Loading...
 

Hosea 10, 1-3 . 7-8 . 12

Hosea 10, 1-3 . 7-8 . 12:De vruchten van de wijnstok

De tekst

’Bijbel in gewone taal’

(Deze Bijbeltekst komt uit de Bijbel in Gewone Taal, © Nederlands Bijbelgenootschap 2014, p. 1447-1448)

Het ging heel lang goed met het volk van Israël. Israël leek op een prachtige druivenplant, die groeit en steeds meer druiven krijgt.
Hoe beter het met de Israëlieten ging, hoe meer altaren ze bouwden. Hoe rijker de mensen werden, hoe mooier ze de heilige stenen gingen versieren.
Maar die altaren en die stenen gebruikten ze om afgoden te dienen! Zo hebben ze de Heer bedrogen. Daarom zullen ze gestraft worden. De Heer zal hun altaren afbreken, en hij zal hun heilige stenen kapotslaan.
Een koning zal het volk niet helpen
De Israëlieten zullen zeggen: ‘We zijn gestraft omdat we geen eerbied hadden voor de Heer. Daarom hebben we nu geen koning meer. Maar een koning kan toch niets voor ons doen!’ (...)

Dan is het afgelopen met de koning van Israël. Hij zal meegenomen worden door de Assyriërs. En waar nu altaren staan, groeien straks allemaal doornstruiken. Want alle offerplaatsen zullen vernietigd worden, die verschrikkelijke plaatsen waar de Israëlieten hun afgoden vereren. Dan zullen de mensen tegen de bergen roepen: ‘Bedek ons toch!’ En tegen de heuvels: ‘Val toch op ons neer!’ (...)

Zo’n koe doet wat de boer wil. Net zo moeten jullie voortaan doen wat ik wil. Wees eerlijk en trouw. Leef volgens mijn wetten. Het is nu tijd om mij, de Heer, te zoeken. Dan kom ik naar jullie toe, en dan zorg ik dat het goed met jullie gaat.



Dichter bij de tijd

(Bewerking: C. Leterme)

Israël was een weelderige wijnstok,
die ook overvloedig vruchten droeg.
Hoe meer vruchten hij droeg, hoe meer altaren Israël bouwde.
Hoe rijker zijn land, hoe rijker de versiering van zijn gewijde stenen.

Omdat ze zo bedrieglijk waren, zullen ze ervoor boeten.
God zelf maakt hun altaren kapot en verbrijzelt de gewijde stenen.
Echt waar, dan zullen ze zeggen: 'We hebben geen koning meer.
Maar een koning kan toch niets voor ons doen
want wij hadden toch geen respect voor God.'
(…)
Samaria is tot zwijgen gebracht.
Zijn koning is als een afgebroken tak die op het water drijft.
De gruwelhoogten worden verwoest, tekens van de zonde van Israël.
Doornen en distels overwoekeren hun altaren.
Dan roepen ze de bergen toe: 'Bedek ons!'
en de heuvels: 'Val op ons neer!'
(…)
Zaai rechtvaardigheid, dan zullen jullie goedheid oogsten.
Ontgin het braakland.
Het is nu de tijd om God te smeken,
dat Hij komt en goedheid over jullie laat regenen.



Stilstaan bij …

Bedrieglijk
De altaren die Israël bouwde, dienden om de Baäl te vereren en niet Jahwe.

Gewijde stenen / wijstenen
Deze stenen vertegenwoordigden de Baäls, mannelijke goden in de Kanaaänitische godsdienst. Joodse wetten verboden deze stenen te vereren.
In de Bijbel komen ze vooral voor als herdenkingsstenen, stenen die een verschijning van God wilden herinneren of een overledene.

Koning
In deze context zou het kunnen dat met ‘koning’ de Kanaäntische god Baäl bedoeld wordt.

Gruwelhoogten
Hiermee bedoelt Hosea de hoogtes in het landschap (bergen / heuvels) waar de altaren op staan.