’s Avonds zit Jezus met zijn twaalf vrienden aan tafel.
Terwijl ze eten zegt Hij: ‘Een van jullie zal Mij verraden.’
Als zijn vrienden dit horen, worden ze bedroefd.
Eén voor één vragen ze: ‘Ik ben het toch niet, Heer?’
Tijdens de maaltijd neemt Jezus een brood, en bidt.
Daarna breekt Hij het, geeft het aan zijn vrienden en zegt:
‘Neem en eet, dit is mijn lichaam.’
Hij neemt ook een beker, en bidt een dankgebed.
Dan geeft Hij hun die beker met de woorden: ‘Drink er allen van,
want dit is mijn bloed van het verbond.’
Als ze psalmen gezongen hebben, gaan ze naar de Olijfberg.
Daar zegt Jezus: ‘Nog deze nacht zullen jullie Mij in de steek laten.’
Petrus zegt: ‘Ik laat U nooit in de steek.’
Jezus zegt: ‘Toch zeg Ik je, dat je nog deze nacht, nog voor de haan kraait,
drie keer zult zeggen dat je Mij niet kent.’
Maar Petrus zegt: ‘Al moet ik met U sterven, dat zal ik nooit zeggen.’

Dan gaat Jezus met zijn vrienden naar Getsemane.
Hij zegt: ‘Blijven jullie hier zitten? Ik ga daar bidden.
Petrus, Jacobus en Johannes, komen jullie met Mij mee?’
Jezus wordt bedrukt en onrustig. Hij zegt tegen de drie:
‘Ik ben heel erg bedroefd. Blijf hier, en blijf wakker met Mij.’
Hij gaat wat verder, knielt met zijn hoofd tot op de grond en bidt:
‘Vader, als het mogelijk is, laat deze beker aan Mij voorbijgaan.
Maar niet zoals Ik wil, maar zoals U wilt.’
Dan keert Hij terug naar zijn vrienden. Ze slapen. Hij zegt tegen Petrus:
‘Kunnen jullie dan niet één uur wakker blijven met Mij?’
Voor de tweede maal gaat Hij bidden:
‘Vader, als deze beker niet voorbij kan gaan
zonder dat Ik hem drink, laat dan uw wil geschieden.’
Wanneer Hij terugkeert, vindt Hij zijn vrienden opnieuw in slaap.
Hij laat hen met rust en gaat voor de derde keer bidden.
Als Hij terug keert naar zijn vrienden zegt Hij:
‘Kom, sta op, laten we gaan. Degene die Mij overlevert, komt eraan.’
Hij is nog niet uitgesproken of Judas is daar
samen met een grote bende, met zwaarden en knuppels in de hand.
Judas heeft met hen afgesproken: ‘Het is degene die ik zal kussen.’
Hij gaat naar Jezus en zegt: ‘Dag rabbi!’, en hij kust Hem.
Jezus vraagt: ‘Vriend, ben je daarvoor hier!’
Dan komt de bende dichterbij, grijpt Jezus en overmeestert Hem.
Jezus zegt: ‘Jullie komen Mij met zwaarden en stokken gevangen nemen,
precies alsof Ik een bandiet ben. Waarom pakten jullie Mij niet op
toen ik dag in dag uit in de tempel les gaf?’
De vrienden van Jezus laten Hem in de steek en vluchten weg.

Intussen wordt Jezus naar de hogepriester Kajafas gebracht.
Petrus volgt Hem tot op de binnenplaats van zijn paleis.
Daar gaat hij bij de knechten zitten en kijkt hoe alles afloopt.
De hogepriesters en het gerecht zoeken valse getuigen tegen Jezus,
want ze willen Hem ter dood brengen.
Maar ze vinden niets, hoewel er veel valse getuigen waren.
Ten slotte zeggen er twee: ‘Die man heeft gezegd:
Ik kan de tempel van God afbreken en in drie dagen opbouwen. ’
De hogepriester staat recht en vraagt aan Jezus:
‘Hebt U daar niets op te zeggen?’
Jezus blijft zwijgen.
De hogepriester vraagt: ‘Bent U de Messias, de Zoon van God?’
Jezus antwoordt: ‘U hebt het gezegd.’
Dan scheurt de hogepriester zijn kleren en zegt:
‘Hij heeft God beledigd. We hebben geen getuigen meer nodig!
Wat vinden jullie ervan?’
Ze antwoorden: ‘Hij verdient de doodstraf.’
Ze spuwen Hem in het gezicht en slaan Hem.

Petrus zit in de binnenplaats. Er komt een slavin naar hem toe.
Ze zegt: ‘Jij was ook bij die Jezus.’
Maar Petrus zegt: ‘Ik weet niet waar je het over hebt.’
Hij gaat naar het portaal.
Daar ziet een andere slavin hem.
Ze zegt: ‘Die man daar was bij Jezus.’
Maar Petrus zegt: ‘Ik ken Hem niet.’
Na een tijd komen de omstanders wat dichterbij.
Ze zeggen tegen Petrus:
‘Maar jij hoort toch ook bij die groep.
We horen het aan jouw uitspraak.’
Dan begint Petrus te vloeken en te zweren: ‘Ik ken die man niet.’
Meteen kraait er een haan.
Dat doet Petrus aan de woorden van Jezus denken:
‘Voor de haan kraait, zul je Me drie keer verloochenen.’
Petrus gaat naar buiten en weent bitter.
‘s Morgens vroeg besluit het gerecht om Jezus te doden.
Ze boeien Hem en leveren Hem over aan Pilatus, de gouverneur.
Wanneer Judas ziet dat Jezus veroordeeld is, krijgt hij spijt.
Hij brengt de dertig zilverstukken terug naar de hogepriesters
en zegt: ‘Ik heb mij vergist.’
Maar ze zeggen: ‘Dat is onze zaak niet.’
Judas gooit de zilverstukken in de tempel en hangt zich op.

Men brengt Jezus bij Pilatus.
Die vraagt: ‘Bent U de koning van de Joden?’
Jezus zegt: ‘Dat zegt U.’
Bij de beschuldigingen van de hogepriesters en de oudsten zwijgt Jezus.
Dan vraagt Pilatus: ‘Hoort U dan niet
waarvan ze U allemaal beschuldigen?’
Jezus antwoordt nergens op. Pilatus is zeer verbaasd.
Het is de gewoonte dat de gouverneur op een feest
een gevangene vrijlaat, die het volk mag kiezen.
Op dat moment zit Barabbas gevangen.
Pilatus vraagt aan de mensen: ‘Wie moet ik vrijlaten, Barabbas of Jezus?’
De hogepriesters zeggen: ‘Kies voor Barabbas en niet voor Jezus!’
Opnieuw vraagt Pilatus: ‘Wie van de twee laat ik vrij?’
‘Barabbas’, zeggen ze. Pilatus vraagt: ‘En wat moet ik met Jezus doen?’
Ze roepen: ‘Kruisig Hem.’
Pilatus vraagt ‘Maar wat voor kwaad heeft Hij eigenlijk gedaan?’
De mensen schreeuwen nog harder: ‘Kruisig Hem.’
Pilatus ziet dat er niets helpt en dat de onrust steeds groter wordt.
Dan neemt hij water en wast zijn handen voor de ogen van de mensen.
Hij zegt: ‘Ik ben onschuldig aan de dood van die Jezus’
en hij laat Barabbas vrij.
Dan nemen de soldaten van Pilatus Jezus mee.
Ze trekken zijn kleren uit en doen Hem een rode mantel om.
Ze vlechten een krans van doornen en zetten die op zijn hoofd.
Ze geven Hem een rietstok in de rechterhand.
Ze knielen voor Hem neer en spotten: ‘Dag koning van de Joden!’
Ze spuwen in zijn gezicht, en slaan met de rietstok op zijn hoofd.
Dan nemen ze de mantel af, doen Hem weer zijn eigen kleren aan
en leiden Hem weg om Hem te kruisigen.
Onderweg komen ze Simon uit Cyrene tegen.
Ze zeggen hem: ‘Kom, draag zijn kruis!’
Ze komen bij Golgota,
waar ze Jezus een mengsel geven van wijn en gal.
Jezus proeft ervan, maar wil het niet drinken.
Ze kruisigen Hem en dobbelen om zijn kleren.
Zittend houden ze bij Hem de wacht.
Boven zijn hoofd schrijven ze: ‘Dit is de koning van de Joden.’
Naast Jezus zijn er twee bandieten gekruisigd.
Voorbijgangers zeggen tegen Jezus:
‘Jij, die de tempel afbreekt en in drie dagen opbouwt,
red jezelf als je de Zoon van God bent, en kom van het kruis af.’
Anderen spotten met Hem: ‘Hé Jezus, Jij kunt Jezelf niet eens redden!’
‘Koning van Israël, kom van het kruis af en wij zullen in U geloven!’
‘Zoon van God, laat God Je nu maar redden!’
Ook de bandieten naast Hem beledigen Hem.
’s Middags wordt het duister over het hele land, tot het drie uur is.
Dan roept Jezus luid: ‘Eli, Eli, lema sabachtani?’
Dat betekent: Mijn God, mijn God,
waarom hebt U Mij in de steek gelaten?
Sommigen horen dat en zeggen: ‘Hij roept Elia.’
Iemand rent weg om een spons te halen, doopt die in wijn,
steekt hem op een rietstok en wil die Hem te drinken geven.
Maar anderen zeggen: ‘Niet doen! We willen zien of Elia Hem komt redden.’
Maar Jezus schreeuwt opnieuw luid en geeft de geest.
Op dat ogenblik scheurt het voorhangsel van de tempel in twee.
De aarde beeft, de rotsen splijten uit elkaar.
Wanneer de honderdman en zijn soldaten
die aardbeving zien worden ze vreselijk bang.
Ze zeggen: ‘Werkelijk, Hij was de Zoon van God.’
Een groep vrouwen kijkt op een afstand.
Ze volgden Jezus uit Galilea en zorgden voor Hem.
’s Avonds gaat Jozef, een rijk man uit Arimatea,
samen met de vrouwen naar Pilatus
Hij vraagt om het lichaam van Jezus.
Pilatus geeft het bevel om het aan hem af te staan.
Jozef neemt het lichaam, wikkelt het in zuiver linnen,
en legt het in een nieuw graf,
dat hij voor zichzelf in de rots had laten maken.
Hij rolt een grote steen voor de ingang ervan en gaat weg.
De volgende dag gaan de hogepriesters en de Farizeeën naar Pilatus.
Ze zeggen: ‘Heer, wij denken er ineens aan
dat die Jezus tijdens zijn leven gezegd heeft:
Na drie dagen zal Ik tot leven gewekt worden.
We zouden willen dat je zijn graf laat bewaken tot de derde dag.
Anders komen zijn vrienden zijn lichaam stelen
om te kunnen zeggen: “Hij is opgestaan uit de dood.”’
Pilatus zegt: ‘U krijgt een wacht.
Neem ook veiligheidsmaatregelen die u goed vindt.’ Ze gaan weg.
Ze verzegelen de steen, en plaatsen een wacht bij het graf.





Bij de tekst…

Heel oude tekst

De teksten over de laatste dagen van het leven van Jezus behoren tot de oudste teksten van het evangelie. Ze vertellen over zijn lijden en dood. Omdat de eerste christenen moeilijk konden verwerken dat Jezus aan een kruis is gestorven, zochten ze in de Bijbel naar teksten die dit lijden voorspelden en zo voor hen aanvaardbaar maakten. Daarom zijn er in deze teksten over de laatste dagen van Jezus heel veel teksten uit het Oude Testament verweven. Lees meer

De teksten in het evangelie over het leven van Jezus, werden later geschreven.

De teksten van het evangelie, die het laatst geschreven werden, gaan over de geboorte en de kinderjaren van Jezus. Ze zijn alleen te vinden in de evangelies van Matteüs en van Lucas. Lees meer



David

Merk op: het belang dat de eerste christenen hechtten aan de relatie van Jezus en koning David.

Jezus werd volgens de evangelisten geboren in Betlehem, de stad waar David afkomstig van was.
Jozef was verre familie van koning David.
De blinde Bartimeüs roept Jezus aan met de woorden: ‘Zoon van David
Jezus sterft in Jeruzalem, de stad waar het graf van David ligt.



Bij het vertellen of voorlezen

Wie dit lange evangelie aan kinderen wil voorlezen of vertellen, kan het als volgt inleiden:

Als iemand gestorven is, merk je dat mensen veel over de overledene beginnen te praten. Dat doet hen goed. Zo voelen ze dat de overledene nog dicht bij hen is. Soms wenen mensen erbij. Ook dat is goed, want als mensen hun verdriet tonen, kunnen anderen hen troosten.
Toen Jezus – nu bijna 2000 jaar geleden - stierf, hadden zijn moeder Maria en zijn vrienden heel veel verdriet. Ook zij vertelden aan elkaar wat er de laatste week van zijn leven allemaal was gebeurd. Zo voelden ze Jezus nog dicht bij hen.
Tot op vandaag vertellen christenen dit verhaal, vooral in de Goede Week, de week waarin ze de laatste dagen van het leven van Jezus in herinnering brengen.





Bijbel en kunst

H. MEMLING

Taferelen uit de Passie van Christus (1470-71)

Memling Passie Grt

Olie op eikenhouten paneel (57 x 92 cm)
Galleria Sabauda, Turijn


Hans Memling (ca. 1430 – 1494) verwerkte alle passages uit de passie in één schilderij en voegde er de opstanding aan toe. In totaal zijn er drieëntwintig taferelen te zien.
De biddende mensen in de onderste hoeken zijn waarschijnlijk de opdrachtgever Tommaso Portinari en zijn vrouw. Portinari was een bankier uit Firenze die in Brugge woonde en werkte.




Extra info
Klik hier.




Opzoeken
Maak een kleurkopie van dit schilderij. Zoek de volgende taferelen in het schilderij. Schrijf het nummer van het tafereel op een mini post-it en kleef het bij het tafereel.
1. Intrede in Jeruzalem.
2. Jezus verjaagt de geldwisselaars uit de tempel.
3. Het verraad van Judas.
4. Het Laatste Avondmaal.
5. Jezus bidt in de tuin van Getsemane. De apostelen slapen.
6. De Romeinen nemen Jezus gevangen. Petrus hakt het oor af van een van de aanvallers.
7. Petrus verloochent Jezus driemaal, nog voor de haan kraait.
8. Jezus voor Pilatus.
9. Jezus wordt gegeseld.
10. Tweede verhoor door Pilatus.
11. Men zet een kroon van doornen op het hoofd van Jezus en doet hem een purperen mantel om, om met Hem te spotten.
12. ‘‘Ziet de mens’ (Ecce homo).
13. Timmerlieden maken een kruis.
14. Jezus valt met zijn kruis. Simon van Cyrene helpt Hem.
15. Jezus wordt aan het kruis genageld.
16. Het kruis van Jezus wordt geplaatst tussen twee misdadigers op de heuvel Golgota.
17. Jezus wordt van het kruis gehaald.
18. Jezus wordt in een graf gelegd.
19. Jezus in het voorgeborchte.
20. Jezus verrijst uit het graf. De soldaten merken niets, ze slapen.
21. De verrezen Jezus ontmoet Maria Magdalena.
22. Op weg naar Emmaüs.
23. Jezus verschijnt aan de apostelen bij het Meer van Galilea.


Zoek op wikipedia de verschillende stadia in een kruisweg. Teken een cirkel rond de cijfers die taferelen weergeven die met de kruisweg overeenkomen.
Zo valt op dat Memling veel aandacht had voor de gebeurtenissen die aan dit passieverhaal voorafgingen en ook voor de verrijzenis, voor de verschillende situaties waarin leerlingen van Jezus hebben ervaren dat Hij verder leefde.





Overzicht van de teksten (Info en suggesties)

DEEL 1:Verraad van Judas en laatste avondmaal

Matteüs 26, 14-56
Klik hier voor meer info en suggesties.



DEEL 2: Jezus op de Olijfberg

Matteüs 26, 36-56
Klik hier voor meer info.



DEEL 3: Jezus wordt ondervraagd

Matteüs 26, 57-68
Klik hier voor meer info.



DEEL 4: Lijden en dood van Jezus

Matteüs 27, 11-54
Klik hier voor meer info.



Deel 5: Jezus wordt begraven

Matteüs 27, 55-66
Klik hier voor meer info en suggesties.





Suggesties

Grote kinderen

KENNISMAKEN MET DE BIJBELTEKST

De laatste dagen van Jezus

Jezus eet voor het laatst met zijn vrienden (naar Matteüs 26,20-30)
's Avonds gaat Jezus met zijn twaalf vrienden aan tafel. Tijdens de maaltijd neemt Hij brood, dankt God en breekt het. Als Hij de stukken geeft aan zijn vrienden zegt Hij: ‘Neem en eet, dit is mijn lichaam.’ Hij neemt ook een beker, dankt God en geeft die beker door met de woorden: ‘Drink er allen uit, want dit is mijn bloed van het verbond, dat voor velen wordt vergoten tot vergeving van zonden.' Na het zingen van de psalmen gaan ze naar de Olijfberg.




Jezus heeft heel veel angst (naar Matteüs 26, 36-43)
Op de Olijfberg is Jezus bedrukt en onrustig. Hij gaat wat verder, werpt zich voorover op de grond en bidt: 'Vader, als het mogelijk is, laat deze beker aan Mij voorbijgaan. Maar laat gebeuren wat U wilt.’ Hij gaat terug naar de leerlingen en vindt hen in slaap. Hij zegt tegen Petrus: ‘Konden jullie dan niet één uur wakker blijven?’ Jezus gaat terug en bidt: ‘Vader, als ik deze beker moet drinken, laat uw wil dan geschieden.’




Judas geeft Jezus een kus (naar Matteüs 26, 44-56)
Als Jezus terugkomt, vindt Hij zijn vrienden weer in slaap. Hij laat hen gerust en gaat opnieuw bidden. Dan komt Hij weer terug en zegt: ‘Slaap nu maar rustig verder. Het uur is daar dat Ik wordt overgeleverd in de handen van zondaars.’ Hij is nog niet uitgesproken of Judas, een van de twaalf vrienden, is daar, samen met mannen met zwaarden en knuppels. Ze zijn gestuurd door de hogepriesters en de belangrijkste mensen van het volk. Judas gaat recht naar Jezus. ‘Dag rabbi!’ zegt hij en hij geeft Jezus een kus. Zo weten de mannen wie Jezus precies is. Dan overmeesteren ze Jezus. Intussen vluchten alle vrienden van Jezus weg.




Petrus kent Jezus niet (Matteüs 26, 47-57)
De mannen brengen Jezus naar Kajafas, de hogepriester. Petrus volgt op een afstand. Als hij in de binnenplaats van het paleis van de hogepriester is, komt er een slavin naar hem toe. Ze zegt: ‘Jij was ook bij die Jezus van Galilea.’ Petrus zegt: ‘Ik weet niet waar je het over hebt.’ Als hij naar het portaal gaat, ziet een ander meisje hem. Ze zegt tegen de anderen: ‘Die man daar was bij Jezus.’ Opnieuw zegt Petrus: ‘Ik ken die man niet.’ Maar de omstanders komen dichterbij en zeggen: ‘Inderdaad, jij hoort ook bij Hem. Je kunt het horen aan jouw accent.’ Petrus begint te vloeken: ‘Ik ken die man niet.’ Dan kraait er een haan. Petrus herinnert zich wat Jezus gezegd heeft: ‘Vooraleer de haan kraait, zul je drie keer zeggen dat je Me niet kent.’ Petrus weent bitter.




Pilatus veroordeelt Jezus (Matteüs 27, 11-26)
Men brengt Jezus bij Pilatus. ‘Bent U de koning van de Joden?’ vraagt Pilatus. Jezus zegt: ‘Dat zegt u.’ Maar op de beschuldigingen tegen Hem, zegt Hij niets. ‘Hoort U die beschuldigingen dan niet?’ vraagt Pilatus. Maar Jezus zegt niets. Nu is het de gewoonte dat Pilatus bij een feest een gevangene vrij laat. Pilatus vraagt aan de mensen: ‘Wie wilt u dat ik vrijlaat, Jezus Barabbas of Jezus die Messias genoemd wordt?’ De hogepriesters en de belangrijkste mensen van het volk fluisteren in het oor van de mensen: 'Vraag om Barabbas vrij te laten en Jezus te doden'. Pilatus vraagt: ‘Wie van de twee moet ik nu vrijlaten?’ ‘Barabbas’, roepen ze. ‘En wat moet ik met Jezus doen?’ vraagt Pilatus. Ze roepen: ‘Kruisig Hem.’ Pilatus vraagt: ‘Wat voor kwaad heeft Hij eigenlijk gedaan?’ Maar de mensen schreeuwen nog harder: ‘Kruisig Hem.’ Pilatus neemt water, wast zijn handen voor de ogen van het volk en zegt: ‘Ik ben onschuldig aan zijn bloed.'




Jezus wordt gegeseld (Naar Matteüs 27, 26-31)
Pilatus laat Barabbas vrij en Jezus laat hij geselen om daarna te kruisigen. Zijn soldaten nemen Jezus mee. Ze trekken zijn kleren uit en hangen een rode mantel om zijn schouders. Op zijn hoofd zetten ze een krans van doornen en in zijn rechterhand geven ze een rietstok. Dan knielen voor Hem. ‘Gegroet, koning van de Joden!’spotten ze. Ze spuwen Hem in het gezicht en slaan op zijn hoofd. Dan nemen ze de mantel af en doen Hem weer zijn leren aan.




Simon van Cyrene draagt het kruis van Jezus (Naar Matteüs 27, 32)
Dan laten ze Hem met zijn kruis gaan naar Golgota, een heuvel buiten Jeruzalem. Onderweg komen ze Simon van Cyrene tegen, die van zijn akker komt. 'Draag zijn kruis!' bevelen ze.




Jezus sterft op een kruis (naar Matteüs 27,45-54)
Als ze op Golgota zijn, laten ze Jezus een mengsel drinken van wijn en gal. Jezus proeft er wat van, maar wil het niet drinken. Dan kruisigen ze Hem en dobbelen om zijn kleren. Voorbijgangers spotten met Hem. Rond drie uur na de middag roept Jezus luid: ‘Eli, Eli, lema sabachtani?’ In het Nederlands is dat: Mijn God, mijn God, waarom hebt U Mij in de steek gelaten? Wat later schreeuwt Jezus opnieuw luid en geeft de geest. Op dat ogenblik scheurt het voorhangsel in de tempel van boven tot beneden in twee. De aarde beeft, de rotsen splijten uit elkaar. Wanneer de honderdman en zijn mannen de aardbeving zien en wat er allemaal gebeurt, worden ze vreselijk bang. Ze zeggen: ‘Werkelijk, Hij was de Zoon van God.’





Overwegingen

Frans Mistiaen s.j.

Teken van liefde tot het uiterste toe

Wij, christenen, worden niet uitgenodigd
op te kijken naar het kruishout zelf,
naar dat marteltuig
dat lijden en vernietiging brengt.
Wij worden wel uitgenodigd op te kijken
naar Jezus op het kruis,
die, te midden van het lijden,
Zijn zichzelf-gevende-liefde toont
tot het uiterste toe.
Ook in de hevigste pijn
en de vastgespijkerde machteloosheid
denkt Jezus immers niet aan Zichzelf,
maar aan de anderen
(Hij vergeeft Zijn beulen,
schenkt Johannes aan Zijn Moeder
en belooft het paradijs aan de goede moordenaar)
en bidt Hij vol vertrouwen tot Zijn Vader
("In Uw handen beveel Ik Mijn geest").
Laten wij opkijken naar wat de Liefde doet,
hoe Jezus Zichzelf totaal vergeet en wegschenkt,
zelfs in die meest weerloze situatie.
En op het moment van de kruisiging
wordt die liefde van de Mensenzoon "omhoog geheven":
Zijn liefde tot het uiterste
wordt het moment van Zijn verheffing door God,
van Zijn verheerlijking.

Niet iedereen ziet dit.
Bij het opkijken naar een kruis en naar de Gekruisigde
staat iedereen voor de keuze: te geloven of niet te geloven.
Wie niet gelooft, ziet alleen een gemartelde man,
die lijdt aan het kruishout en totaal vernietigd wordt.
Wie gelooft, ziet juist
in de zelfgave van de Gekruisigde en Zijn verhoging door God,
het teken dat de belangeloze, zichzelf-gevende Liefde
sterker is dan de dood.

Geloven is dan ook, bij het opzien naar het kruis,
vooral kijken naar Jezus
en willen leven vanuit de liefde die Hij toont
door zichzelf belangeloos weg te schenken voor anderen, zelfs op het kruis.
Geloven is, bij het opzien naar het kruis,
vooral kijken naar Jezus
en zich uitgenodigd voelen door Zijn Zichzelf-gevende liefde,
opgetild worden uit de dood van eigen zonde
naar een nieuw, meer liefdevol leven,
een leven in licht en waarheid.

Ongelovigen blijven het kruis zien als een teken van ondergang.
Gelovigen zien in de zelfgave van de Gekruisigde
het teken dat zo'n liefde, ondanks het lijden, de dood overwint.

Soms wordt wel eens een kruis zonder Gekruisigde Jezus afgebeeld,
hoog op een kerktoren of ingebouwd in een groots beeldhouwwerk
of om praktische redenen. Tot daar.
Maar in de liturgie van de Goede Vrijdag
mogen wij het meest essentiële niet weglaten:
de belangeloze zelfgave van de Gekruisigde op het kruis.

Misschien kunnen wij ervoor zorgen
- in deze laatste week voorbereiding op Pasen -
dat het kruis mét de Gekruisigde
ook in ons huis weer een echte ereplaats krijgt.
Wanneer wij de Goede Week beginnen,
gaan wij, vandaag op Palmzondag,
de liefdevolle Gekruisigde Jezus dan ook eerbiedig versieren met een palmtak
en opkijken naar Gods teken
van zichzelf-gevende-Liefde tot het uiterste toe.



Marc Gallant, trappist (Orval)

Veel verantwoordelijken (2014)

“Jezus werd ter dood veroordeeld onder de regering van Tiberius door de gouverneur Pilatus”, schrijft de Romeinse historicus Tacitus (Annales 15,44,3). En de Joodse geschiedschrijver Flavius Josephus preciseert: “Jezus had talrijke Joden aangetrokken en nog vele andere van Griekse oorsprong. En wanneer Pilatus hem op last van een beschuldiging, gesteld door belangrijke mannen van onze godsdienst, veroordeelde tot de kruisdood, zijn zijn volgelingen hem trouw gebleven” (Antiquit. jud. 18,3,3). De passieverhalen, die meer details brengen, bevestigen de twee hoofdpunten: beschuldigd door de Joodse instantie, werd Jezus berecht door de Romeinse overheid. Iedere evangelist herneemt het verhaal, en trekt er voor zijn eigen gemeenschap de diepe zin van uit.

Matteüs, die schrijft voor christenen van Joodse origine, wijst erop hoezeer de passie van Jezus de Schriften vervult. Ook verwijst hij voortdurend naar citaten uit het Oude Testament die zijn lezers kennen.
Hij begint zijn verhaal met de verantwoordelijken aan te wijzen van het drama dat Jezus zal treffen: de hogepriesters die Judas, de verrader, betalen. Van meet af aan situeert Matteüs Jezus tegenover de Joodse godsdienst. Hoe kan zijn gemeenschap zich immers situeren tegenover het kruis, dat “voor Joden aanstootgevend” is (1 Korintiërs 1, 23) ?
In het verhaal van het Laatste Avondmaal spreekt hij niet over een “Nieuw” Verbond. Het Verbond van God met zijn volk voltooit zich in het vergoten bloed van Jezus. De Kerk is de voortzetting van het Godsvolk.
Matteüs onderlijnt dat Jezus bewust is van wat er Hem te wachten staat. Hij kent de zwakheid van zijn apostelen die Hem alleen en in de steek zullen laten in deze beproeving die Hij hen nochtans voorspeld heeft. De verloochening van Petrus is er het schreeuwende voorbeeld van. Jezus evenwel vertrouwt zich toe aan de Vader.

Matteüs belicht voortdurend de verantwoordelijkheid van de Joodse gezagdragers. Jezus wordt aangehouden op last van Kaïfas: zijn tempelwachters slepen hem naar zijn paleis. Die hogepriester was de sterke man van Jeruzalem. Hij bestuurde de Tempel in Jeruzalem, en hij was de vertegenwoordiger van het volk van Israël bij de hoogste macht van Rome. De historici menen dat Kaïfas Romeinsgezind was en de beste relaties onderhield met Pilatus. Jezus had hem voor het hoofd gestoten door zijn tussenkomst in de Tempel, het “huis van gebed” waar de verkopers een “rovershol” hadden gemaakt (Matteüs 21, 13). Dit profetisch gebaar betekende een bedreiging voor de handel in de Tempel die in handen was van de hogepriesterstand. Die profeet moest onschadelijk worden gemaakt. De beschuldiging die tegen Jezus gebracht werd voor het Sanhedrin, is dat Hij de tempel van God wil afbreken (Matteüs 26, 61). Maar Jezus bevestigt dat Hij profeet is, Messias, Zoon van God, de Mensenzoon die komen zal op de wolken des hemels” (Matteüs 26, 63-64). Die uitspraak betekent zijn onmiddellijke terdoodveroordeling. Deze rotprofeet wordt vervolgens bespot met een: ”Profeteer dan maar eens voor ons, Messias, wie is het die Je geslagen heeft?” (Matteüs 26, 68).

De priesterinstanties leveren Jezus over aan Pilatus, en beschuldigen hem ervan de “pax Romana” in gevaar te brengen. Daar was Pilatus verantwoordelijk voor. In de vier evangeliën stelt Pilatus aan Jezus de vraag: “Zijt gij de koning der Joden?” Dat is de primaire vraag voor de Romeinse gouverneur belast om elke rebellie tegen het romeinse gezag te voorkomen. Is Jezus een pretendent voor het koningschap van Judea? Lucas is nauwkeurig als hij de beschuldigingen tegen Jezus noteert: “Wij hebben vastgesteld dat deze man ons volk opruit; Hij zegt dat ze geen belasting moeten betalen aan de keizer en Hij geeft zichzelf uit voor de Messias, de koning“ (Lucas 23, 2). De vraag van Pilatus is dan ook normaal. Jezus’ antwoord: “Gij zegt het”, kan in de positieve zin verstaan worden: ”U zegt het en u heeft gelijk”. Het is in elk geval de beschuldiging die door Pilatus behouden wordt. Op het kruis “boven zijn hoofd bevestigden ze de aanklacht, die luidde: ‘Dit is Jezus, de koning van de Joden’“ (Matteüs 27, 37). De soldaten van de gouverneur spelen daarop in met een wreedaardig spelletje en bieden deze strokoning een bespottend huldetoneel aan vooraleer hem naar de terechtstellingsplaats te voeren (Matteüs 27,27-31).

De titel “koning der Joden” is niet om de Joden onverschillig te laten. Het Matteüsevangelie dat zich tot hen richt is daar een echo van. Matteüs vermeldt bij Jezus’ geboorte de komst te Jeruzalem van Wijzen uit het oosten, die hulde willen brengen aan de “nieuwgeboren koning des Joden” (Matteüs 2,2-3). Ze vinden hem te Betlehem, de stad van David. Jezus is van koninklijke bloede, “zoon van David”. Deze benaming komt tienmaal voor bij Matteüs. Maar op het beslissende ogenblik van zijn proces wordt de expliciete titel “koning der Joden” gebruikt om zijn veroordeling te bekomen. Jezus is de koning-Messias, verworpen door zijn volk.

Het is nog de priesterstand die het volk opjut om de bevrijding van Barabbas te vragen, wanneer Pilatus Jezus tracht te redden. Van haar kant komt de vrouw van Pilatus tussen als voorspreekster voor Jezus bij haar man. De Joden echter eisen zijn kruisiging. Een mise-en-scène besluit het debat: Pilatus wast zich de handen omdat hij de verantwoordelijkheid van Jezus’ dood niet op zich wil nemen, terwijl “heel het volk” roept: "Laat Zijn bloed maar komen over ons en over onze kinderen!” (Matteüs 27, 25). De schaduw van de verwoesting van Jeruzalem door de Romeinen in het jaar 70 en de bijgaande verdrukking van Israël zweeft over die woorden.
Hier nog eens laat Matteüs horen dat het uiteindelijk gaat om de relatie tussen Jezus en het Joodse volk. Terwijl de vrouw van de heiden ten beste spreekt voor ”de rechtvaardige”, schreeuwt de dochter van Sion luidkeels om de dood van haar Messias, haar “Christus” (Matteüs 27, 17.22). De verantwoordelijkheid die Pilatus weigert te nemen “heel het volk” neemt die op zich (27, 25). Deze stellingname van het volk van het Oude Verbond is een beslissende stap in de heilsgeschiedenis: om voortaan het Rijk Gods binnen te gaan zal iedere Israëliet zich moeten bekeren tot het Verbond dat nu gesloten wordt in het bloed van Jezus.

Gedurende het verhaal geeft Matteüs Jezus verschillende keren de voor de Joden uiterst choquante titel “Zoon van God” (27, 40.43.54). Jezus’ goddelijk zoonschap wordt aldus voorgesteld als het fundamentele gegeven waar al de rest van afhangt: het mysterie van de afbraak en de heropbouw van de Tempel, de triomf van de gekruisigde Messias en Gods tussenkomst in de verrijzenis. Op dezelfde wijze heeft Matteüs ruim de weerslag georchestreerd van de aanstootgevende dood van Jezus, en er de eschatologische draagwijdte van onderlijnd. Bij het scheuren van het gordijn van de tempel (27, 51) vermeldt hij, om beter het einde van het oude tijdperk te merken, een kosmische storing met aardbeving en rotsen die splijten (ibid). Terzelfder tijd noteert hij ook het nieuwe tijdperk dat begint met de opwekking van doden die hij vermeldt (27, 52). De geloofsbelijdenis van de honderdman, die samengaat met deze beroering, slaat over op zijn mannen, en krijgt zo een bredere betekenis: het is niet meer de reactie van een enkeling, maar het begin van een bekeringsbeweging bij de heidenen (Matteüs 27,54).

Om te eindigen, hernemen we nog eens de verklaring van Jezus bij zijn proces voor het Sanhedrin. “Van nu af”, zegt Jezus in de tekst van Matteüs, “zult ge de Mensenzoon zien zetelen aan de rechterhand van de Almachtige …” (26, 64). De betekenis van deze precisie wordt duidelijk bij het verhaal van Jezus’ dood. Matteüs toont aan dat Jezus’ woorden bewaarheid worden bij zijn dood, die het toppunt is van alle profetische voorzeggingen. “Vanaf dat moment” voltrekt zich de intronisatie van Jezus als Messias, zijn goddelijke afkomst openbaart er zich, en hij bekomt, zelfs voor de heidenen, toegang tot de gemeenschap met God in een nieuwe Tempel.
Zo onderlijnt Matteüs de nauwe banden tussen de Passie en de Verrijzenis: hij drukt overduidelijk de verheerlijking uit van “de man van smarten”: God keert de aanstoot van het kruis om in de verrijzenis van Jezus.



Jezus doet wat Hij zegt (2017)

Ook in het passieverhaal onderlijnt Matteüs naar gewoonte, voor zijn publiek van joden die zich tot het christendom hebben bekeerd, dat “dit alles is geschied om de Schriften te vervullen” (Matteüs 26, 56). Maar zijn verhaal kenmerkt zich ook door een christologisch perspectief waarin de naam van Jezus veelvuldig voorkomt, meestal om een perikoop te beginnen.
Het “ik” van Jezus staat ook in reliëf (26, 31.32.38.40). Jozef van Arimatea is niet meer, zoals bij Marcus, “hij die het Rijk Gods verwacht” (Marcus 15, 43), maar “de leerling van Jezus” (Mt 27, 57). Het Rijk Gods is immers in Jezus tegenwoordig gekomen. Jezus handelt, zoals men handelt in het Rijk Gods. Het is immers karakteristiek in Matteüs passieverhaal: Jezus doet er zelf hetgeen wat Hij, in de Bergrede aan zijn leerlingen vraagt te doen. Hij die zegt dat zijn leerlingen de wil van de Vader moeten volbrengen (7, 21) en bidden opdat zijn wil zou geschieden op aarde zoals in de hemel (6, 10), voegt zichzelf in zijn doodstrijd naar de wil van zijn Vader: ”dat uw wil geschiede” (26, 42). Hij die alle geweld verbiedt (5,38-42), handelt consequent wanneer een leerling het oor afslaat van een knecht van de hogepriester (26, 52). Hij die gelukkig verklaart wie vervolging lijden voor de rechtvaardigheid, zal door de vrouw van Pilatus rechtvaardig verklaard worden: “Terwijl hij daar op de rechterstoel zat, liet zijn vrouw hem zeggen: ”Vergrijp u niet aan deze rechtvaardige, want ik heb heden in een droom veel om hem geleden” (27, 19).

In Matteüs’ passieverhaal komt ook Jezus’ macht sterk aan het licht. Toch worden de horror en het schandaal van Jezus’ lijden er niet geëvacueerd. Maar vanuit het principe dat de passie de Schriften vervult, stelt Matteüs Jezus voor als hij die meester is over de toestand. Hij is er de meester van zijn lotsbestemming. Hij kent die op voorhand, en hij aanvaardt die vrijwillig. Van bij het begin, kondigt hij aan dat Hij zal worden overgeleverd (26, 2), “dat zijn tijd aangebroken is” (26, 18), dat Judas de verrader is (26, 25). In de Olijfhof is Hij niet meer ter aarde neergeslagen, maar in houding van aanbidding (26, 29). Hij beveelt de verrader zijn werk te doen (26, 39). En moest Hij het willen, de Vader zou hem twaalf legioenen engelen zenden (26, 50). Zo kondigt Hij ook de hogepriester aan dat Hij zijn Rijk begint met de kracht zelf van God (26, 54).

Bij Jezus’ dood vermenigvuldigen zich dan ook de wonderen: aardbeving, rotsen die splijten, lichamen van heiligen die verrijzen en verschijnen (27, 51-53). Die feiten verbazen ons. Zij moeten echter niet als dusdanig gerefereerd worden aan historische feiten, maar in de beeldende stijl, eigen aan de apocalyptische literatuur (vgl. Ezechiël 36, 12-13; Daniël 12, 2) die Gods tussenkomst uitdrukken. Deze geeft aan Jezus’ dood een kosmische en eschatologische dimensie. Het rijk van de dood is omvergeworpen, zodat de dood zelfs niet meer bij machte is de doden in hun graf te houden.
Jezus’ dood slaat de honderdman en zijn soldaten, zij, de vertegenwoordigers van het Romeinse keizerrijk, met hevige schrik, en zij zeggen: “Ja, waarachtig, hij was Gods Zoon!” (27, 54). We vinden dezelfde formule terug in de mond van de apostelen wanneer Jezus over het water tot hen komt (14, 33), en bij de belijdenis van Petrus (16, 16) of in de verklaring van Jezus voor het Sanhedrin (26, 63-64). Door te belijden dat Jezus de Zoon is van God, beginnen de Romeinse soldaten de christelijke prediking in het keizerrijk …

De dood van Jezus betekent de komst van het laatste tijdperk van het heil, beloofd in het Oude Testament. Wij zij voortaan in de laatste tijden, en Matteüs zal zijn evangelie kunnen besluiten met de overwinningsuitroep van Jezus: “alle macht is Mij gegeven” (28, 18). Het passieverhaal van Matteüs is de glorierijke passie van de Zoon van God. Voor Matteüs worden de gebeurtenissen verstaanbaar door het geloof in de Zoon van God. Hij bestemt zijn evangelie aan de gemeenschap van de gelovigen, zijn gemeenschap, die reeds weet dat Jezus de Zoon is van God, want in de loop van zijn evangelie wordt Jezus voorgesteld als hij die de bestemming van Israël vervult.

Aldus beëindigt Matteüs’ passieverhaal de geschiedenis van Israël. Door de Zoon verworpen te hebben, ziet Israël zich uitgesloten van het Rijk Gods, dat nu wordt gegeven aan een natie die het vrucht zal laten dragen (Matteüs 21, 43). Deze toegang van de heidenen tot het Koninkrijk wordt reeds geschetst in het passieverhaal, met de vrouw van Pilatus en de geloofsbelijdenis van de honderdman en de romeinse soldaten.

In het licht van de Verrijzenis hebben de evangelisten in Jezus’ dood zelf de acte gezien die de wereld omvormt en openstelt voor de inval van Gods glorie. Zij wachten niet op de Verrijzenis om te verklaren dat de nieuwe tijd is aangebroken. Het is bij de dood van Jezus dat zij er het begin van markeren. Matteüs drukt dit uit door de kosmische eschatologische fenomenen ervan te beschrijven.
Uit deze geloofsvisie vloeit de christelijke levensopvatting voort die we vinden in al de bladzijden van het Nieuwe Testament. Sterk door de hoop op het hemels geluk, vlucht de christen de soms pijnlijke realiteit van de tegenwoordige wereld niet. Hij verwacht ook niet passief een goddelijke tussenkomst die hem als bij toverslag zou verlossen van zijn huidige conditie. De christen legt er zich op toe, dag na dag, in de gewone en soms verbijsterende werkelijkheid van zijn leven, de verborgen maar decisieve tussenkomst van God te vervoegen.