EEN VERHAAL OVER ...
... ADVENT
De vier kaarsen
(C. LETERME, Een parel voor elke dag, uitgeverij Averbode, 2007, p. 355)
Er brandden eens vier kaarsen.
De eerste zei: 'Ik ben de vrede.
Als je om je heen kijkt,
kun je het me niet kwalijk nemen
dat ik uitdoof.'
Haar vlammetje werd kleiner
tot de kaars niet meer brandde.
De tweede kaars zei: 'Ik ben het vertrouwen.
Meestal kan men me missen.
Het heeft dus geen zin
dat ik nog verder blijf branden.'
Toen ze stopte met praten,
blies een zachte wind haar uit.
Toen zei de derde kaars: 'Ik ben de liefde.
De mensen zien niet meer naar me om.
Ze vergeten zelfs
om van hun medemens te houden.'
Ze wachtte niet langer en doofde uit.
Een kind zag de drie gedoofde kaarsen.
'Waarom branden jullie niet meer?'
vroeg het
en het begon te huilen.
Toen zei de vierde kaars:
'Je hoeft niet te wenen.
Ik brand nog.
Ik kan alle kaarsen terug aansteken.
Ik ben de hoop.'
Het branden van kaarsen op de adventskrans gaat terug
op een oud gebruik dat te maken heeft met de verering van de zon.
De ronde vorm van de krans doet aan de vorm van de zon denken.
Het groen van de krans herinnert eraan dat de natuur niet dood is,
hoewel veel bomen tegen eind november al hun bladeren verloren.
De dagen worden dan korter: de zon laat zich nog weinig zien.
Maar rond 21 december (vroeger: rond 25 december) keert alles.
Dan is er de zonnewende en begint de zon terug meer te schijnen.
Tegen de tijd dat de vier kaarsen branden op de krans
neemt de zon zelf dit groeiende licht over.
Christenen zien in dit gebeuren een beeld voor wat zij geloven.
De donkere tijd voor Kerstmis roept tijden op van
uitbuiting, verdrukking, verbanning naar een ander land.
Tijden waarin de profeten de mensen moed en kracht inspraken
door luidop te dromen van redder die hen zou bevrijden.
Bij de geboorte van Jezus, was Palestina bezet door de Romeinen.
De teksten van de profeten over de komst van die redder / Messias,
hielden de mensen toen staande in die verdrukkende tijd.
Toen Jezus jaren later de mensen toesprak als een profeet
zagen zijn volgelingen in Hem de redder, het 'licht in de wereld'.
Daarom zagen christenen toen in de zon het beeld voor Jezus.
Telkens ze in een cultuur kwamen waarin de zon vereerd werd,
zagen ze in die zon Jezus, die perspectief gaf in hun donker leven.
Zo pasten ze moeiteloos de adventskrans in hun leven:
een krans met groeiend licht op hoopgevend groene takken.
Elke kaars krijgt een naam: vrede, vertrouwen, liefde, hoop.
Stuk voor stuk waarden, die de moeite zijn om te realiseren.
Waarden die van de wereld een fijne plek maken om te leven:
een leven met perspectief, met evenwaardige kansen voor iedereen,
een leven dat geluk, vrede, geloof, hoop en liefde in zich draagt.
Chantal Leterme
Lees meer over advent
... DANKEN
Het laatste ballonnetje
(C. LETERME, Parels van verhalen, uitgeverij Averbode, 2019, p. 203)
In een groot paleis leefde eens een koning die erg verdrietig was.
Want voor de ingang van zijn paleis lag een draak.
Telkens er iemand aanbelde, at één van zijn zeven koppen de bezoeker op.
Toen blies de koning een ballonnetje op en hing er een briefje aan
Daarop stond: ‘Help! We kunnen niet meer buiten komen. De koning.’
Dit ballonnetje kwam op de binnenplaats van het kasteel van een ridder.
Wat later kwam nog een tweede ballonnetje aan.
De ridder las ook dat briefje, trok zijn harnas aan en reed naar zijn oude meter.
‘Jongen,’ zei ze, ‘waar ben je aan begonnen?’
De ridder toonde het tweede briefje. Zijn meter glimlachte.
‘Wel dat is de moeite waard!’ zei ze
en ze gaf hem spullen mee om de draak te verslaan en ook een ring.
De ridder draafde op zijn paard en kwam snel aan bij het paleis.
Uit één van de torenkamers wuifde de dochter van de koning.
‘Volhouden!’ riep de ridder, ‘Ik zal de draak wel verslaan.’
De ridder sloeg het monster neer.
Zodra het dood was, deed de koning de deur open.
‘Heel veel dank,’ zei hij, ‘dat zal ik niet vlug vergeten.’
Wat later trouwde de prinses met de ridder.
Toen kwam een derde ballonnetje met een briefje aan.
Daarop stond: ‘Vergeet je oude meter niet.’
De koning glimlachte:
‘Dat briefje heb ik voor het laatst bewaard,
want dankbaar zijn is het moeilijkst.’
‘Hoe wist je dat ik de draak zou verslaan?’ vroeg de ridder.
‘Oh, ridders kunnen dat!
Maar lief zijn voor een oude meter, daar was ik niet zeker van.’
En daar had hij gelijk in, want de ridder was haar totaal vergeten.
Maar vanaf die dag
mocht ze elke donderdag mee aan tafel eten bij de ridder.
(Naar een verhaal van Godfried Bomans)
Dat mensen veel doen voor anderen …
Dat vindt men normaal, zeker als men er betaald voor wordt.
Als je verneemt dat iemand allerlei geeft aan mensen in nood …
Dan heb je daar bewondering en waardering voor.
Nadat iemand zich een leven ingezet heeft voor zijn werk,
dan wordt die uitgebreid bedankt door zijn werkgever.
Kan het ook gebeuren dat men iemand zomaar vergeet
Iemand die in alle stilte een grote hulp was voor anderen?
Eerlijk gezegd, dat gebeurt, en dat is doodjammer.
Want veel werk in de schaduw is het fundament voor het grote werk.
Nogal wat mensen leven zo snel, dat ze vergeten te danken.
Gelukkig frist het 'laatste ballonnetje' voor hen hun geheugen op.
Chantal Leterme
Lees meer over danken
... DE EERSTE ZIJN
Mentale handicap
(C. LETERME, Een parel voor elke dag, uitgeverij Averbode, 2007, p. 158)
Enkele jaren geleden
tijdens de Paralympics (*) ...
Negen deelnemers met een mentale handicap
stonden aan de start van de 100 meter.
Bij het startschot,
begonnen ze te lopen.
Wel niet in een rechte lijn,
maar wel allemaal met het doel
de finish te halen en te winnen.
Tot één jongen struikelde.
Hij viel neer en begon te wenen.
De acht andere hoorden hem.
Ze begonnen trager te lopen,
keken om,
en keerden terug op hun passen.
Een meisje met het downsyndroom
gaf hem een kus en zei:
‘Zo, nu is het weer over.’
Samen tilden ze hem overeind,
haakten ze allemaal de armen in elkaar
en liepen zo samen naar de finish.
De negen atleten kregen tien minuten lang
een staande ovatie.
(*): De Paralympics of de Paralympische Spelen zijn de Olympische Spelen die leven met een handicap.
Het EK voetbal, de Ronde van Frankrijk,
de Olympische Spelen, de Paralympics, …
Het nieuws wordt er deze maanden door gekleurd.
Om het meest doelpunten, om het snelst aan de aankomst,
om het eerst, om het hoogst, om het diepst, om …
Zijn al die superlatieven echt wel zo belangrijk?
Het verhaal hierbij doet eraan twijfelen.
Geen enkele reportage, geen enkele foto bevestigt
dat wat in het verhaal hierbij staat, echt gebeurd is.
Maar is dat wel belangrijk?
Dat zo’n verhaal verteld wordt,
toont dat mensen aanvoelen
dat met het snelst, het meest, het hoogst …
niet alles gezegd is,
dat er nog andere, zelfs belangrijker categorieën zijn.
Vaak ziet het leven van mensen er uit als een sportcompetitie.
Deadlines lijken op de eindmeet van veel wedstrijden.
Er is zoveel aandacht voor wat de activiteit oplevert,
dat hoe men de eindmeet haalt,
vaak onder de mat geveegd wordt.
Aandacht en liefdevolle betrokkenheid voor de ‘medespelers’,
worden verstikt door het doel dat gehaald moet worden.
Er is niets verkeerd mee
om de eerste te willen zijn of de eerste te zijn,
maar niet ten koste van …
Chantal Leterme
... GELOVEN
Het geloof van de koning
(C. LETERME, 99 verhalen met een knipoog, Averbode, 2014, p. 34-35)
Een machtig koning werd erg ziek.
De beste dokters van zijn land konden hem niet beter maken.
- God als U mij geneest, zal ik in U geloven, riep de koning.
- Beste koning, zei God, eerst moet jij geloven,
pas dan kan Ik jou genezen.
De koning dacht diep na.
- Ik heb het, ik zal een grote tempel voor God bouwen,
zo kan Hij zien hoeveel ik in Hem geloof.
Hij liet een tempel bouwen nog groter dan zijn paleis.
Op een dag ging de koning naar de tempel.
- Mag ik een aalmoes? vroeg een bedelaar.
- Ga weg, ik heb mijn geld nu voor wat anders nodig.
Toen de tempel klaar was, zei de koning:
- God, deze tempel is het bewijs van mijn geloof.
Genees me nu.
- Geloof zit niet in stenen, zei God, hoe mooi ze ook gestapeld zijn.
- Maar wat is dan 'geloven'?
En de koning beval zijn dienaren
alle boeken te kopen die over God gingen.
Hij begon ze allemaal te lezen.
's Middags smeekte een bedelaar onder zijn raam om wat brood.
- Ga weg, riep de koning. Ik ben bezig!
Maanden later was de koning klaar met zijn studie.
- God, ik heb alle boeken over Jou gelezen.
- Maar mijn beste koning,
geloven heeft niet alleen met verstand te maken.
Ik kan je nog steeds niet genezen.
De koning was een gebroken man.
- Wat is er aan de hand? vroeg een bedelaar.
- Ik wil weten wat geloven is.
- Maar koning, geloof zit in je hart.
Je moet gewoon houden van de mensen en van God.
's Avonds voelde de koning zijn einde naderen.
Hij wou nog één keer naar zijn tuin gaan.
Daar liep een bedelaar.
De koning klopte op de schouder van de man
en gaf hem tien goudstukken.
Op slag was de koning genezen.
De machtige koning uit het verhaal hierbij is erg ziek
en wil het op een akkoordje gooien met God.
‘Als ik genees, zal ik in U geloven,’ zegt hij.
Maar wat is geloven eigenlijk?
Eerst staat het verhaal stil bij wat geloven niet is,
dat maakt een en ander wat eenvoudiger.
Geloven heeft niets te maken met de grootte of de rijkdom van een gebedshuis.
Geloven heeft ook niets te maken met verstand: hoe goed dat ook is.
Voor een bedelaar heeft geloven met het hart te maken, met liefde.
Nogal wat mensen vinden dit niet zo vreemd.
‘Kijk maar naar het woordje geloven,’ zeggen ze,
‘daar zie je het woordje ‘love’ in, het Engelse woord voor liefde.’
En ook Jezus sprak zo over geloven:
‘Hou van God en van je naaste, dat is hetzelfde gebod.’
Nu is die ‘naaste’ wel een rekbaar begrip.
Sommigen vinden dat de ‘naaste’ alleen iemand is,
die past in hun eigen manier van leven, van denken.
Iemand die hen bevestigt in wie ze zijn.
Maar voor Jezus is de naaste iedereen die je op je levensweg omtmoet,
wie die ook is en hoe die ook is:
groot, klein, dik, dun, blank, zwart, oud, jong, ziek,
gezond, rijk, arm, lief, nors, man, vrouw, vriend, vijand …
Zei Jezus niet: ‘Hou van je vijand,
want het is niet bijzonder om van iemand te houden die je graag hebt.’
Christen zijn, geloven in Jezus, dat is een hele opgave!
Dat is ook een hele rijkdom!
Chantal Leterme
... GESCHENKEN
Het zoontje van koning Balthasar
(C. LETERME, Parels van verhalen, uitgeverij Averbode, 2019, p. 165)
Op een avond zag koning Balthasar een nieuwe ster aan de hemel.
In een oud boek las hij dat dat wilde zeggen
dat er een Koning was geboren, die vrede zou brengen.
‘Die Koning wil ik bezoeken’, zei Balthasar.
‘Waar ga je naartoe, papa?’ vroeg zijn zoontje.
‘Ik ga de pasgeboren Koning van de vrede bezoeken.’
‘Mag ik ook mee, papa?’
‘Nee jongen, ga maar vlug weer slapen.’
Maar toen de karavaan vertrok, kleedde het prinsje zich aan.
Hij wilde die pasgeboren Koning zijn mooiste speelgoed geven.
Hij sloop het paleis uit.
Buiten was het donker, maar de ster wees de weg.
’s Morgens zag hij een meisje op een muur zitten.
‘Niemand wil met me spelen’, huilde ze.
‘Neem deze bal,’ zei het prinsje,
‘dan willen anderen wel jouw vriendje zijn.’
’s Nachts volgde hij opnieuw de ster.
Tegen de morgen stond hij voor een boerderij.
Daar lag een kleine jongen al maanden met een gebroken been in bed.
‘Neem mijn knuffel. Het is mijn liefste speelkameraad’, zei hij.
Zo vlug hij kon, liep hij naar het huis waar de ster was blijven stilstaan.
Daar zaten een man, een vrouw en hun pasgeboren kindje.
Naast zijn vader stonden nog twee koningen.
Het prinsje maakte een buiging voor het kindje.
Tegen de moeder zei het prinsje: ‘Ik heb geen geschenken bij,
want ik heb ze allemaal weggegeven.’
‘Dat jij hier bent, is het mooiste geschenk’, zei de moeder,
en ze gaf hem een kus.
(Naar een oud kerstverhaal)
Chantal Leterme
Al eeuwenlang wordt er gesleuteld
aan het verhaal van Matteüs over de wijzen uit het oosten:
de wijzen werden koningen, ze reisden op kamelen,
kwamen uit verschillende werelddelen,
waren getrouwd en hadden kinderen …
Matteüs schreef over de geschenken die ze mee hadden.
Bijzondere geschenken met een eigen taal:
het goud maakte duidelijk dat Jezus een koning was,
de wierook dat hij de Zoon van God was en de mirre, een parfum
dat men gebruikte bij het balsemen van doden, dat Hij mens was.
In dit nieuwe verhaal, zoekt een prinsje naar eigen geschenken.
Het worden een speelgoedbal en een knuffel,
trouwe vrienden voor de dag en de nacht.
Maar onderweg geeft hij ze aan kinderen
voor wie ze een verschil maakten in hun leven.
Zo komt hij met lege handen
in het huis van de kleine koning.
‘Ik heb geen geschenken meer’ excuseert hij.
Maar de moeder van Jezus geeft hem een kus en zegt:
‘Jouw aanwezigheid is het mooiste geschenk.’
Zo doet dit verhaal over het prinsje nadenken over geschenken:
er zijn veel soorten geschenken:
luxueuze geschenken, gewone geschenken,
maar het grootste en meest waardevolle geschenk is:
onze aanwezigheid en liefdevolle aandacht.
Chantal Leterme
Lees meer over geschenken
... GOD
Bij de kapper
(Naar C. LETERME, Een parel voor elke dag, Averbode 200, p. 268)
Een man ging naar de kapper
om zijn haar en baard te laten knippen.
Ze begonnen te praten ...
De kapper zei: ‘Ik geloof niet dat God bestaat.’
’Waarom denk je dat?’ vroeg de man.
‘Wel, als Hij echt bestaat, waarom zijn er dan zoveel zieken?
En zoveel mensen met een handicap?
Nee, als Hij echt bestond, was er geen ellende op aarde.’
De man werd er stil van.
De kapper was intussen klaar en de man verliet de zaak.
Onderweg naar huis zag hij een oude man op straat
met lang haar en een onverzorgde baard.
De man liep terug naar de kapperszaak en zei: ‘Kappers bestaan niet!’
‘Maar ik ben er toch een,’ zei de kapper.
’Nee!’ zei de klant, ‘Kappers bestaan niet.
Als ze echt bestonden, zou er niemand nog rondlopen
met lang haar en onverzorgde baarden.’
De kapper antwoordde: ‘Ach, kappers bestaan wel.
Het zijn gewoon de mensen die niet naar ons komen.’
‘Precies!’ zei de man, ‘En dat is ook zo met God. Hij is er.
Het zijn gewoon de mensen die Hem niet opzoeken.
Daarom is er zoveel ellende op de aarde.’
(Naar een islamitisch verhaal)
Bij alle leed van de wereld
dat breed over het nieuws in de media wordt gesmeerd,
kun je je grondig afvragen of God wel bestaat
en als Hij bestaat of Hij al dat leed, al die ellende wel heeft gewild.
Het verhaal hierbij
suggereert dat er zoveel ellende in de wereld is
omdat de mensen God niet opzoeken
omdat ze geen rekening houden met Hem.
Door de eeuwen heen
werden veel heilige boeken geschreven
waarin men sporen van God optekende:
in de natuur, in menselijk handelen ...
Misschien moet je niet zozeer zoeken naar God
maar je oor te luisteren leggen
naar wat Hij je te zeggen heeft:
zorg voor meer liefde, rechtvaardigheid, mededogen, barmhartigheid ...
Dat luisteren zal niet alle problemen oplossen.
De natuur kent haar eigen wetmatigheden:
overstromingen, aardbevingen vulkaanuitbarstingen ...
Mensen worden ziek of oud, kennen tegenslag.
Maar je kunt wel de handen uit de mouwen steken
en zo handelen dat de schade beperkt wordt
of zo goed mogelijk opgevangen.
Ook preventief kan er veel gebeuren.
Doe je dat niet
dan staat Jezus klaar met een heel scherpe uitspraak:
'Als je hand foute dingen doet - of misschien zelfs niets doet -
hak ze dan af, want dan dient ze nergens voor.’
Chantal Leterme
Lees meer over God
De vrouw van God
(C. LETERME, Parels van verhalen Uitgeverij Averbode, 2019, p. 87)
Een jongen van acht keek vol aandacht naar de schoenen
in de etalage van een schoenenwinkel.
Zelf liep hij op versleten sandalen
en bibberde in de kou van oktober.
Een vrouw sprak hem aan en vroeg:
‘Dag jongen, waarom kijk jij zo naar die schoenen?’
‘Wel, ik heb God gevraagd om een paar schoenen
en nu zoek ik de schoenen die ik het liefst zou willen,’ zei de jongen.
De vrouw nam hem bij de hand.
‘Kom,’ zei ze, ‘Kom maar met me mee.’
Samen gingen ze de winkel binnen.
Daar vroeg de vrouw om vier paar sokken voor de jongen.
‘Welke kleur vind jij de mooiste?’
‘Groen’, zei de jongen.
Toen wilde de vrouw ook schoenen voor hem kopen.
‘Welke schoenen vind jij de mooiste?’ De jongen wees ze aan.
Toen hij ze aandeed met zijn nieuwe sokken aan,
pasten ze hem als gegoten.
Hij mocht ze blijven aanhouden
en kreeg een zakje met de drie paar sokken.
Toen ze uit de winkel kwamen,
wilde de vrouw weggaan.
Maar de jongen pakte haar hand en vroeg:
‘Ben jij soms de vrouw van God?’
(Naar een Angelsaksisch verhaal)
Toch wel schattig dat het jongetje
de vrouw die voor hem schoenen en sokken kocht
‘de vrouw van God’ noemde.
Maar is God dan getrouwd? Wat weten we van God?
Tot op vandaag, vragen mensen zich af hoe alles tot stand kwam.
Als christenen zeggen dat God een vader is,
dan zeggen ze dat God aan het begin staat van hun leven,
en dat God aan de basis van alles ligt wat hen omringt.
Als ze bijeenkomen om eucharistie te vieren,
zeggen ze dan ook rechtop dat ze geloven in God,
de almachtige Vader, schepper van hemel en aarde,
van al wat zichtbaar en onzichtbaar is.
Hoe God eruitziet? Als een mens? Een engel? Een geest?
Niemand weet het, want ‘niemand heeft ooit God gezien’.
Maar als christenen zeggen dat Jezus de ‘zoon van God’ is,
zeggen ze dat ze God zien in wat Hij zei en in wat Hij deed.
Jezus riep mensen op om liefdevol om te gaan
met al wie ze op hun levensweg tegenkomen.
Hij sprak over God als over een bezorgde liefdevolle vader
en handelde daar ook naar als Hij mensen in nood tegenkwam.
Zo kan het jongetje de lieve vrouw die hem schoenen en sokken gaf
inderdaad de ‘vrouw van God’ noemen.
Want als christenen God ‘liefde’ noemen,
kan het toch niet anders dan dat ‘zijn vrouw’ ook liefdevol is.
En als christenen bij hun doopsel ‘kinderen van God’ genoemd worden,
kan het toch niet anders
dan dat ze zich als waardige kinderen van God gedragen
en de boodschap van Jezus zien als een leidraad in hun leven.
Chantal Leterme
... GODSDIENST
De rabbi en de zeepfabrikant
(C. LETERME, Een parel voor elke dag, uitg. Averbode, 2007, p. 157)
Een zeepfabrikant zei eens tegen een rabbi:
‘Wat heb je nu eigenlijk aan godsdienst?
Kijk eens naar alle ellende in de wereld!
En dat terwijl er al duizenden jaren
godsdiensten bestaan!
Als godsdienst waarheid is,
waarom ziet de wereld
er dan niet beter uit?’
De rabbi zei niets.
Hij nam de zeepfabrikant mee naar buiten.
Daar liep een stel jongens,
die van boven tot beneden
onder de modder zaten.
Hij zei: ‘Kijk daar eens naar.
We hebben al generaties lang zeep,
maar die jongens zijn zo vies als varkens.
Wat voor zin heeft het
om zeep te hebben?’
De zeepfabrikant protesteerde:
‘Maar rabbi,
zeep werkt alleen maar
als ze wordt gebruikt.’
‘Precies,’ zei de rabbi,
‘met godsdienst is dat ook zo!’
Godsdienst is nergens goed voor ...
... je maakt je belachelijk
... je bent niet mee met je tijd
... je verdient er niets aan
...
Godsdienst maakt de wereld niet beter ...
maakt de mensen niet vriendelijker ...
verdrijft geen armoede ...
lost geen oorlogen op ...
Dat en nog veel meer
denken en zeggen sommige mensen over godsdienst.
Godsdienst heeft voor hen niets te betekenen,
biedt geen meerwaarde aan de maatschappij,
is een nodeloze luxe.’
Misschien is godsdienst wel te vergelijken
met dat stuk zeep op je toilettafel.
Zolang je die zeep niet gebruikt,
kan die zijn werk niet doen.’
Als mensen hun godsdienst niet beleven
en er niets mee doen in hun manier van leven,
in hun omgang met hun medemens,
kan de vreugdevolle boodschap ervan
zijn werk niet doen.
Chantal Leterme
... IDEALEN
De vijfde kikker
(C. LETERME, '99 verhalen met een knipoog', Uitgeverij Averbode 2014, p. 76-77)
Vijf kikkers wilden een berg beklimmen.
- Zijn jullie gek? vroegen de koeien,
jullie zullen de top nooit bereiken!
Die koeien hebben gelijk, dacht één van de kikkers,
en hij bleef thuis.
De vier andere kikkers vertrokken.
Ze begonnen vol goede moed de grote klim.
Halfweg de berg kwamen ze een familie konijnen tegen.
- Kikkers, wat doen jullie hier?
- Wij beklimmen de berg.
- Maar die is toch veel te hoog voor kikkers.
Eén kikker voelde zich moe en gaf de konijnen gelijk.
De drie andere klommen dapper verder.
Hoog op de berg ontmoetten ze een groep marmotten.
- Kikkers, zijn jullie soms verdwaald?
- Wij willen naar de top van de berg.
- Maar zo'n berg is niets voor kikkers.
Eén van de kikkers gaf hen gelijk
en sprong terug naar het dal.
Twee kikkers zetten de tocht verder.
Boven op de rotsen zagen de steenbokken hen aankomen.
- Kikkers!?!? Maar hier is toch geen vijver!
- Wij willen naar de top van de berg.
- Jullie zijn gek!
Het duurt nog zeker een maand eer je er bent.
Eén kikker gaf het op toen hij dat hoorde.
De andere kikker ging verder.
Wat later bereikte hij de top.
Terug in het dal, stormde iedereen op hem af.
- Hoe kon jij het volhouden tot op de top van de berg?
- Wablief? vroeg de kikker.
- Waarom hield jij het vol? vroegen de journalisten.
- Wablief? Wablief?’
De vijfde kikker was doof!
Hij had niet gehoord
dat iedereen de kikkers had afgeraden
om de berg te beklimmen.
Dit verhaal zit vol dieren: kikkers, koeien, konijnen, marmotten ...
Toch gaat dit verhaal uiteindelijk niet over dieren.
En de berg die de kikkers beklimmen?
Ook dat gaat uiteindelijk niet over een berg.
Wie dit verhaal het eerst vertelde,
wilde iets zeggen over mensen
die iets waardevols in hun leven wilden doen
en over de reactie van andere mensen hierop.
Wie zich voor iets engageert, krijgt al vlug veel goede raad.
Nu is goede raad wel goud waard,
maar te veel goede raad komt vaak neer op afraden.
Met de beste bedoelingen somt men alle mogelijke hinderpalen op:
- Dit is toch te moeilijk!
- Waar zul je de tijd vinden?
- Dat doet toch niemand!
- Ben je daar niet te jong voor?
- Dit kost je handenvol geld!
- Dan woon je ver van je vrienden en familie!
- Men gaat profiteren van je!
- Daar ben je toch te oud voor! ...
Die reacties komen van de dieren die over de kikkers spreken.
In ons leven zijn dat: de collega's, de media, de familie, de vrienden ...
Ze bekritiseren de plannen die je hebt, de idealen die je koestert.
't Is misschien niet slecht om al die raad te overwegen ... maar ...
Vier van de vijf kikkers namen de 'goede raad' ter harte,
en daalden de berg af.
Eén ervan ging verder
en bereikte het doel dat hij voor ogen had.
Het verhaal doet nadenken.
Ben ik een van de vier kikkers in het verhaal?
Behoor ik tot de vier andere soorten dieren?
Ben ik de kikker die de bergtop bereikt?
Maar ook:
Wat is die berg in mijn leven?
Wil ik die tot op de top beklimmen?
Wie of wat kan me daarbij helpen?
Chantal Leterme
... INLEVEN
Franciscus en de ezel
C. LETERME, Een parel voor elke dag, uitgeverij Averbode, 2008, p 281
In Assisi was het markt.
In een van de nauwe straten
trok een ezel een zware kar.
Hij was erg mager en moe.
Zijn baas, een koopman,
sloeg hem met een stok
zodra hij even stil wou staan.
'Sta op, lui dier!' tierde hij.
De ezel bewoog niet.
Franciscus zag het gebeuren.
Hij ging naar de ezel toe.
Zonder iets te zeggen
maakte hij de riemen van de ezel los.
Hij hielp de ezel met opstaan
en liet hem wat groen eten.
Dan spande Franciscus zichzelf voor de kar,
en trok die voort.
De ezel liep dicht achter hem aan.
En de koopman...
Hij gooide zijn stok weg,
en begon de kar van achter voort te duwen.
Toen ze de hoek om waren,
fluisterden de koopmannen tegen elkaar:
'Wie was die man?'
De mensen van Assisi zeiden:
'Dat is Franciscus,
de zoon van de rijke klerenkoopman!'
Een ezel, de ‘camionette’ van de mensen in de middeleeuwen,
wordt door zijn eigenaar tot het uiterste gedreven.
We weten niet hoeveel voedsel de ezel kreeg,
ook niet hoe groot de vracht was die hij te trekken had,
maar zijn werk was te zwaar.
Die ezel is het beeld van wie onderdrukt en uitgebuit wordt.
De eigenaar, de baas van de 'camionette',
ziet in zijn ezel alleen economische waarde.
Wat brengt die ezel me op?
Kan hij nog meer lasten dragen dan de vorige keer?
Die man is het beeld van wie alleen uit is op winst
en geen oog heeft voor wie deze winst mee mogelijk maakt.
En dan is er Franciscus! Hij leeft zich in in de situatie van de ezel
en wil niet dat het dier een taak moet uitvoeren
die boven zijn krachten gaat.
Maar hij heeft ook oog voor de baas van het dier:
hij beseft dat de vracht wel ergens moet aankomen.
Dus ... trekt hij zelf de kar onder de goedkeurende blik van de ezel.
Ook de eigenaar begint de hele situatie anders te bekijken:
hij duwt de kar mee naar boven.
Speelde bij hem alleen eigenbelang?
- zo kon de vracht tijdig geleverd worden! -
Dacht hij: ‘Je kunt Franciscus toch niet alleen zo'n kar laten trekken?’
Of keek hij anders naar zijn ezel aan wie hij al veel te danken had?
Het hele verhaal toont
wat er gebeurt
wanneer iemand zich inleeft
in de situatie van een ander,
daar conclusies uit trekt
en zijn handelen daarop afstemt.
Chantal Leterme
Lees meer over inleven
... LIEFDE
Het schaakspel
(C. LETERME, Een parel voor elke dag uitgeverij Averbode 2007, p. 60)
Er was eens een krijger,
die niet meer wilde vechten.
Hij ging het woud in
op zoek naar een kluizenaar.
‘Ik wil leren wat liefde is,’ zei hij.
De kluizenaar nam een schaakbord en zei:
‘Laten we een partijtje schaak spelen.
Wie verliest moet sterven.’
‘Akkoord,’ zei de krijger.
Ze begonnen te spelen.
Meteen liep het spel slecht voor de krijger.
Hij speelde slechter en slechter
en voelde de dood al naderbij
De kluizenaar speelde rustig voort.
De krijger sloot zijn ogen.
‘Ik ben een heel goed schaakspeler,’
zei hij tot zichzelf.
‘ik verlies alleen maar omdat ik zo bang ben,
Ik moet schaken
zonder aan iets anders te denken.’
De krijger kreeg weer moed en speelde voort.
Na een tijd ontdekte hij een zwakke plek
in de verdediging van de tegenstander.
‘Waarom zou ik die brave man doden?’ dacht hij.
‘Toen ik slecht speelde,
had hij gemakkelijk kunnen winnen,
maar hij heeft het niet gedaan.
Ik denk er niet aan om hem te doden.’
Toen gooide de kluizenaar het schaakbord om,
keek de krijger aan en vroeg:
‘Weet je nu wat liefde is?’
Wel frustrerend voor die krijger!
Hij wil leren wat liefde is,
en de kluizenaar aan wie hij dat vraagt
doet niet eens de moeite om zijn vraag te beantwoorden.
Toch kan men de kluizenaar wel begrijpen:
er bestaat geen moeilijker onderwerp om het over te hebben dan ‘liefde’.
Iedereen zegt wel liefde te kennen, of nodig te hebben of te missen …
maar zeggen wat dat nu precies is, is heel andere koek.
Paulus schreef over liefde in een brief aan de christenen van Korinte
(1 Korintiërs 12, 31 - 13, 13)
Hij schreef: ‘Als ik de liefde niet heb, ben ik niets.’ En ook:
‘De liefde verdraagt alles, gelooft alles, hoopt alles, duldt alles.’
Zijn hele leven riep Jezus mensen op om lief te hebben.
Het betekende voor Hem:
nieuwe kansen geven, rechtvaardig zijn, respectvol omgaan …
zonder om te zien naar de afkomst, het bezit, de relaties van iemand.
In de 2000 jaren sinds zijn prediking
blijkt dit allemaal veel gemakkelijker gezegd dan gedaan.
Veel van zijn volgelingen vonden allerlei excuses
om die boodschap in andere richting te laten doorbuigen.
De kluizenaar in het verhaal had geen woorden voor wat liefde is.
Hij had zich aan Paulus of Jezus kunnen inspireren.
Maar de kluizenaar gaf voorrang aan een heel andere taal:
hij liet de krijger ervaren wat liefde is.
Chantal Leterme
... PINKSTEREN
Een zee van licht
(C. LETERME, Een parel voor elke dag, uitgeverij Averbode, 2007, p. 189)
Er was eens
een groot amfitheater,
met daarin duizend toeschouwers.
Op een avond,
stond daar
op het grote podium.
in het licht van felle schijnwerpers,
een jongen.
Hij streek één lucifer aan.
’Kun je het licht zien?’ vroeg hij.
Maar bijna niemand
van die duizend toeschouwers
zag iets.
Ze lachten met de jongen.
‘Wil je even alle lichten doven?’
vroeg de jongen.
Het werd pikdonker.
Dan streek hij opnieuw
een lucifer aan.
Toen zagen ze allemaal
dat kleine vlammetje.
‘Neem nu allemaal één lucifer
en steek die aan,’
zei de jongen.
Iedereen deed dat.
En duizenden kleine vlammetjes
zetten het hele amfitheater
in een zee van licht.
Eén vlammetje stelt niet veel voor.
Twaalf vlammetjes verlichten wat meer.
Maar een vol amfitheater maakt echt een verschil.
Eén persoon die de Geest van Jezus in zijn leven laat werken, heerlijk!
Twaalf mensen die zich door die Geest laten leiden, zalig!
Maar een vol amfitheater, daar kan niets tegen op.
Met Pinksteren vieren we de komst van de Geest van Jezus.
Twaalf van zijn leerlingen werden erdoor bezield.
Tegen de avond van die dag, waren er dat al drieduizend.
Tweeduizend jaar later zijn miljoenen mensen
nog steeds door die Geest gebeten.
De een al wat meer dan de ander.
Nog anderen sloten zich af voor die Geest.
Ontgoochelingen, overtrokken verwachtingen,
andere visies waren er de oorzaak van.
Misschien moeten we even terug naar het allereerste begin.
Naar het vuur dat mensen in Jezus ervaren hebben
in wat Hij zei en wat Hij deed.
Naar het enthousiasme van die eerste groep leerlingen,
naar hun liefdevolle omgang voor elkaar,
naar het belang dat ze aan God gaven in hun leven.
Zodat de Geest van Jezus voluit zijn werk kan doen:
mensen denken en handelen als wijzen
en geven in hun leven aan God de plaats die Hem toekomt.
Chantal Leterme
Lees meer over Pinksteren
... PROBLEMEN
Een man in de put
(C. LETERME, Een parel voor elke dag, uitgeverij Averbode, 2007, p. 120)
Een man viel in een put
en kon er niet meer uit.
Een meelevend iemand kwam langs
en zei: ‘Ik voel met je mee.’
Een nuchter man kwam langs en zei:
‘Het is normaal dat iemand in zo'n put valt.’
Een wiskundige berekende
hoe hij precies in de put was gevallen.
Een verslaggever vroeg:
‘Mag ik van jou vernemen
hoe je deze put terecht kwam?’
Een ander zei:
‘Je verdient de put.’
Een klager zei:
‘Je klaagt nu wel,
maar heb je mijn put al gezien?’
Een optimist zei:
‘Het had veel erger kunnen zijn.’
Een pessimist zei:
‘Het zal nog veel erger worden!’
Een achtste man kwam voorbij,
zag de man,
pakte hem bij de hand
en trok hem uit de put!
Jaren geleden vertelde een juf in het tweede leerjaar
over iemand die in de put zat.
Daarna vroeg ze: ‘Wat moet je doen als er iemand in de put zit?’
‘Een ladder brengen’ zei het kind dat het eerst zijn vinger opstak.
Dat was nu wel een goed antwoord op de gestelde vraag,
maar niet het antwoord dat de juf had verwacht.
Het kind zag de persoon letterlijk in de put,
de juf had het over iemand met problemen.
Kinderen die ouder zijn begrijpen wel dat in de put zitten
een manier is om iets duidelijk te maken:
men zit zo in moeilijkheden
dat men er geen oplossing voor vindt.
Het verhaal hierbij speelt met die twee betekenissen.
De hele tijd lijkt het of iemand echt wel in een put gevallen is.
Maar de hele tijd heeft de oorspronkelijke verteller
het tegelijk over iemand die behoorlijk wat problemen heeft.
Het verhaal lijkt als een spiegel over de manier
waarop mensen omgaan met iemand in problemen.
Er is maar één reactie die de waardering van de verteller krijgt:
de reactie van de man die zijn hand uitsteekt om de man uit de put te redden.
Hij stelde zich geen vragen!
Hij zag iemand in nood
en deed wat in zijn mogelijkheden lag
om hem daaruit te helpen.
Chantal Leterme
... RUZIE
De twee broers
(C. LETERME, Een parel voor elke dag, Uitgeverij Averbode 2007, p. 66)
Er waren eens twee broers,
die al jaren samenleefden
zonder enige onenigheid.
Op een dag zei de ene broer:
‘Willen we eens ruzie maken
zoals iedereen dat doet?’
‘Ik weet helemaal niet hoe dat gaat,’
zei de andere broer.
‘Wel: ik leg een steen tussen jou en mij.
En dan zeg ik: “Die steen is van mij.”
En dan moet jij antwoorden: “Nee, die is van mij.”
Want zo beginnen de meeste ruzies.’
Zo gezegd, zo gedaan.
De broers plaatsten een steen tussen hen in.
De ene broer zei: ‘Die steen is van mij.’
De andere broer antwoordde:
‘Als die steen van jou is,
neem hem dan maar.’
En ze slaagden er maar niet in
om ruzie met elkaar te maken.
Ruzie maken?
Dat hoef je niet te leren! Dat gaat vanzelf!
Denk alleen aan jezelf en aan wat jij wil.
En al wie of wat dit in de weg staat
moet eraan geloven.
De twee broers in het verhaal leefden al jaren zonder ruzie.
Niemand had het hen geleerd - niemand leert zoiets aan -
en het kwam ook niet vanzelf.
Maar ze waren erg nieuwsgierig
en wilden wel eens weten hoe het aanvoelde ruzie te maken.
Waar anderen met glans zouden slagen
lukte het hen niet!
Geen rekening houden met de andere …
zoiets konden ze zich niet indenken.
En dus besloten ze maar om zonder ruzie verder te leven.
***
Jezus vond het maar niks als mensen ruzie maakten:
dat paste niet in het totaalbeeld van het rijk van God.
Hij zei zelfs dat zelfs nog maar kwaad denken over iemand
er al over was.
‘Ga je eerst verzoenen met je broer / zus’ zei Hij.
Maar zich verzoenen met elkaar, na een hele tijd ruzie …
zo eenvoudig is dat niet.
Zich wat kunnen inleven in de ander,
kan een eerste stap zijn.
Maar soms is dat wel een reuzenstap.
Chantal Leterme
... STARTEN
Het briefje
(C. LETERME, Parels van verhalen, uitgeverij Averbode 2019, p. 152)
Op een dag komt kleine Thomas thuis.
Voor hij de school verliet
gaf de meester hem een briefje mee voor zijn moeder.
‘Mama,’ zei hij, ‘dit briefje is van mijn meester.
Hij heeft gezegd dat jij alleen het mag lezen.’
Zijn moeder las het. Er kwamen tranen in haar ogen.
‘Wat staat erop?’ vroeg de jongen.
‘Wel, er staat op dat je zo verstandig bent
dat niemand op school jou nog goed les kan geven.
En of ik dat nu in hun plaats zou willen doen.’
Zo kwam het dat zijn moeder, die onderwijzeres was geweest,
de volgende dag begon met les te geven aan de kleine jongen.
Die jongen heette Thomas Edison.
Hij werd de uitvinder van de gloeilamp en de telegrafie.
Op een dag werd zijn moeder ziek.
Ze stierf toen hij 24 jaar oud was.
In de papieren die zij in een doos bewaard had,
vond Edison het briefje dat hij als kleine jongen van zijn meester
voor zijn moeder had meegekregen.
Groot was zijn verbazing toen hij las:
‘Uw zoon is mentaal gehandicapt.
Hij kan hier de school niet meer volgen.’
Tranen kwamen in zijn ogen.
Die avond schreef hij in zijn dagboek:
‘Thomas Edison was een mentaal gehandicapt kind
Maar zijn moeder veranderde hem in het genie van de eeuw.’
(Naar een Angelsaksisch verhaal)
Op 1 september begint het opnieuw:
de school opent haar deuren.
Leerkrachten maken tegen dan
alles klaar om hun leerlingen te ontvangen.
Ze zijn erop voorbereid:
ze kregen een opleiding, ze liepen stages,
ze kennen de inhoud van de vakken
die in de lessen aan bod komen,
ze hebben er een idee van
hoe ze die inhouden aantrekkelijk kunnen brengen.
Ze hebben zich laten bijscholen …
En dan lees je het verhaal hierbij.
Waren die leerkrachten toen onbekwaam?
Was de moeder van Thomas een supertalent?
Had Thomas iets tegen de school?
Wat er ook van zij,
in het verloop van het verhaal komt een houding aan bod
die wonderen verricht:
het geloof in de mogelijkheden van iemand.
Het vertrouwen dat men in iemand heeft
waardoor bergen verzet kunnen worden.
Niet elk kind dat op 1 september naar school gaat
zal een Edison worden,
hoezeer de opvoeders erin geloven.
Maar dat vertrouwen dat ze zullen geven
legt wel de basis
voor een gezond zelfvertrouwen
dat vele mogelijkheden creëert.
Chantal Leterme
Lees meer over starten
... STERREN
De ster
(C. LETERME, Een parel voor elke dag, uitgeverij Averbode 2007, p. 349)
‘Excuseer, vriend,’ vroeg een man in een vrachtwagen,
‘weet jij waar het Boogplein ligt?’
‘Ja ja, dat weet ik,’ zei de jongen.
Maar omdat hij het moeilijk kon uitleggen,
zei hij: ‘Wacht even, mijnheer,
ik zal voorop rijden met mijn fiets. Volg maar.’
‘Hier is het, mijnheer.’
‘Dankjewel, dat jij mij de weg gewezen hebt.
De bestuurder keek of hij iets kon geven.
‘Hier,’ zei hij, terwijl hij aan zijn voorruit prutste,
‘Dit is een ster,
die met een gummistop aan een ruit kleeft.
Als je op dit knopje duwt, geeft ze licht.
Zo is het in mijn vrachtwagen een beetje Kerstmis.
Maar nu krijg jij ze,
want jij was voor mij vanavond een echte ster.’
Hij wuifde nog even,
maar de jongen zag het niet:
hij was een en al aandacht voor zijn mooie ster.
’s Anderendaags nam de jongen zijn ster mee naar school.
De meester vertelde over profeten.
‘Een profeet is een wegwijzer,
een ster voor zijn volk,’ zei de meester.
Daarna vroeg hij:
‘Hoe kan iemand een ster zijn voor een ander?’
De jongen stak zijn vinger op.
‘Meester, wanneer je met je fiets voor een auto rijdt
om hem de weg te tonen.’
Enkele jongens lachten stiekem.
Maar toen de jongen zijn ster liet zien,
zijn verhaal vertelde,
en ook nog de ster liet branden,
waren ze een en al bewondering.
Profeten zijn woordvoerders,
niet in naam van een president, een koning of een bedrijf
maar in naam van God zelf.
Ze voelen heel fijn aan wat God met de wereld voorheeft,
wat Hij over de wereld en zijn mensen droomt.
Ze brengen het goede nieuws dat God met de mensen begaan is,
dat Hij wil dat ze gelukkig zijn en hun leven een hemel op aarde wordt.
Maar geconfronteerd met sociaal onrecht en valse godsdienstigheid,
met al wat niet ligt in de lijn van wat God wil,
komen ze scherp uit de hoek en klagen ze aan, geven kritiek
en roepen: ‘Keer je om, bekeer je,
richt je naar wat God voorheeft met de wereld.’
Maar hun woorden werden niet in dank aangenomen:
veel profeten werden vervolgd, gevangen, gedood.
In het verhaal hierbij zegt de meester dat een profeet een wegwijzer is,
een ster voor de mensen.
In de tijd van de Bijbel waren sterren meer dan lichtjes aan de hemel.
Ze waren een soort gps voor wie op reis ging.
Wie de juiste ster volgde, kwam behouden aan.
Profeten in het Oude Testament zagen de Messias als zo’n ster:
Hij zou het licht zijn in de duisternis van hun leven.
In de boeken van de profeet Jesaja staat het meest over de Messias.
Zijn woorden over die Gezalfde gaven joodse mensen kracht en moed
om opnieuw te leven na de gruwel van bezetting en ballingschap.
Later zagen christenen die Messias in Jezus van Nazaret.
Jezus heeft alle verwijzingen naar een politieke Messias afgeweerd.
Maar dat belet niet dat mensen Hem zagen als de Christus,
als diegene die licht en perspectief bracht in hun leven.
Chantal Leterme
Lees meer over Sterren
... STUDEREN
Een huis in de lucht
(C. LETERME, Een parel voor elke dag, Uitgeverij Averbode 2007, p. 223)
In China ging een man op bezoek
bij een van zijn vrienden.
Die had een huis met drie verdiepingen laten bouwen.
De man vond vooral de derde verdieping prachtig.
Hij wilde dat meteen ook hebben.
Vroeger dan gepland, nam hij afscheid
en ging op zoek naar de architect van het mooie huis.
‘Ja,’ zei de bouwmeester, ‘ik heb dat huis ontworpen en gebouwd.’
‘Mooi,’ zei de man,
‘dan geef ik u de opdracht hetzelfde voor mij te bouwen.’
Nadat een groot stuk grond was aangekocht,
begon de aannemer met het graven van de fundamenten.
Op een dag ging de eigenaar kijken naar de werken.
Met open mond en grote ogen staarde hij
naar de eerste verdieping, die bijna af was.
Aan de architect die bij hem stond, zei hij verontwaardigd:
‘Welk huis ben jij hier eigenlijk aan het bouwen?!’
‘Het drie verdiepingen-huis dat u mij vroeg, heer’,
antwoordde de bouwmeester.
‘Maar ik wilde alleen
de prachtige derde verdieping met het mooie uitzicht,
en niet de andere verdiepingen,’ zei de man
‘Maar heer! Ik kan onmogelijk de derde verdieping bouwen
zonder eerst de andere twee te bouwen,’ zei de wanhopige architect.
‘Dat kan mij niet schelen.
Het is jouw vak, dus jouw probleem!
Ik wens uitsluitend de derde verdieping,
en alleen voor die zal ik betalen!’
Hij draaide zich om en stapte woedend weg.
(Naar een verhaal uit China)
Nogal wat kinderen en jongeren zijn ontgoocheld
over de resultaten van wat ze studeerden.
Sommigen hebben best wel hard gestudeerd
en toch zijn ze niet blij met hun resultaat:
‘Zo veel studeren voor zo weinig punten!’
Ze staan er niet bij stil
dat studeren gelijkt op het leggen van fundamenten.
Wie op reis een prachtig gebouw bezoekt
vindt nergens pijlen die de weg wijzen naar de fundamenten.
Men pakt er niet mee uit. Toch zijn ze essentieel.
De man in het verhaal wilde wel de derde verdieping van het huis
maar zag niet dat wat eronder kwam, nodig was
om die derde verdieping met het prachtig uitzicht te bekomen.
Net zo min als wie studeert niet altijd door heeft
dat wat gestudeerd wordt, de basis wordt
van alle dromen die hij of zij over de toekomst heeft.
Chantal Leterme
... (VAKANTIE)TIJD
De grote pot
(C. LETERME, Een parel voor elke dag, uitgeverij Averbode, 2007, p. 370)
Op een dag vroegen enkele mensen aan een wijze:
‘Wat moeten we doen om onze tijd goed te gebruiken?’
De wijze nam een aarden pot en zette die op tafel.
Daarna nam hij twaalf grote stenen
en legde die er zorgvuldig in.
Toen vroeg hij: ‘Is deze pot vol?’
De mensen zeiden: ‘Ja.’
Dan nam de geleerde een pot met kiezelsteentjes
en goot ze uit over de twaalf stenen.
Ze vielen ertussen tot op de bodem van de pot.
De geleerde vroeg: ‘Is deze pot vol?’
De mensen zeiden: ‘Ja’.
Toen nam de wijze een zakje zand
en goot het voorzichtig leeg in de grote pot.
Het zand vulde de plaats
tussen de grote stenen en de kiezelsteentjes.
De wijze vroeg opnieuw: ‘Is deze pot vol?’
De mensen zeiden: ‘Ja’.
‘Goed,’ zei de wijze man.
Hij nam een kannetje met water
en vulde de pot tot aan de rand.
Toen vroeg hij: ‘Is er iemand die weet
wat ik hiermee over de tijd heb willen zeggen?’
Niemand wist het.
Toen zei de wijze:
‘Je moet eerst de grote stenen in de pot doen.
Als je eerst als die kleinigheden erin doet,
krijg je die grote stenen er nooit meer in.
Zo gaat het ook met de tijd.
Als je die goed wilt gebruiken,
moet je je afvragen wat de grote stenen van je leven zijn.
Wie kleinigheden als zand en steentjes belangrijk vindt,
zal merken dat zij zoveel plaats innemen
dat er geen tijd meer overblijft
voor wat echt belangrijk is.’
VAKANTIE!
Dit toverwoord betekent 'vrij zijn',
vrij zijn van de gewone verplichtingen.
Vroeger namen mensen vrij
om te helpen bij het vele werk op het veld:
maaien, de oogst binnenhalen ...
Juli en augustus zijn belangrijke vakantiemaanden.
VAKANTIE!
Tijd voor sport en spel, voor festivals.
Veel tijd om niets te moeten:
niet studeren, niet werken ...
Een tijd zonder huiswerk, taken, projecten ...,
een tijd zonder baas, directeur, leraar ...
Een tijd met alles een versnelling lager.
VAKANTIE!
Een tijd om alles terug op een rij te zetten
en antwoorden te zoeken op vragen als:
Waar komt het in mijn leven op aan?
Wat is het belangrijkste?
Waar geef ik voorrang aan?
Wat zijn de 'grote stenen' in mijn leven?
VAKANTIE
Een tijd om met meer kwaliteit te leven:
tijd maken voor wie en wat ons dierbaar is.
Een tijd ook van genieten
van zon en warmte,
van vriendschap en genegenheid,
van alles wat echt belangrijk is.
Chantal Leterme
Lees meer over vakantie
... VERBINDEN
De schaar en de naald
(C. LETERME, 99 verhalen met een knipoog, uitgeverij Averbode, 2019, p. 26-27)
Een koning ging eens op bezoek
bij Farid, een beroemde wijze man.
Toen hij bij Farid was,
boog hij heel diep
en gaf hem een prachtige gouden schaar,
ingelegd met diamanten.
Farid nam ze aan,
bewonderde ze
en gaf ze dan terug aan de koning.
Hij zei: ‘'Majesteit, duizendmaal dank
voor dit waardevolle geschenk.
Het is heel mooi,
maar u had me beter een naald gegeven
want met een schaar kan ik niets doen.’
De koning zei: ‘Dat begrijp ik niet.
Als u een naald nodig hebt,
hebt u toch ook een schaar nodig.’
Farid zei: ‘Een schaar heb ik niet nodig,
want die knipt dingen stuk.
Maar een naald
haalt stukken bij elkaar.
Al wat ik leer
is gebaseerd op liefde,
eenheid en verbondenheid.
Een naald kan eenheid herstellen.
Maar een schaar knipt,
en brengt scheiding aan.
Als u nog eens komt,
geef mij dan maar een gewone naald.
Daar heb ik genoeg aan.’
(Naar een Soefi-verhaal)
Dit verhaal gaat over een schaar en een naald …
Met een schaar kun je knippen:
een patroon uitknippen, een papier in twee snijden,
een mooie tekst uitknippen of indringende foto’s,
bloemen of kruiden afknippen …
Een schaar lijkt dus echt wel nuttig te zijn.
Maar dat is niet de mening
van de wijze man Farid.
Scharen maken dingen stuk, vindt hij.
Met een naald kun je prikken.
Je kunt er gaatjes mee maken
en er iemand pijn mee doen
Niet zo’n beste eigenschappen op het eerste gezicht.
Maar in een naald zit een oog
waardoor je een draad kunt steken
en ermee te naaien,
er dingen mee aan elkaar naaien.
Dat is het wat Farid belangrijk vindt,
wat voor hem waardevol is.
Scharen mogen gerust hun werk doen
en ook naalden mogen prikken …
Maar in de omgang met elkaar
leg je beter niet de nadruk op wat verschilt
maar zoek je naar wat eenheid kan bewerken.
Alleen zo wordt de wereld een fijne plek om te wonen.
Chantal Leterme
Lees meer over verbondenheid
... VERRIJZEN
Het geschenk van de slak
(C. LETERME, Een parel voor elke dag, Uitgeverij Averbode, 2007, p. 81)
Lang geleden wilden de dieren
God danken
voor alles wat ze van Hem
hadden gekregen.
Maar ... waar was de berg
waarop ze dat konden doen?
De slak wist het:
‘Die berg staat
aan het einde van de wereld.
Kom, ik wijs jullie de weg.’
De slak ging naar de berg,
de dieren volgden hem.
De weg die liep over bergen en dalen
konden de dieren gemakkelijk volgen,
want de slak liet een spoor achter,
dat zo glinsterde,
dat ze het niet alleen overdag,
maar ook ’s nachts konden zien.
Eindelijk zagen ze de berg
die met zijn top in de hemel stond.
‘Kom maar, slak,’ zeiden de dieren,
‘ga jij maar voorop.’
Maar de slak zei niets.
Toen klopten de dieren op zijn huisje.
Maar de slak was er niet meer.
Er was niets meer van hem over.
Met al wat hij had,
met al wat hij kon,
had hij een zilveren, glinsterend spoor achtergelaten
om de andere dieren de weg te wijzen.
Naar een verhaal uit Scandinavië
Er zijn mensen die leven voor zichzelf
en er zijn mensen die gelukkig zijn
om het geluk van anderen.
Veel heiligen waren zulke mensen:
pater Damiaan zorgde voor melaatsen,
Don Bosco had aandacht voor jongeren,
Elisabeth van Thüringen verkocht al haar bezit
om zieken te verzorgen ...
Wat deze mensen
en de duizenden die niet vernoemd werden
met elkaar verenigt
is hun inspiratiebron: Jezus van Nazaret.
Hij wees hun de weg naar geluk
een geluk dat ze bij de anderen vonden
die ze wilden gelukkig maken:
minder ziek, meer kansen, meer waardering.
Jezus bleef consequent prediken
over het rijk van God, zijn Vader,
in al wat Hij zei en in wat Hij deed.
Niet iedereen kon zich daarin vinden.
Ook toen stond het geluk van de medemens
niet vanzelfsprekend bovenaan.
Het werd zijn dood
Het werd ook zijn verrijzenis.
Tot op vandaag volgen mensen zijn weg.
Geen gemakkelijke weg!
Een weg die veel inspanning vraagt!
Maar vooral een weg die het leven beter maakt:
een weg die uitzicht biedt.
Tot de weg aankomt in het rijk van God,
een rijk van liefde, vrede, rechtvaardigheid
een rijk waarin het goed is om te leven.
Chantal Leterme
... VERSCHILLEN
De regenworm
(C.LETERME, Een parel voor elke dag, Averbode 2007, p. 89)
Er was eens een kleine regenworm.
Zo'n regenworm bestaat uit kleine ringen,
die elkaar voortstuwen, elkaar voeden,
en samen de grond vol gaatjes boren
zodat die goed kan ademen.
De kleine regenworm was trots op zijn werk.
Op een dag kreeg de laatste ring een idee:
'Ik wil ook wel eens vooraan graven,' zei die.
En hij begon in de andere richting te graven,
tot grote verbazing van de andere ringen.
Maar ook zij wilden wel eens de eersten zijn.
En zo begon iedere ring zelf eerst te graven.
De kleine regenworm kronkelde zich in alle bochten.
Elke ring trok in een andere richting.
Meer nog,
ze gaven geen voedsel meer aan elkaar,
want ze wilden zelf
zoveel mogelijk groeien en sterk worden,
ook al moesten de anderen hiervoor uitdrogen.
Ze waren helemaal vergeten
dat zij van elkaar afhingen.
Korte tijd later,
lag de regenworm te sterven.
Arme regenworm!
Nu gaat mijn sympathie niet zo direct naar regenwormen
maar in dit geval heb ik wel te doen met dit regenwormpje.
Natuurlijk kun je me zeggen:
‘Dat is maar een verhaal, in het echt gebeurt dat niet.’
Maar iedereen die dit verhaal leest weet:
'‘t Is misschien niet echt gebeurd, toch zit er veel waarheid in.’
Want zo'n verhaal is handig om harde waarheden te zeggen
en een spiegel voor te houden
van een gedrag dat voor verandering vatbaar is.
Paulus schreef ook zo’n verhaal aan de christenen van Korinte.
Hij had die bruisende havenstad bezocht,
en onder zijn impuls waren een aantal mensen christen geworden,
maar dan op zijn ‘Korintisch’:
elk vond zijn eigen manier van denken en geloven de beste.
Nu had Paulus wel aan die christenen gezegd
dat verscheidenheid een rijkdom was. Daar stond hij nog steeds achter,
maar in Korinte gingen ze daar te uitbundig mee om:
iedereen had zo zijn eigen manier om christen te zijn,
zonder rekening te houden met de wegen van de anderen,
Bovendien waren ze uit het oog verloren
dat Jezus Christus zelf het grote licht was
waar ze zich moesten naar richten.
Dat maakte hij hun duidelijk met een verhaal
waarbij de delen van het lichaam elk hun eigen weg wilden gaan.
Of Paulus met zijn verhaal het gewenste effect had,
kunnen we niet meer nagaan.
Maar de christenen in Korinte vonden het wel de moeite waard
want de brief met dit verhaal hebben ze zorgvuldig bewaard,
zodat die uiteindelijk in de Bijbel terecht kwam.
Ook nu nog kan dit verhaal inspireren
om meer aandacht te hebben
voor wat mensen bijeenbrengt en bijeenhoudt,
zowel thuis, in de familie, in de parochie als op school,
en alles wat we doen daarop af te stemmen.
Chantal Leterme
De tuin zonder fouten
(C. LETERME, Een parel voor elke dag, Uitgeverij Averbode, 2007, p. 277)
Er was eens een man
die rond zijn huis
een grote tuin had aangelegd.
Allerlei bomen en planten, struiken en bloemen
stonden in volle bloei.
Op een dag ging hij wandelen in zijn tuin.
Hij bekeek de bomen in volle bloei.
Toen zag hij een jong perenboompje,
met de vijf eerste peren.
Maar wat zag hij daar?
Een peer met een rups erin!
Een fout in zijn tuin!
De man liet alle perenbomen omhakken.
Toen kwam hij bij de struiken
en tot zijn schrik zag hij,
dat één van die struiken erg klein bleef.
Weer een fout!
De man liet alle struiken verwijderen.
Toen kwam hij bij de bloemen.
Hij zag dat er een paar hun kopjes lieten hangen.
‘Weer een fout!’ zei hij,
en hij liet alle bloemen verwijderen.
Toen ging hij naar binnen.
Vanuit het keukenraam wilde hij nog één keer
naar z'n tuin kijken.
Hij schoof het gordijn opzij en keek naar buiten!
Toen zag hij
dat hij helemaal geen tuin meer had!
Amish-vrouwen zijn bekend om hun prachtig patchwork
dat ze maken met effen gekleurde stukjes stof.
Maar geen van die kunstwerken is zonder een fout.
Een bewuste keuze, zeggen die vrouwen,
want perfectie hoort bij God, en wij zijn mensen.
Dat kan natuurlijk ook een galante manier zijn
om mogelijke fouten goed te praten ...
Maar stel je eens die perfecte wereld voor.
Het verhaal hierbij doet dat.
Meteen valt op hoe vreselijk dat is.
Elk teken van leven moet eruit.
Nochtans ...
een kromme lijn is heel wat levendiger
dan een perfect rechte lijn die met een liniaal getrokken werd.
En stel je eens voor: een regenboog met maar één kleur,
of een tuin met overal hetzelfde groen,
of een schaduw die de hele dag door op precies dezelfde plaats valt ...
Of stel je voor dat alle mensen dezelfde zouden zijn:
met dezelfde huidskleur, hetzelfde krulletjeshaar,
dezelfde talenten, dezelfde onhebbelijkheden, dezelfde smaak ...
In zo'n wereld valt niets meer te ontdekken!
Daarom,
als iemand niet doet wat jij wilt,
of iemand zich heel anders gedraagt dan jij verwacht,
of een heel andere smaak heeft ...
Bedenk dan even hoe vreselijk de wereld zou zijn
als iedereen altijd en overal
hetzelfde zou willen of laten.
(1) De Amish zijn een godsdienstige sekte in de Verenigde Staten van Amerika. Ze leven heel sober en gebruiken geen elektriciteit.
Chantal Leterme
... VREDE
De man die om vrede ging
(C. LETERME, Een parel voor elke dag, Uitgeverij Averbode, 2007, p. 277)
De burgemeester maakte zich zorgen:
‘Waarom zijn de mensen in mijn stad zo ongelukkig?’
Een rondtrekkende fluitspeler zei: ‘Er is hier geen vrede.’
Toen riep de burgemeester iedereen bijeen op het stadsplein en vroeg:
‘Wil er iemand vrede gaan zoeken?’
Een oude tuinman stond op. ‘Ik zal wel gaan,’ zei hij.
Een paar weken later,
was hij nog steeds niet terug.
Zijn tuin stond vol onkruid.
Zijn stokoude buurvrouw kon het niet meer aanzien.
Met een hark en een schoffel ging ze aan de slag
in de tuin van haar buurman.
Een paar moeders zeiden tegen hun grote jongens:
‘Dat gaat niet, jullie de hele tijd voor de tv
en die oude vrouw maar in de tuin werken.’
‘Ach dat wil ze toch zelf,’ mopperden ze.
Maar na een tijd gingen ze toch stilletjes naar de tuin.
Het werk viel best wel mee.
Het werd zomer en alles groeide en bloeide.
De jongens hadden meer hulp nodig.
Hun vrienden wilden wel, maar niet als die of een ander erbij was.
‘Ho,’ riepen de jongens, ‘we hebben zoveel handen nodig,
dat het niet uitmaakt van wie ze zijn.’
De tuin werd een juweeltje.
De bloemen werden gebracht naar wie oud of ziek was,
en met de groenten en het fruit werd een groot feest gehouden.
Tijdens dat feest kwam de tuinman terug.
‘Ik heb nergens vrede kunnen vinden, zei hij.
‘maar het gekke is:
de laatste tijd stuurden ze me steeds naar hier als ik om vrede vroeg.’
Naar een verhaal van H. VAN UDEN
Als mensen denken aan vrede, denken ze: geen oorlog of geen ruzie.
Maar in de Bijbel wil het woord 'vrede' zeggen,
dat men het materieel goed heeft en men te-vrede-n is:
tevreden met zichzelf, met de anderen, met de natuur en met God.
Die vrede komt er niet zomaar: wie vrede wil, moet daaraan werken.
Daarom ook dat in het verhaal hierbij, de vrede pas gevonden wordt,
wanneer men zo handelt dat iedereen in de stad er tevreden bij loopt.
Het begint met: zien, aandacht hebben voor de ander.
Het heeft ook te maken met spijt hebben, verzoenen, liefhebben.
En met eigen grillen opzijzetten en rekening houden met de ander
op een manier dat men de ander respecteert
en hem niet aandoet wat men zelf ook niet wil.
Zei Jezus niet: 'Behandel de anderen steeds
zoals je zou willen dat ze jou behandelen.' (Matteüs 7, 12)
Dit komt erop neer dat men vooraleer men iets doet of zegt
men zichzelf eerst een tijd plaatst in de schoenen van die andere.
Zo worden onze dagen goed
omdat we onszelf goed voelen
in onze relatie tot onszelf, de andere, de natuur, God,
omdat we in harmonie leven met onze omgeving.
Dit wenste Jezus zijn leerlingen, toen Hij ze begroette met 'Vrede zij u'.
We wensen dat ook elkaar toe in de eucharistieviering.
Daarbij maken we met een handdruk, een wuivend gebaar of een kus duidelijk
dat we er helemaal achterstaan.
Maar bij al die lieve wensen mag men niet vergeten
dat wanneer men iemand vrede toewenst,
men zichzelf eigenlijk ook een opdracht geeft:
er alles aan doen om die vrede mogelijk te maken.
Chantal Leterme
... WAARDERING
De gebarsten kruik
(Naar: C. LETERME, Een parel voor elke dag, uitgeverij Averbode, 2007, p. 340)
Elke dag ging een waterdrager naar de rivier
om water te halen voor zijn meester.
Aan een houten juk droeg hij twee kruiken.
De ene kruik was zo goed als nieuw,
de andere was oud en gebarsten.
Daarom was de helft van deze kruik telkens leeg
als de waterdrager thuiskwam.
Dat deed de oude kruik veel verdriet.
Op een dag zei de oude kruik tegen de waterdrager:
‘Meester ik schaam me.’
‘Waarom?’ vroeg de waterdrager.
‘Omdat ik niet kan doen wat je andere kruik kan.
Die levert je dagelijks
een volle kruik water af,
terwijl ik onderweg
steeds water verlies.’
‘O,’ zei de waterdrager, ‘maar dat wist ik al lang.
Toch heb ik je nooit willen vervangen.
Zijn je die mooie bloemen langs de weg dan nooit opgevallen?
Ze groeien alleen maar aan jouw kant.
Enige tijd geleden heb ik daar zaad uitgestrooid,
en jij hebt ze elke dag begoten.
Nu kan ik er voor mijn meester
een prachtig boeket bloemen van plukken.’
(Naar een verhaal uit India)
Een waterdrager had twee kruiken die hij elke dag vulde met water.
De nieuwe kruik zorgde telkens voor een volle kruik water.
De gebarsten oude kruik zorgde elke dag voor een halve kruik water.
Het water in de nieuwe kruik zorgde ervoor
dat de mensen in het huis van de meester
te drinken hadden, zich konden wassen en verfrissen.
Het water dat onderweg uit de oude kruik drupte
zorgde ervoor dat bloemen en planten onderweg
elke dag wat water kregen.
Zo kon de waterdrager voor zijn meester
een prachtig boeket plukken.
Beide kruiken zorgden op hun manier voor levenskwaliteit.
En de oude kruik, die de helft van het water onderweg verloor?
Die maakte zich zorgen omdat de barst het onmogelijk maakte
om alle geputte water op de bestemming te krijgen.
De waterdrager had dat al veel eerder gezien,
maar deed de oude kruik niet weg!
Want die had kwaliteiten die het leven aangenamer maakten.
Een verhaal dus over het belang van water
én over het belang van mensen die oog hebben
voor de goede kanten van wat onvolkomen is.
Chantal Leterme
... VRIENDSCHAP
Het gebed van een vriend
(C. LETERME, 99 verhalen met een knipoog, uitgeverij Averbode, 2014, p.164-165)
Het stormde heel hard en het schip verging.
Twee vrienden waren de enige overlevenden.
Ze spoelden aan op een verlaten eiland.
Ze doorzochten het helemaal,
maar vonden nergens wat om te eten.
Het enige wat ze nog konden doen,
was bidden en hopen.
De ene vriend begon te bidden
en vroeg aan God om een fruitboom.
De volgende dag vond hij
een appelboom vol heerlijke appels.
's Avonds probeerde hij opnieuw
de kracht van zijn gebed.
Hij vroeg een huis om in te wonen.
De volgende dag spoelde zoveel wrakhout aan
dat hij er een hutje mee kon bouwen.
Avond na avond bad de man
en elke keer bood het strand hem wat nieuws.
Toen vroeg de vriend zich af:
- Misschien kan ik ook bidden voor een schip
dat mij terug naar huis kan brengen.
De volgende dag strandde er een sloep op het eiland.
De roeispanen lagen er nog in.
De man dankte God
en maakte zich klaar om weg te varen.
Maar toen donderde het uit de hemel:
- Waarom neem jij je vriend niet mee?
- Ik heb hier toch om gebeden, zei de man verbaasd.
De gebeden van mijn vriend
werden blijkbaar niet verhoord.
Dus moet hij ook niet gered worden.
- Je vergist je. Je vriend had maar één gebed.
- Wat was dan het gebed van mijn vriend,
dat ik hem nu zou moeten helpen?
- Het enige waar je vriend om vroeg,
was dat jouw gebeden verhoord zouden worden.
Zeggen wat vriendschap is,
is al even moeilijk als zeggen
wat liefde is of verliefdheid …
Wat liefde, verliefdheid en vriendschap
gemeenschappelijk hebben,
is dat de ander een heel belangrijke plaats krijgt.
Vrienden houden rekening met elkaar,
zijn bezorgd om elkaar.
Het geluk van de vriend is het eigen geluk.
Wie alleen aan zichzelf denkt
is geen vriend voor zijn vriend.
Een echte vriend laat je nooit in de steek.
Voor een echte vriend
is er altijd vanzelfsprekend plaats
in de sloep van het leven.
Chantal Leterme
Lees meer over vriendschap
Vriendschap
(Naar: C. LETERME, Een parel voor elke dag, uitgeverij Averbode, 2007, p. 235)
Op een dag kwam een man zijn beste vriend tegen.
Maar die keek hem zo kwaad in de ogen
en slingerde zo’n vreselijke woorden in zijn gezicht,
dat zijn hart er pijn van deed.
De man stond als aan de grond genageld
en vroeg zich af:
‘Wat heb ik verkeerd gezegd?
Heb ik hem soms iets verkeerd gedaan?’
Er kwam een wijze man voorbij.
Die zag zijn grote verdriet
en vroeg: ‘Wat is er gebeurd?’
De man zei: ‘Vandaag was mijn vriend heel kwaad tegen me.’
‘Hoelang is hij al je vriend?’ vroeg de wijze.
‘Al tien jaar! Elke dag zocht hij me op.
Hij was goed voor mij.
Vandaag was hij voor het eerst kwaad op mij.’
‘Tien jaar?
Hoeveel dagen is dat?’ vroeg de wijze.
De man dacht even na en zei:
‘3652 dagen.’
Toen zei de wijze:
‘Trek de dag waarop hij zich kwaad heeft gemaakt
af van die 3652 dagen.
Je zult zien dat hij nog heel veel vriendschap van jou mag krijgen.’
(Naar een Muzelmaans verhaal)
Er wordt al eens gezegd: ‘’t is stil waar het nooit waait’.
Daarmee wil men duidelijk maken
dat er overal wel spanningen kunnen voorkomen
en dat dit eigenlijk niet zo’n drama is.
De vriend uit het verhaal hierbij
had daar duidelijk nog nooit van gehoord
en nam het zijn vriend erg kwalijk
dat hij zo slecht gezind was.
Het gebeurt vaker dat mensen om welke reden ook
niet reageren zoals we dat graag zouden willen.
Daar kunnen verschillende redenen voor zijn.
Redenen die niet altijd uitgesproken worden.
Gelukkig kwam de ene vriend
een wijze man tegen op zijn levensweg.
Die liet hem zo rekenen
dat hij een zicht kreeg op het aantal dagen vriendschap.
Zo kwam de vriend erop uit
dat die ene dag veel minder vriendschap
uiteindelijk niet kon opwegen
tegen de vele andere dagen vol vriendschap.
Nooit gedacht dat zo’n elementair rekenwerk
van optellen en aftrekken,
een hulpmiddel kon zijn bij het relativeren van spanningen.
’t Is stil waar het nooit waait!.
Chantal Leterme
... WERKEN
De drie sjouwers
(C. LETERME, Een parel voor elke dag, uitgeverij Averbode, 2007, p. 249)
Er waren eens drie sjouwers
die hard moesten werken.
Ze moesten zware stenen dragen.
Een vreemdeling kwam voorbij
en vroeg aan de eerste:
‘Wat ben je aan het doen?’
‘Zie jij niet dat ik mij kapot werk
voor een hongerloon?’ zei hij.
Toen stapte de vreemdeling
naar de volgende sjouwer
en stelde hem dezelfde vraag.
‘Ik verdien de kost voor vrouw en kinderen
en dat geeft mij de kracht
om dit harde werken vol te houden’
antwoordde hij.
De laatste van de drie kwam fluitend voorbij
met een nieuwe vracht stenen op zijn schouders.
De vreemdeling stelde hem dezelfde vraag.
‘Wat ik doe?
Maar mijnheer, dat zie je toch!
Ik bouw samen met mijn vrienden een kathedraal.’
Mensen kunnen op verschillende manieren naar hun werk kijken:
Het is een noodzakelijk kwaad om in leven te kunnen blijven.
Geen werk? Geen inkomen! Geen brood op de plank!
Geen werk? Dagenlang sleutelen om de eindjes aan elkaar te knopen.
Anderen werken voor hun gezin.
Met wat ze verdienen kan hun gezin een fijn leven leiden.
Er is eten, kleding ... Ze kunnen op vakantie ...
Er zijn er ook die de motivatie voor hun werk vinden in het werk zelf.
Met hun werk bouwen ze aan een wereld met mensen die gezond zijn,
of bekwaam of die in een mooiere omgeving kunnen wonen.
Dat is de kathedraal in het verhaal. Het werk lijkt er lichter door.
De man die zo naar zijn werk keek, ging fluitend voorbij.
En tegelijk verdiende hij zijn brood en kon hij voor zijn gezin zorgen.
Kinderen en jongeren gaan terug naar school.
Alle media hebben het erover.
Ze bekijken die school op verschillende manieren:
De school is een vloek! Ze moeten er naartoe!
Hun leeftijd laat hen geen andere keuze.
Ze vervelen er zich dood! Het is er oersaai!
De school is als een zegen! Ze ontmoeten er vrienden,
verruimen er hun belangstelling,
kunnen er hun talenten ontwikkelen.
Zowel het werk als de school worden daardoor niet anders.
Maar wat een verschil als men werk en school ziet
als 'werken aan een nieuwe wereld'.
Chantal Leterme
... ZONDE
De draad
(C. LETERME, Een parel voor elke dag, uitgeverij Averbode, 2007, p. 181)
Een oude rabbi vertelde:
‘Ieder mens
is met God verbonden
door een draad.
Telkens iemand een fout maakt,
breekt de draad.
Maar als men spijt heeft van zijn fout,
dan maakt God de draad weer heel
met een knoop.
Daardoor wordt de draad
wel korter dan voordien.
En komt de mens die fout handelde
dus een beetje dichter bij God!
Zo komen de mensen
van fout tot spijt,
van knoop tot knoop
steeds dichter bij God.
Zelfs zonden
zijn dus nog ergens goed voor!’
Naar een Joods verhaal
(Naar een Joods verhaal)
Fouten maken, iedereen doet het!
Bewust of onbewust …
mensen laten steken vallen!
Ze schieten tekort
in hun relatie met hun medemens,
in hun houding tegenover de natuur ...
Typisch voor christenen is dat ze dan spreken over ‘zonde’.
Want door die fouten komen ze los van God te staan.
Het verhaal hierbij heeft het over het breken van een draad.
De draad die de band met God mogelijk maakt
wordt door die tekortkomingen verbroken.
Niet alleen is de band met de medemens kapot, ook die met God.
En wat zegt nu die oude rabbi?
Als men spijt heeft van zijn zonde
knoopt God de kapotte draad terug aan elkaar!
Want zich realiseren dat men de andere tekortgedaan heeft
en daardoor ook de band met God verbroken heeft,
is de eerste stap naar verzoening en realisatie van wat God wil.
Die allereerste stap naar verzoening is de moeilijkste.
Maar misschien zijn de tweede of de derde stap ook moeilijk.
Toch wordt het daardoor uiteindelijk meer hemel op aarde.
En zo komt de oude rabbi tot het ongelooflijke besluit
dat zelfs zonden ergens goed voor zijn
als men er spijt over heeft.
Chantal Leterme