1 Koningen 3, 16-28: Twee vrouwen bij koning Salomo
De tekst
’Bijbel in gewone taal’
(Deze Bijbeltekst komt uit de Bijbel in Gewone Taal, © Nederlands Bijbelgenootschap 2014, p. 497-498)
Op een dag kwamen er twee vrouwen bij koning Salomo. Het waren hoeren. Ze gingen voor de koning staan.
De ene vrouw zei: ‘Koning, luister alstublieft. Deze vrouw en ik wonen in één huis. Ik heb pas een kind gekregen, een jongetje. Zij was erbij. Twee dagen later kreeg zij ook een kind, ook een jongetje. We waren alleen in huis, er waren verder geen andere mensen. Maar ’s nachts is zij in haar slaap boven op haar kind gaan liggen. Daardoor is haar kind gestorven.
Toen is zij midden in de nacht opgestaan en naar mij toe gegaan. Ik lag te slapen. Ze heeft toen mijn kind weggehaald en het bij haar in bed gelegd. Het dode kind legde ze bij mij neer.
Toen ik ’s ochtends wakker werd en mijn kind de borst wilde geven, zag ik dat het dood was. Maar toen ik nog eens goed keek, zag ik dat het niet mijn eigen kind was.’
‘Dat is niet waar!’ riep de andere vrouw. ‘Het levende kind is van mij. Het dode kind is van jou!’ De eerste vrouw zei: ‘Nee, het dode kind is jouw zoon. Het levende kind is van mij!’
Zo maakten ze ruzie bij de koning.
Koning Salomo zei: ‘Jullie zeggen dus allebei dat het levende kind van jezelf is, en het dode kind van de ander.’ Toen zei hij: ‘Haal een zwaard.’ Zijn dienaren brachten een zwaard. De koning zei: ‘Hak het levende jongetje in twee stukken. Geef de ene helft aan de ene vrouw, en geef de andere helft aan de andere vrouw.’
De moeder van het levende kind schrok vreselijk en riep: ‘Alstublieft koning, maak het kind niet dood! Geef het dan maar aan haar!’ Maar de andere vrouw zei: ‘Ja, hak het kind maar in twee stukken. Dan krijgen we het geen van beiden.’
Toen zei de koning: ‘Maak het kind niet dood, maar geef het aan de vrouw die het kind wil laten leven. Want zij is de echte moeder.’
Alle Israëlieten hoorden wat koning Salomo besloten had. Ze kregen veel respect voor hem. En ze begrepen dat God hem de wijsheid gegeven had om goede beslissingen te nemen.
Dichter bij de tijd
(Bewerking: C. Leterme)
Op een dag gingen twee prostituees naar koning Salomo.
De ene zei: ‘Mijn heer, deze vrouw en ik wonen in hetzelfde huis.
Daar kreeg ik een kind. Zij was erbij toen het gebeurde.
Drie dagen later, kreeg zij ook een kind.
Behalve wij twee was er niemand anders in huis.
’s Nachts ging haar kind dood, want zij was erop gaan liggen.
Terwijl ik sliep, stond ze op, nam mijn kind bij me weg
en legde het in haar bed. Haar dode kind legde ze bij mij.
’s Morgens wilde ik mijn kind voeden. Maar het was dood.
Toen ik het beter bekeek, zag ik dat het niet mijn kind was.’
De andere vrouw zei: ‘Dat is niet waar!
Het levende kind is van mij en het dode kind is van jou.’
Maar de eerste vrouw hield vol:
‘Nee, het dode kind is van jou en het levende kind is van mij.’
Zo bleven ze ruzie maken voor de troon van koning Salomo.
Dan zei de koning: ‘De ene zegt: “Het levende kind is van mij
en het dode kind is van jou,”
en de andere zegt: “Nee, het dode kind is van jou
en het levende kind is van mij.”
Weet je... Breng me een zwaard.’
Toen de koning een zwaard in zijn handen had
zei hij: ‘Hak het levende kind in twee:
geef de ene helft aan de ene vrouw
en de andere helft aan de andere vrouw.’
Toen de vrouw van het levende kind dat hoorde,
kromp haar hart ineen.
Ze zei: ‘Mijn heer, geef het levende kindje maar aan haar
en doe het niet dood.’
De andere zei: ‘Als ik het niet krijg, dan jij ook niet.
Hak het maar in twee.’
Dan zei de koning: ‘Geef het levende kind aan de eerste vrouw
en doe het niet dood: zij is de moeder.’
Toen de Israëlieten hoorden wat de koning gezegd had,
waren ze vol bewondering voor hem, want ze begrepen
dat God hem die wijsheid had gegeven om een juiste rechter te zijn.
Stilstaan bij …
Prostituee
Het zou letterlijk over prostituees, maar het ook kunnen slaan op vrouwen zonder mannelijke bescherming, vrouwen die sociaal kwetsbaar waren en aan de rand van de maatschappij leefden.
Naar de koning gaan
In het oude Nabije Oosten sprak de koning publiek recht: iedereen kon bij hem komen.
Haar hart kromp ineen
In het Hebreeuws staat er letterlijk: haar moederschoot werd in beroering gebracht.
Israëlieten
Dit waren nakomelingen van Jakob/Israël (‘strijder met God’), die oorspronkelijk de twaalf stammen vormden die in Kanaän leefden. Later verenigden ze zich onder een koning. Na de splitsing van het koninkrijk in het Noordrijk Israël en het Zuidrijk Juda werd het woord ‘Israëlieten’ alleen nog gebruikt voor de bewoners van het Noordrijk.
Wijsheid
Die wijsheid is meer dan slimheid. Het gaat om praktische levenswijsheid, moreel inzicht, vaardigheid om recht te doen die goddelijk geïnspireerd is.
Bij de tekst
Structuur
Inleiding (vv. 16 18)
Twee vrouwen die in hetzelfde huis wonen, komen bij de koning. Ze bevielen kort na elkaar.
Probleem van de vrouwen (vv. 19 22)
Vrouw A: “Mijn zoon leeft, jouw zoon is dood.”
Vrouw B: “Nee, jouw zoon is dood, mijn zoon leeft.”
De koning besluit (vv. 23 25)
De koning geeft een bevel dat schokt, maar psychologisch goed gevonden blijkt: het bevel om het kind te delen blijkt een test te zijn die de verborgen waarheid naar boven kan halen.
Reactie van de vrouwen (v. 26)
De echte moeder wordt innerlijk bewogen.
De andere vrouw is onbewogen.
Afsluiting (vv. 27 28)
De koning geeft het kind aan de vrouw die het kind in leven wilde laten, ook al zou het haar niet toegewezen worden. Want: liefde onthult waarheid.
Wanneer het volk hiervan hoort, erkent het de wijsheid van Salomo en zijn vermogen om recht te spreken.
‘Rechtssprookjes’
Dit verhaal behoort tot een brede literaire traditie waarin wijze rechters door een slimme zet de waarheid onthullen. Enkele voorbeelden:
De wijze rechter
(Sumerië - ca. 2000–1800 voor Christus)
In een Sumerische stad kwamen twee broers voor een rechter.
Ze betwistten een stuk land dat hun vader had nagelaten.
Beide broers hadden overtuigende argumenten.
De rechter merkte dat ze allebei gedeeltelijk de waarheid spraken,
maar dat één van hen bewust belangrijke informatie achterhield.
Toen vroegt de rechter aan de twee broers
om een kluit aarde van het betwiste land op een schaal te leggen.
De ene broer deed dit zonder aarzelen.
De andere broer weigerde en zei:
‘Ik wil mijn handen niet vuil maken met aarde die niet van mij is.’
Daarop besloot de rechter:
‘De broer die de aarde niet durfde aanraken, is de echte eigenaar
omdat hij vreesde het land te ontwijden.
De andere broer is de bedrieger.’
De stad hele stad prees de rechter om zijn inzicht.
Het verhaal van de wijze rechter uit Mari
(Mesopotamië - 18e eeuw voor Christus)
In de stad Mari kwamen twee mannen bij de koning.
Ze beweerden allebei eigenaar te zijn van een kostbaar voorwerp
De koning beluisterde hun verhaal.
Maar omdat de waarheid niet uit hun woorden bleek,
besloot hij hen te testen.
Hij liet het voorwerp op een tafel leggen
en zei dat hij het zou vernietigen,
zodat geen van beiden het zal krijgen.
De ene man protesteerde hevig
en smeekte dat het voorwerp gespaard zou blijven.
Het mocht zelfs aan de ander gegeven worden.
De andere man bleef onbewogen en zei:
‘Wat de koning beslist heeft moet uitgevoerd worden.
Toen besloot de koning:
‘De man die het voorwerp wilde sparen, is de echte eigenaar.
Hij die zei dat ik het voorwerp moest vernietigen, is de bedrieger.
En hij gaf het voorwerp aan de eerste man
en strafte de tweede voor zijn vals getuigenis.
Het oordeel van de God Shamash
(Babylonië - 1800–1600 voor Christus)
Twee mensen kwamen bij de god Shamash,
de god van recht en gerechtigheid.
Ze beschuldigden elkaar van diefstal.
Omdat er geen getuigen waren, besloot men tot een godsoordeel,
een proef waarbij de god zelf de waarheid laat kennen.
De beschuldigde moest een heilige rivier betreden.
Want men was ervan overtuigd dat de rivier,
als instrument van Shamash,
de schuldige zou grijpen en de onschuldige zou laten gaan.
De verdachte ging het water in en kwam ongedeerd eruit.
De aanklager, die vals getuigde,
ging daarna ook in de rivier, maar verdronk.
Besluit
Het verhaal over het Salomonsoordeel dat in de 10e-7e eeuw voor Christus (afhankelijk van redactie) werd geschreven past in een oud-oosterse traditie van rechtssprookjes. Het herwerkt creatief een bekend motief dat erin voorkomt.
Typisch voor de Bijbel is wel dat de wijsheid van God komt
Echt gebeurd?
De strakke structuur van dit verhaal is al een eerste aanduiding dat die een tekst is die literair bewerkt is en zo verder af komt te staan van een historisch verslag van feiten.
Ook de gelijkenis met rechtssprookjes uit de oudheid doen eraan twijfelen dat het Salomonsoordeel letterlijk gebeurde zoals het in de Bijbel staat. Het is wellicht vooral een verhaal dat het wijsheid van Salomo wil laten kennen, in een tijd waarin men recht moest spreken in een zaak zonder getuigen.
Dit neemt niet weg dat er historisch correcte informatie in dit verhaal te vinden is:
. de koning sprak publiek recht
. en was voor iedereen toegankelijk (ook voor prostituees, die maatschappelijk weinig waardering kenden)
. Rechters grepen vaak naar ‘testen’ als er geen getuigen waren.
Bijbel en kunst
Peter Paul RUBENS
Salomonsoordeel (1617)
Suggestie
Jongeren
ONDERZOEKEN
Rechtspraakverhalen
De wijze vrederechter
Twee dorpsbewoners hadden al een tijd ruzie met elkaar.
De een had een groot geldbedrag geleend aan de ander.
Maar telkens de geldschieter zijn geld terug wilde
Vond de ander een reden om zijn schuld niet terug te betalen.
Toen de schuldeiser op een dag weer zijn geld kwam opeisen,
beloofde de man dat hij het bedrag over twee manen zou terugbetalen.
Maar na twee volle manen zei de man zei:
‘Ik zie maar een maan, dus moet ik nog niet aan jou terugbetalen.’
De geldschieter zei: ‘Je beloofde me na twee manen terug te betalen.’
Maar de man zei: ‘Ik zie maar één maan.’
Toen besloot de geldschieter naar de rechter van het dorp te gaan.
Die luisterde aandachtig naar de verklaringen van de twee mannen.
Toen de zon was ondergegaan nam hij ze mee naar de rivier.
er waren geen wolken en de volle maan scheen vredig in het water.
‘Kijk goed,’ zei de rechter ‘Vertel me wat daar in de rivier schijnt.’
De man die het geld geleend had zei: ‘Dat is de maan, meneer.’
‘Dat is juist,’ zei hij, ‘en wat hangt daar hoog in de hemel?
‘Dat is ook een maan’ zei de man. Toen zei de rechter:
‘Dan zijn er toch twee manen? De tijd om uw schuld te betalen,
want zelfs ik ben er getuige van dat hier twee manen schijnen.”
(naar een oud Balinees / Indonesisch verhaal)
Natan en David
Toen Batseba, de vrouw van Uria zwanger werd van David,
liet David hem in de strijd plaatsen waar het hevigst gevochten werd,
Toen de vrouw van Uria hoorde dat haar man dood was, rouwde ze.
Na de rouw nam David haar op in zijn huis.
Zij werd zijn vrouw en schonk hem een zoon.
God zond de profeet Natan naar David. Hij vertelde:
‘Twee mannen, een rijke en een arme, woonden in dezelfde stad.
De rijke bezat heel veel schapen en runderen,
de arme maar een enkel lammetje, dat hij gekocht had.
Het groeide bij hem op tussen zijn kinderen.
Op een dag kreeg de rijke man bezoek.
Omdat hij geen schaap of rund uit zijn eigen kudde wilde nemen
om dat klaar te maken voor de reiziger die bij hem was gekomen,
pakte hij het lam van de arme
en maakte dat klaar voor zijn gast.'
David was diep verontwaardigd over die man en zei tot Natan:
‘Zowaar God leeft: de man die dat deed, verdient de dood
en het lam moet hij vierdubbel vergoeden,
omdat hij er niet voor terugschrok zo iets ergs te doen.'
Toen zei Natan tegen David: 'Die man, dat ben jij!’
(naar 2 Samuel 11, 1-12, 25)
Daniël en Suzanna
Joakim was getrouwd met Susanna. Hij was zeer rijk. Bij zijn huis had hij een park. Omdat hij de belangrijkste onder de Joden was, kwamen ze bij hem samen. Als ze tegen de middag vertrokken, ging Susanna wandelen in het park. Twee oudsten keken elke dag naar haar en werden verliefd op haar.
Op een dag ging Susanna, vergezeld van twee dienstmeisjes, in het park. Ze wilde er een bad nemen omdat het warm was. Behalve de twee oudsten, die zich verborgen en haar begluurden, was er niemand.
Susanna zei tegen de meisjes: 'Ga olie en zalf halen en sluit de poort van het park.'
Zodra ze vertrokken waren, kwamen de twee oudsten tevoorschijn. Ze zeiden: 'Susanna, de poort van het park is gesloten. Niemand ziet ons. Doe daarom wat we willen en heb gemeenschap met ons, anders zeggen we dat er een jongeman bij je was en je daarom de meisjes wegstuurde.'
Susanna zuchtte en zei: 'Ik word van alle kanten bedreigd: doe ik dat, dan wacht me de dood, doe ik dat niet, dan kan ik niet aan je ontsnappen. Maar ik val liever onschuldig in je handen dan te zondigen tegen God.' Toen begon ze luid te roepen, maar de twee oudsten schreeuwden tegen haar in.
De mensen in huis hoorden het geschreeuw en kwamen toegesneld.
Toen de oudsten hun verhaal deden, waren de bedienden erg verbaasd. Dit hadden ze nog nooit over Susanna gehoord. De volgende dag wilden de oudsten Susanna laten doden.
Ze zeiden: 'Toen we in het park waren, kwam ze aan met twee dienstmeisjes. Ze sloot de poort en stuurde hen weg. Daarna kwam een jongeman bij haar en had gemeenschap met haar. We kregen hem niet te pakken, want hij was sterk, opende de poort en liep weg.
De vergadering geloofde de oudsten en veroordeelde Susanna ter dood. Toen riep ze: 'Eeuwige God, U weet dat ze een vals getuigenis tegen me aflegden. Ik deed niet wat ze me ten laste leggen. Toch moet ik sterven.' Toen liet God Daniël luid roepen: 'Ik ben onschuldig aan haar bloed!'
Het volk vroeg Daniël: 'Wat bedoel je daarmee?' Hij zei: 'Je veroordeelt haar zonder onderzoek en kennis van zaken.’ Het volk ging snel terug naar de rechtszaal. Daar zei Daniël: 'Zet de twee oudsten apart, dan zal ik ze verhoren.'
Ze werden van elkaar gescheiden. Daniël riep een van de twee bij zich en zei: ‘Toen je Susanna op heterdaad betrapte, onder welke boom zag je ze samen?' Hij antwoordde: 'Onder een mastiekboom.' Dan liet Daniël de ander komen. Hij vroeg: ‘Onder welke boom zag je ze samen?' Hij zei: 'Onder een steeneik.'
Toen barstte heel de vergadering los in luid gejuich en men loofde God, die redt wie op Hem vertrouwt. Omdat Daniël met hun eigen woorden bewees dat de oudsten vals getuigden, kregen ze de straf volgens de wet van Mozes: ze werden ter dood gebracht.
(Naar Daniël 13)
