LANDBOUWERS

Landbouwer

Wie?

Een landbouwer teelt gewassen en/of is veehouder. Hij gebruikt / ‘bebouwt’ het land om producten te bekomen die nodig zijn om mensen te voeden. In de tijd van de Bijbel was dit op de eerste plaats voedsel dat bestemd was voor hemzelf en zijn gezin, op de tweede plaats voor de gemeenschap en de eventuele landeigenaar.
Een aantal mensen werkten als landbouwers in dienst van rijkere landeigenaren.

Het beroep werd meestal binnen de familie doorgegeven van generatie op generatie: kinderen groeiden op met de kennis en de vaardigheden van hun ouders waardoor ze later hun boerderij konden overnemen.



Taken in de akkerbouw

PloegenVooraleer te zaaien werd de grond omgeploegd met een houten ploeg die getrokken werd door runderen of ezels.
ZaaienDaarna werd zaad gestrooid over de voorbereide grond.
OogstenGraanhalmen werden met een sikkel afgesneden en in schoven gebonden.
DorsenDaarna werden de graanhalmen gespreid op een dorsvloer om het graan van de aren te kunnen scheiden (= dorsen). Dit gebeurde door er met dorsvlegels op te slaan of er dieren op te laten lopen al dan niet met een dorsslede.
WannenDan werd het graan gewand om het kaf van de korrels te scheiden. Dit deed men door het graan met een riek of een wan de lucht in te gooien zodat de wind het kaf kon wegblazen.
BewarenNa de oogst sloeg men het graan op in schuren zodat het niet zou bederven of gestolen worden.




Feesten op het ritme van de landbouwkalender

Het werk van een landbouwer werd bepaald door het ritme van de seizoenen. Die bepaalden ook de verschillende grote feesten die men kende:

Pesach Pasen Feest van de gerstoogst
Sjavoeot Wekenfeest/Pinksteren/ Zeven weken na Pesach (Pinksteren)Feest van de tarweoogst
Soekot (Loofhuttenfeest)Feest van de druivenoogst




Zorg voor mens en natuur

In de Bijbel staat dat de landbouwers een deel van de oogst moesten laten liggen, zodat armen en vreemdelingen die konden oprapen.
“Als gij uw oogst van het land haalt, moogt gij uw akker niet tot de rand afmaaien en wat is blijven liggen niet bijeenrapen. Gij moogt in uw wijngaard geen nalezing houden en de afgevallen druiven niet bijeenrapen. Dat alles is bestemd voor de arme en de vreemdeling.” (Leviticus 19, 9-10).


Ook voor de natuur moest gezorgd worden. Om uitputting van de gronden tegen te gaan, mocht men elke zeven jaar gedurende een jaar (= sabbatjaar) de grond niet bewerken.



Spreken met beelden

Jesaja gebruikt de taal van de landbouwers om de relatie tussen God en mens te verwoorden:
“Zie, Ik maak een dorsslee van u, scherp, nieuw, met dubbele snede; bergen zult gij dorsen en verpulveren, heuvels behandelen als kaf. Een wind waait ze weg als gij ze want, en een storm blaast ze uiteen; maar gij zult juichen om Jahwe, vol trots zingen, Israëls Heilige ter eer.” (Jesaja 41, 15-16)

Jezus gebruikte in zijn gelijkenissen bekende gegevens uit de landbouw om een en ander duidelijk te maken. In de parabel van de zaaier vertelde Hij over de werking van het woord van God in het leven van de mens met woorden die elke landbouwer toen goed kende.

“De wan heeft Hij in zijn hand en Hij zal zijn dorsvloer grondig zuiveren. Zijn tarwe zal Hij in de schuur verzamelen, maar het kaf verbranden in onblusbaar vuur.” (Matteüs 3, 12)

Zo sprak Paulus over de groei van de christelijke gemeente, zoals landbouwers over hun werk spreken: "‘Ik heb geplant, Apollos heeft begoten, maar God gaf de bloei.’" (1 Korintiërs 3, 6).





Landbouwers in de Bijbel

Oude Testament

Taken in de landbouw

1 Koningen 19, 19
”Elia vertrok vandaar en trof Elisa, de zoon van Safat, terwijl die aan het ploegen was. Twaalf koppels ossen gingen voor hem uit; hijzelf bevond zich bij het twaalfde.”


Jeasja 28, 24-28
“Blijft de boer de hele tijd ploegen, de akker scheuren en voren trekken? Egt hij ook zijn land niet en strooit hij dan geen komijn - of karwijzaad? Zaait hij geen tarwe, gierst en gerst op hun plaats, en spelt op de rand van de akker? Deze vaardigheid heeft hij geleerd van zijn God die hem daarin onderwees. Karwijzaad wordt niet gedorst met de slede, men rolt geen dorsrad over komijn, karwijzaad wordt met een stok uitgeslagen en komijn met een vlegel. Wordt broodkoren geplet? Neen, het rad van de dorswagen en de paarden brengt men in machten: maar het koren plet men niet.”



Zorg voor de armen

Deuteronomium 24, 19-21
“Wanneer ge bij het binnenhalen van de oogst een schoof op uw akker vergeet, moogt ge niet teruggaan om die te halen. Ge moet die overlaten aan vreemdelingen, weduwen en wezen. Dan zal Jahwe uw God u zegenen bij al uw werk. Wanneer ge de olijven hebt afgeslagen, moogt ge de takken niet opnieuw gaan afzoeken. Dat is het deel van vreemdelingen, weduwen en wezen. Wanneer ge de oogst van uw wijngaard inzamelt, moogt ge geen nalezing houden. Dat is het deel van vreemdelingen, weduwen en wezen.”





Nieuwe Testament

Taken in de landbouw

Matteüs 13, 3-8
“Hij sprak tot hen over vele dingen in gelijkenissen. “Eens", zo begon Hij, "ging een zaaier uit om te zaaien. Bij het zaaien viel een gedeelte op de weg en de vogels kwamen het opeten. Een ander gedeelte viel op de rotsachtige plekken, waar het niet veel aarde had; het schoot snel op omdat het in ondiepe grond lag. Toen de zon was opgekomen, kreeg het te lijden van de hitte, zodat het verdorde bij gebrek aan wortel. Weer een ander gedeelte viel onder de distels en deze schoten op, zodat het verstikte. Een ander gedeelte tenslotte viel op goede grond en leverde vrucht op: deels honderd-, deels zestig-, deels dertigvoudig."
Lees meer


Matteüs 6, 26
“Let eens op de vogels in de lucht: ze zaaien niet en maaien niet en verzamelen niet in schuren, maar uw hemelse Vader voedt ze.”
Lees meer