Jeremia 2, 1-3.7-8.12-13: Ontrouw aan God
De tekst
’Bijbel in gewone taal’
(Deze Bijbeltekst komt uit de Bijbel in Gewone Taal, © Nederlands Bijbelgenootschap 2014, p. 1226)
Toen zei de Heer tegen Jeremia dat hij naar Jeruzalem moest gaan. Hier volgen de woorden die Jeremia moest zeggen tegen de inwoners van Jeruzalem.
Luister, volk van Israël. Dit zegt de Heer tegen jullie: ‘Vroeger waren jullie mij trouw. Toen hielden jullie van mij, zoals een bruid houdt van haar man. Jullie gingen met mij mee door de woestijn, dat land waar niets wil groeien. Dat ben ik niet vergeten.
Volk van Israël, jullie zijn van mij, jullie zijn mijn liefste bezit. Iedereen die jullie kwaad doet, is schuldig en wordt zwaar gestraft.’ (…)
Volk van Israël, ik heb jullie naar een land vol fruitbomen gebracht. Iedereen kon eten van alle heerlijke vruchten. Maar jullie hebben er een slecht land van gemaakt! Door jullie slechte daden heb ik een hekel aan mijn eigen land gekregen.
Jullie priesters vroegen mij niet om hulp. Jullie wetsleraren kenden mij niet. Jullie koningen kwamen tegen mij in opstand. Jullie profeten vereerden machteloze goden, en ze spraken namens de god Baäl.’ (…)
De Heer zegt: ‘Laat de hemel stil zijn van schrik, en beven van angst. Want mijn volk heeft twee grote fouten gemaakt. Ten eerste hebben ze mij aan de kant gezet. En ten tweede zijn ze machteloze goden gaan vereren. Mijn volk lijkt op iemand die zegt: ‘Ik wil geen fris water uit een bron. Ik drink liever vies water uit een kapotte waterbak.’’
Dichter bij de tijd
(Bewerking: C. Leterme)
God sprak tot mij met de woorden:
‘Ga, roep Jeruzalem toe: Dit zegt God:
Ik denk terug aan de vriendschap toen je jong was,
hoe je van me hield als mijn bruid.
Hoe je Me volgde door de woestijn,
het land waar nooit gezaaid wordt.
Israël was het heilig bezit van God,
de eerste vrucht van zijn opbrengst.
Al wie ervan durfden eten moest het beboeten:
Ze werden door onheil getroffen – zo spreekt God -. (…)
Ik bracht je in het land van de wijngaard,
en liet je genieten van zijn heerlijke vruchten.
Maar na je komst onteerde je mijn land
En maakte je mijn erfgoed tot een gruwel.
De priesters vroegen nooit: ‘Waar is God?'
De kenners van de weg erkenden Me niet;
de herders werden Me ontrouw;
de profeten werden profeten van Baäl:
ze liepen goden achterna, die niet baten. (…)
Hemel, huiver hiervan.
Bewoners van de aarde, verstar en beef - zo spreekt God - ,
want mijn volk heeft dubbel misdreven:
Mij hebben ze verlaten, de bron van levend water,
om reservoirs uit te houwen, die vol barsten zijn en lekken.
Stilstaan bij ...
Eerste vrucht
De eerste vrucht van de opbrengst behoorde toe aan God.
Onteren
Dit onteren gebeurde door o.a. het vereren van andere goden.
Kenners van de weg
Schriftgeleerden of mensen die vertrouwd waren met de wetteksten in de Bijbel.
Herders
Hiermee worden vorsten en koningen bedoeld die het volk leidden zoals herders dat doen.
Dubbel
Israël beging twee zonden:
. God verlaten, de bron van levend water
. Uithouwen van reservoirs, die geen water kunnen houden omdat ze vol barsten zijn.
Twee uitingen van de breuk van het verbond tussen God en zijn volk, wat ervaren werd als de wortel van alle kwaad.
Bij de tekst
Historische situering
Jeremia 2 situeert zich in de tijd vóór de Babylonische crisis (7e eeuw voor Christus), wanneer Juda religieus en politiek wankelt.
Inhoud
God is als een gekwetste geliefde die het begin van de relatie oproept: de uittocht, de woestijnperiode, het verbond en laat zien hoe ver Israël daarvan is afgedwaald.
God bracht Israël naar een vruchtbaar land, maar hun priesters erkenden Hem niet, hun vorsten volgden vreemde goden, profeten werden profeten van Baäl.