Inhoudstabel
…page…
Eerste kennismaking
Waar?
Volgens de Bijbel lag Betel bij de oud- Kanaänitische stad Luz, aan de zuidgrens van het Noordrijk.
Maar waar Betel nu precies lag is onduidelijk.
Volgens de meeste geleerden lag Betel waar nu het dorp Beitin ligt, een plaats op de Westelijke Jordaanoever, op 5 kilometer ten noordoosten van Ramallah. Daarvoor wijzen ze op de overeenstemming met de locatie die in Bijbelteksten werd beschreven en op de overeenkomst tussen de moderne en oude naam, waarbij het Hebreeuwse ‘el’ vaak vervangen werd door het Arabische ‘in’.
Andere geleerden denken dat El-Bireh de plaats is van het vroegere Betel.
Over de naam
De naam Betel (Bet-el) betekent: huis van God
Betel is ook bekend onder de namen: Beitin, Baytin, Aven, Beitîn, Bethaun, Beth-aven, Bethuel, Bethel, Bethul, Che-sil, Elbethel, El-bethel, Luz.
Volgens de Bijbel heette Betel oorspronkelijk Luz.
Meer over Betel
Bronstijd
In Betel was een oud, oorspronkelijk Kanaänitisch heiligdom, dat volgens de Bijbel al bezocht werd door de aartsvader Jakob. Die plaats werd doorsneden door een stadsmuur uit de tweede helft van de bronstijd.
Tijdens de midden-bronstijd ontwikkelde Betel zich tot een versterkt stedelijk centrum.
In de late bronstijd werd Betel, eind 13e of begin 12e eeuw voor Christus, verwoest door een brand.
IJzertijd
Tijdens de vroege ijzertijd werd een nieuwe nederzetting gesticht, die continu bewoond werd. De exacte datum van de vernietiging van die nederzetting is onzeker.
Jerobeam, de eerste koning van het Noordrijk Israël (Tienstammenrijk), stichtte in Betel een belangrijk heiligdom voor een gouden kalf. Dat moest concurreren met de tempel in Jeruzalem.
Later
In de tijd van de Makkabeeën werd Betel / Beitin opnieuw bewoond en versterkt door Bacchides de Syriër. Flavius Josephus schrijft dat Betel later werd ingenomen door de Romeinse keizer Vespasianus.
In de vierde eeuw na Christus beschrijven Eusebius van Caesarea en Hiëronymus Betel als een klein dorp dat twaalf Romeinse mijlen ten noorden van Jeruzalem lag, ten oosten van de weg die naar Neapolis leidde.
Wetenswaardigheden
Oud heiligdom
De ruïnes van Beitin (een oude Israëlitische stad en een heiligdom) worden gewoonlijk geïdentificeerd met Betel.
Burj Beitin, de ‘Toren van Betel’
Ten zuidoosten van Beitin werd in de vierde eeuw na Christus, een grote Byzantijnse kerk gebouwd. Volgens Eusebius werd die gebouwd op de plaats waar Jakob sliep toen hij op weg was naar Mesopotamië. Hij gaf die plaats de naam Betel (= ‘huis van God’)
Tijdens de kruistochten bouwde men boven de kerk een grote toren (Arabisch = ‘burj’),
Betel in de Bijbel
Oude Testament
Genesis 12 en 13
In de Bijbel wordt voor het eerst naar Betel verwezen als dichtbij de plaats waar Abram zijn tent opslaat.
Dat de Bijbel Abraham rechtstreeks in verband brengt met Betel, een heilige plaats voor de Kanaänieten, was volgens sommige geleerden een poging van de Israëlieten om de stad voor zich te winnen.
Genesis 28
Toen Jakob op de vlucht was voor zijn tweelingbroer Esau, zag hij op die plek in een droom een ladder naar de hemel (de Jakobsladder). Engelen gingen de ladder op en af en bovenaan stond God, die Jakob en zijn nageslacht het land Kanaän beloofde. Jakob richtte daar een steen op en gaf die plaats de naam Bet-El.
Lees meer
Boek Jozua
Volgens dit boek lag Betel naast Luz, vlakbij Jericho en behoorde de plaats tot het grondgebied van de nakomelingen van Jozef (Manasse en Efraïm).
Elders in het boek staat dat de oorspronkelijke naam van de plaats Luz was, een Kanaänitische naam.
De stad werd veroverd in de tijd van Jozua.
Boek Rechters
Rechters 4,1-10.12-16: Samen sterk
Betel blijkt een belangrijk religieus centrum te zijn. Zo belangrijk dat men er de Ark van het Verbond liet bewaren onder de hoede van Pinehas, de kleinzoon van Aäron. (Rechters 20, 18)
Merk op: in 1 Samuël 4, 3 staat dat de ark in Silo werd bewaard.
Boek Samuël
1 Samuël 7, 16
De profeet Samuël, die in Rama woonde, maakte jaarlijks een rondreis door Betel, Gilgal en Mizpa om Israël te oordelen.
1 Koningen
Na de dood van koning Salomo (rond 931 voor Christus) werd het koninkrijk Israël in twee rijken gesplitst. Jerobeam, de eerste koning van het noordelijke koninkrijk Israël, liet (1 Koningen 12, 28) in Betel en de andere in Dan, in het uiterste noorden van zijn koninkrijk twee gouden kalveren plaatsen. Hij wilde niet dat het volk Israël nog naar de tempel van Jeruzalem moest gaan. Deze actie lokte de vijandigheid uit van de Judeeërs.
In Dan en Betel liet hij in de koninklijke tempels beelden van El-Jaweh plaatsen. Dit waren stierenbeelden, een traditionele godsvoorstelling in Kanaän en het Midden-Oosten.
De eredienst voor Jahwe was er vermengd met afgodendienst (gouden stierenbeeld) waarbij zelfs 'heilige' prostitutie te pas kwam. Oorspronkelijk was het stierenbeeld bedoeld als voetstuk voor de (onzichtbare) Jahwe, maar redelijk snel zag men er een beeld in van de Kanaänitische god Baäl.
1 Koningen 12, 26-32; 13,33-34: Lees meer
Na de overwinning van Assyrië over het Noordrijk, liet Josia, koning van Juda, die stierbeelden vernietigen om zo te komen tot een eenheidsgodsdienst.
2 Koningen 2, 1 e.v.
De profeten Elia en Elisa bezochten Betel op een reis van Gilgal naar Jericho, kort voor Elia in de hemel werd opgenomen. Later, toen Elisa alleen naar Betel terugkeerde, werd hij beschimpt door enkele jonge mannen terwijl hij naar het heiligdom klom en hen vervloekte. Daarop werden 42 jonge mannen verscheurd door beren (2 Koningen 2, 23 e.v.).
Betel wordt ook genoemd in verband met Jehu, de tiende koning van Israël (ca. 842–815 v.Chr.). Niettegenstaande de profeten van Baäl gedood werden en hun tempel verwoest was, bleef Jehu de aanwezigheid van de gouden kalveren in Betel en Dan tolereren (2 Koningen 10, 29).
Het heiligdom van Betel werd uiteindelijk volledig verwoest door koning Josia van Juda (rond 640-609 voor Christus).
Profeten Amos, Hosea, Jeremia
De profeet Amos keurde het heiligdom in Betel af (ca. 750):
"Zoek Betel niet, ga niet naar Gilgal, reis niet naar Berseba. Want Gilgal zal zeker in ballingschap gaan, en Betel zal tot niets worden gereduceerd."
Amos 5, 5
Amasja, een priester uit Betel, verdreef Amos uit het heiligdom: ‘Profeteer niet meer in Betel, want dit is het heiligdom van de koning en de tempel van het koninkrijk.'
— Amos, 7,13__
Een paar jaar later sprak de profeet Hosea (8e eeuw voor Christus) over de ‘goddeloosheid’ van Betel (Hosea 10:15)
Amos 7, 12-15: lees meer
Jeremia 48, 13
Jeremia (6e eeuw voor Christus) heeft het over de ‘schaamte’ die Betel over Israël bracht.
Hosea 13, 1-3
De profeet schreef dat de Israëlieten Adonai in de steek lieten om Baäl te aanbidden. Hij beschuldigde hen ervan beelden te maken of te gebruiken voor 'afgodenaanbidding'. De belangrijkste hiervan was het beeld van de stier in Betel, dat in zijn tijd werd aanbeden als een beeld van Baäl.
Hosea 8, 4-7.11-13: Lees meer
Boeken van Ezra en Nehemia
Beide boeken vermelden dat Betel opnieuw bewoond werd na de terugkeer van de ballingen uit Babylon.