Loading...
 

19e zondag door het jaar B - evangelie

Johannes 6, 41-51: Ik ben het brood

De tekst

’Bijbel in gewone taal’

(Deze Bijbeltekst komt uit de Bijbel in Gewone Taal, © Nederlands Bijbelgenootschap 2014, p. 1685)

De Joden begonnen te protesteren, omdat Jezus over zichzelf zei: ‘Ik ben het brood dat uit de hemel gekomen is.’
Ze zeiden tegen elkaar: ‘Hij is toch Jezus, de zoon van Jozef? We weten precies wie zijn vader en moeder zijn. Hoe kan hij dan beweren dat hij uit de hemel gekomen is?’
Jezus zei tegen hen: ‘Houd op met protesteren! De Vader heeft mij gestuurd. Alleen de mensen die hij naar mij toe brengt, kunnen bij mij komen. Als het einde van de wereld komt, zal ik hen laten opstaan uit de dood. Dit staat in de heilige boeken: «God zal hun allemaal leren hoe ze moeten leven.» Iedereen die dat van de Vader wil leren, komt bij mij. Want niemand heeft ooit de Vader gezien, behalve de Zoon. Hij komt bij God vandaan.’
Jezus zei verder: ‘Luister heel goed naar mijn woorden: Wie in mij gelooft, krijgt het eeuwige leven. Ik ben het brood dat eeuwig leven geeft. Jullie voorouders aten in de woestijn manna, brood dat uit de hemel kwam. Toch zijn ze allemaal gestorven. Maar het ware hemelse brood is anders: wie daarvan eet, zal niet sterven. Ik ben het hemelse brood dat leven geeft. Iedereen die van dat brood eet, zal eeuwig leven! Het brood dat ik zal uitdelen, is mijn eigen lichaam. Ik zal sterven om de mensen het leven te geven.’



Dichter bij de tijd

(C. LETERME, Map Bijbel in 1000 seconden, fiche die hoort bij Johannes 6, 41-51)

In die tijd morren de Joden over Jezus.
Want Jezus heeft gezegd:
"Ik ben het brood dat uit de hemel is neergedaald."
Ze zeggen: 'Dat is toch Jezus, de zoon van Jozef?
Wij kennen zijn vader en moeder -
Hoe kan Hij dan zeggen:
"Ik ben uit de hemel neergedaald?” '
'Mor toch niet zo onder elkaar,' zegt Jezus,
'Niemand kan tot Mij komen
als de Vader die Mij zond, hem niet trekt
en Ik zal hem doen opstaan uit de dood op de laatste dag.
Er staat geschreven bij een van de profeten:
"Iedereen zal God als leraar hebben.
Al wie naar de woorden van de Vader luistert
komt tot Mij.
Dat wil niet zeggen
dat iemand de Vader heeft gezien:
alleen Hij die van God komt,
heeft de Vader gezien.
Echt waar, echt waar, Ik zeg u:
wie gelooft, heeft eeuwig leven.
Ik ben het brood dat leven geeft.
Uw vaderen hebben in de woestijn manna gegeten.
Toch zijn ze gestorven.
Maar dit brood daalt uit de hemel.
Wie ervan eet, zal niet sterven.
Ik ben het levende brood dat uit de hemel is neergedaald.
Als iemand van dit brood eet,
zal hij leven in eeuwigheid.
Het brood dat Ik zal geven is mijn vlees.
Ik geef het voor het leven van de wereld.”



Stilstaan bij…

Morren
In het Oude Testament morde het volk tijdens de uittocht uit Egypte, wegens hun gebrek aan geloof en vertrouwen in God.

Joden
In het evangelie van Johannes worden met 'joden' de joodse leiders bedoeld die Jezus niet als de Messias erkenden. Zij vonden Jezus en zijn volgelingen gevaarlijk omdat zij ook Romeinen toelieten tot de kinderen van Gods volk, zonder dat zij zich moesten aanpassen aan de joodse zeden en leefregels.

Brood
Als basisvoedsel is brood een beeld voor leven. Brood en leven liggen zo dicht bij elkaar dat mensen die iets nodig hebben om in leven te blijven, zeggen: 'Ik heb dat broodnodig'. Zo spreekt Johannes over Jezus als 'Het brood van het leven' (Johannes 6, 35).

Uit de hemel
In de Bijbel is ‘hemel’ de naam voor de plaats waar God woont.
Met hemel bedoelt men nu: leven bij God, één zijn met God. Als men gelooft dat God iets goeds begon met de wereld en met de mens, dan gelooft men ook dat dit over de dood heen verder gaat.

Neerdalen
Dit woord herinnert aan het manna dat 'uit de hemel' neerdaalde tijdens de veertigjarige tocht van de Israëlieten door de woestijn.

Jozef
(Hebreeuws = moge God er nog meer aan toevoegen)
Matteüs zegt dat Jozef de zoon van Jacob was, Lucas zegt dat hij de zoon van Eli was.
Jozef was een timmerman. Behalve in het begin van het evangelie van Matteüs wordt in de evangelies zo goed als niet over Jozef gesproken. Misschien was hij al overleden toen Jezus in het publiek optrad.

Vader
Typische manier waarmee Jezus God aanspreekt. Door God zijn vader te noemen, wordt duidelijk dat Jezus de zoon van God is. Wanneer zijn volgelingen God ook als Vader mogen noemen, zijn zij dus zonen of dochters, kinderen van God. Een verwantschap die een hele opdracht in zich draagt.

Laatste dag
Hiermee wordt het einde der tijden bedoeld. Soms heeft men het ook over de jongste dag.

Profeet
(Grieks = ‘spreker voor of in naam van een ander’)
Een profeet spreekt in naam van God: hij kan goed nieuws brengen. Dan verwoordt hij Gods beloften van zegen en geluk. Hij kan ook een concrete situatie aanklagen. Hij roept dan op om die te veranderen, en om te keren vanuit Gods droom over de wereld. Heel wat profeten werden niet graag gezien omdat ze dingen zegden die de mensen niet graag hoorden.

Eeuwig leven
Voor de joden was dit een leven bij God, de samenvatting van al wat goed is.

Woestijn
Een dor, onvruchtbaar gebied waar het joodse volk in zijn geschiedenis vaak God heeft ontmoet. In de Bijbel is een woestijn de plaats waar men zich voorbereidt op een nieuwe taak.





Bij de tekst

Brood uit de hemel

De toehoorders van Jezus komen er niet toe Jezus te zien als 'het brood dat uit de hemel is neergedaald'.

Het woord van God / Jezus wordt gezien als voedsel voor onderweg.
Zoals mensen brood nodig hebben om in leven te blijven, zo is Jezus nodig voor het geluk van de mensen.



Spreken met beelden

Ik ben de wijnstok
Ik ben de weg
Ik ben de goede herder
Ik ben de deur
Ik ben het licht
...

Johannes vertelt vaak verhalen die niet 'echt gebeurd' zijn of gebruikt woorden die niet echt uitgesproken zijn, om zo beter te kunnen uitdrukken wat Jezus voor de mensen betekende. Zo laat hij Jezus zelf zeggen wie Hij is aan de hand van beelden uit het dagelijks leven.



Wortels in het Oude Testament

Ik ben
Hiermee verwijst Johannes naar de naam van God in het Oude Testament ('Ik ben die Ik ben').


Morren / Manna
De Israëlieten trokken verder en bereikten de woestijn.
Daar begonnen ze te morren tegen Mozes en Aäron:
- Waren we maar gestorven in Egypte,
waar we bij de vleespotten zaten en volop te eten hadden.
U hebt ons alleen maar naar de woestijn gebracht om ons van honger te laten omkomen.
Toen zei God tot Mozes:
- Ik heb het gemor van de Israëlieten gehoord. Dit moet u hun zeggen:
Tegen de avond kunt u vlees eten en morgenochtend zult u volop brood hebben.
Dan zult u weten dat Ik uw God ben.
Toen het avond was kwamen er kwartels aangevlogen en vielen neer over heel het kamp.
De volgende ochtend hing er dauw rondom het kamp.
En toen die was opgetrokken lag er over de woestijn een fijne korrelige laag,
alsof de grond met rijp was bedekt.
- Wat is dat? vroegen de Israëlieten aan elkaar. Ze wisten werkelijk niet wat het was.
- Dit is het brood dat God u te eten geeft, zei Mozes.
En God heeft gezegd dat ieder er zoveel van mag nemen als hij voor zijn familie nodig heeft.
De Israëlieten deden dat. De een verzamelde meer, de ander minder.
- Er mag niets bewaard worden voor de volgende dag, zei Mozes.
Maar sommigen stoorden zich daar niet aan en bewaarden toch iets tot de volgende dag.
Toen zat het vol wormen en stonk het afschuwelijk. Mozes was woedend.
Iedere ochtend opnieuw verzamelden zij het, ieder zoveel als ze nodig hadden.
Zodra de zon warm begon te worden smolt het weg.
Op de zesde dag vonden zij een dubbele hoeveelheid brood.
- Zo heeft God het bepaald, zei Mozes. Morgen is het sabbat, de dag die gewijd is Hem.
Bak en kook wat u nodig hebt. Wat overblijft moet u opzij leggen en bewaren voor morgen.
Zij deden dat. Deze keer stonk het niet en zaten er geen wormen in.
Op sabbat rustte het volk. Israël noemde het brood manna.
Het was wit als korianderzaad en smaakte naar honingkoek.
(Naar exodus 16)


Morren: dit morren maakt het ongeloof en het gebrek aan vertrouwen van de Israëlieten tijdens de woestijntocht duidelijk.

Manna, het 'hemels brood', drukt de dagelijkse zorg uit van God voor de mensen. In Johannes 6, 41-51 staat dat Jezus dat brood is.


Voedsel
Na een tocht van een dag in de woestijn kwam Elia bij een bremstruik. Hij ging eronder zitten. Hij wilde sterven en zei: ‘Het wordt mij teveel, God. Laat mij sterven want ik ben niet beter dan mijn voorvaders.’ Daarna ging hij onder de bremstruik liggen en sliep in. Maar opeens stootte een engel hem aan en zei tegen hem: ‘Sta op en eet.’ Hij keek op en daar zag hij aan zijn hoofdeinde een koek, op gloeiende stenen gebakken, en een kruik water. Hij at en dronk en viel weer in slaap. Maar opnieuw, voor de tweede maal, stootte de engel hem aan en zei: ‘Sta op en eet; anders gaat de reis uw krachten te boven.’ Toen stond hij op, at en dronk, en gesterkt door dat voedsel liep hij veertig dagen en nachten, tot hij de berg van God, de Horeb bereikte.
(1 Koningen 19, 4-8)

Klik hier voor info en suggesties bij deze tekst.

Het voedsel en de drank die Elia krijgt, verwijzen naar het woord van God, dat de profeet voedt en kracht geeft.





Suggesties

Grote kinderen

SPREKEN MET BEELDEN

'Als iemand van dit brood eet ...'

Als je deze zin letterlijk leest, dan kan die verwijzen naar de communie.
Lees je deze zin figuurlijk, dan kan ze verwijzen naar de lezingen in de eucharistie.
Klik hier voor meer info bij dit sacrament.





DOEN

Zoutdeeg

Benodigdheden
een kopje bloem
vier eetlepels zout
zes eetlepels water
een theelepel slaolie
plastic-folie
beslagkom en een lepel
Eventueel: kleurstof (Bv: cacao), vernis


Werkwijze
Roer de bloem en het zout in de kom door elkaar. Voeg het water en de olie beetje bij beetje toe. Voeg er eventueel wat kleurstof aan toe. Kneed het deeg daarna nog minstens vijf minuten. Rol het daarna op tot een bal, pak het goed in in plasticfolie en laat het minstens 30 minuten rusten in de koelkast of op een andere koele plaats. Gebruik het zoutdeeg daarna als klei.

Verwarm de oven voor op 100 graden.
Bak zes tot zeven uur voor het brooddeeg helemaal droog is.

Lak het werk met vernis om het een mooie glans te geven.





ZINGEN / BELUISTEREN

Het lied van het brood

(Huub Oosterhuis)

Het brood in de aarde gevonden;
het brood door handen gemaakt
het brood van tranen en zorgen;
dat brood dat naar mensen smaakt

Het brood van oorlog en vrede;
dat dagelijks eendere brood
het vreemde brood van de liefde;
het stenen brood van de dood

Het brood dat wij duur verdienen;
ons lichaam ons geld en goed
het brood van ons samen leven;
die schamele overvloed.

Dat brood dat wij moeten eten;
om niet verloren te gaan
wij delen het met elkander;
ons hele mensen bestaan

Gij deelt het met ons, zo deelt Gij;
u zelf aan ons uit voorgoed
een mens om nooit te vergeten;
een god van vlees en bloed.





EXTRA

Vijf zondagen na elkaar wordt uit het evangelie van Johannes gelezen, waarvan vier zondagen heel nadrukkelijk over brood gaan en over de betekenis van dat brood.
Daarom kun je de suggesties bij die evangelies van die zondagen gemakkelijk door elkaar gebruiken:
evangelie van de 17e zondag door het jaar B
evangelie van de 18e zondag door het jaar B
evangelie van de 19e zondag door het jaar B
evangelie van de 20e zondag door het jaar B





Jongeren

ONDERZOEKEN

'Een aardje naar zijn vaartje'

Jezus zegt dat God zijn Vader is.
Soms zeggen mensen: 'Je bent precies als je vader' of 'een aardje naar zijn vaartje'.
Zoek in het evangelie naar verhalen die over Jezus verteld worden en waarin Jezus doet als zijn Vader.





EXTRA

Vijf zondagen na elkaar wordt uit het evangelie van Johannes gelezen, waarvan vier zondagen heel nadrukkelijk over brood gaan en over de betekenis van dat brood.
Daarom kun je de suggesties bij die evangelies van die zondagen gemakkelijk door elkaar gebruiken:
evangelie van de 17e zondag door het jaar B
evangelie van de 18e zondag door het jaar B
evangelie van de 19e zondag door het jaar B
evangelie van de 20e zondag door het jaar B





Overwegingen

Frans Mistiaen sj

Jezus' levensbrood, teken van de liefdevolle, onzichtbare Vader

De Joodse voorvaderen hadden,
tijdens hun tocht door de woestijn, manna gevonden
en zij hadden dit beschouwd
als een geschenk "van boven", "uit de hemel".
Manna was voor hen een duidelijk teken geworden
van de reddende nabijheid van hun onzichtbare Jahweh-God.

Als Jezus Zichzelf nu vergelijkt met "manna uit de hemel",
dan verstonden Zijn Joodse toehoorders heel goed
dat Hij hiermee wilde zeggen dat Hij voor hen
de menselijk zichtbare Gezondene was van hun eeuwige God.
Maar dat konden zij niet aanvaarden.
Vandaar hun morrende reactie:
"Dat kan niet, want Hij is maar een gewone sterveling van bij ons".
Dit is nochtans het geloof waartoe zij - en ook wij nu -
worden uitgenodigd:
in de menselijke Jezus de Onzichtbare God ervaren.
En dit blijkt een moeilijke opgave voor de mensen van toen en van nu.

Voor de Joden van Jezus' tijd was het moeilijk
omdat zij, die zo dicht met Hem samenleefden,
alleen oppervlakkig keken
naar Zijn uiterlijke gestalte, Zijn gebaren en Zijn familierelaties.
Maar zij weigerden te kijken
naar de diepere kern van Zijn persoon:
Zijn vriendschap en verbondenheid met Zijn goddelijke Vader
en Zijn roeping om dus een hartelijke God te leren kennen
in plaats van de eisende en dreigende Jahweh.

Voor ons is het moeilijk omdat wij, in onze moderne wereld,
geleerd hebben alleen als echt te beschouwen
wat zichtbaar, meetbaar en proefondervindelijk controleerbaar is,
zodat wij dan ook heel vlug alles wat onzichtbaar is,
afwijzen als onecht, als een subjectieve illusie.
Wat een verenging is het toch, als wij niet meer,
doorheen hetgeen wij met onze zintuigen ervaren,
kunnen of mogen peilen naar de onzichtbare, geestelijke binnenkant
van onze wereld, die ook echt aanwezig is en bestaat.
Dat is wellicht één van de eerste opdrachten voor ons, gelovigen:
binnen onze moderne wereld van vandaag,
het onzichtbare - en daarin de Onzichtbare - leren zien en ervaren.

Wij moeten goed beseffen dat Jezus
een heel nieuw gelaat van die onzichtbare God
aan Zijn Joodse toehoorders toonde, en dus ook aan ons.

Door de strikte interpretatie van de Schriftgeleerden in die tijd
kenden de Joden toch vooral de driemaal heilige Jahweh-God
die hun strenge wetten en voorschriften oplegde
en hen dan ook dreigde te straffen voor hun ontrouw.
En wij in onze tijd hebben het nadeel God nog te dikwijls te ervaren
in de spectaculaire uitzonderlijke gebeurtenissen
van het lot of van de natuur.
Jezus vraagt dat wij de twee verkeerde opvattingen
uit onze verbeelding zouden schrappen:
zowel die “strenge, straffende”, als die “wisselvallige” God.
En Hij vraag dat wij van Hem leren hoe God echt is:
nl. een liefdevolle en hartelijke Vader, die niet dwingt of straft,
en die niet wisselvallig ingrijpt in onze natuurwetten.
De echte christelijke God biedt ons, zoals een Vader,
onvermoeibaar Zijn liefde aan
en blijft ons, vrije mensen, tot wederliefde uitnodigen
in alle omstandigheden van het toeval, de natuur of het leven.

Waar kunnen wij
de liefdevolle binnenkant van onze wereld leren zien?
Waar kunnen wij tastbaar ervaren dat die liefdevolle Vader-God
werkzaam bezig blijft onder ons?
Het evangelie van vandaag nodigt ons uit op te kijken
naar het Levensbrood van de Eucharistie
te midden van de christelijke gemeenschap.
Hier is meer dan gewoon brood.
Hier komt de liefdeskracht van God onder ons,
die echt leven betekent voor onze wereld.
Hier worden wij immers telkens opnieuw opgeroepen
om met Zijn liefdeskracht onze wereld verder op te bouwen
tot een meer rechtvaardige en liefdevolle gemeenschap.
Om onze christelijke God te ervaren, kunnen wij dus het best kijken
naar de kleine, hoopvolle tekens van menselijke goedheid
waarmee wij, christenen, proberen de wereld te verbeteren.
Wij krijgen daartoe de kracht
bij het ontvangen van Jezus' Levensbrood,
het grote teken van de liefdevolle Onzichtbare die ons bezielt.



Marc Gallant, trappist (Orval)

Brood uit de hemel

Johannes begint zijn evangelie met een stelling die alle Joden kunnen onderschrijven: “In het begin was het Woord, het Woord was bij God en het Woord was God” (Johannes 1, 1). God heeft immers op de Sinaï zijn “Tien Woorden” aan Mozes gegeven - het Hebreeuws heeft het niet over ‘tien geboden’, maar over ‘tien woorden’. Johannes gaat echter een stapje verder met het specifieke geloofspunt van het christendom: “En het Woord is vlees geworden” (Johannes 1, 14). God bemint ons, en Hij spreekt ons toe. Maar zo de liefde vraagt te spreken en zich uit te drukken, toch zijn woorden niet voldoende: de liefde wil er vooral samen zijn met de beminde. Zo God oneindige liefde is, dan wil hij oneindig met ons zijn, en overbrugt hij de afgrond die ons van hem scheidt. God komt met ons in ons menszijn. Dit is de logica van Jezus’ blijde boodschap. Liefde is altijd afdalen in de wereld van de ander. Zonder de incarnatie weet God alles wat er hoort bij het lijden, maar pas door de incarnatie kan Hij ervaren hoe het aanvoelt een van ons te zijn.

Men kan dit perspectief van Gods menswording slechts bijtreden als men echt gelooft dat God liefde is. Vergeet echter niet, zegt Jezus, dat het initiatief van dit geloof bij de Vader ligt: “Niemand kan tot mij komen, tenzij de Vader, die mij gezonden heeft, hem trekt” (Johannes 6, 44). Jezus stelt ons echter gerust, niemand zal uitgesloten worden, iedereen zonder uitzondering is uitgenodigd om te geloven : “als Ik van de aarde verheven ben, zal Ik allen tot Mij trekken” (Johannes 12, 32). Dat naar zich toetrekken is typisch voor Gods liefde: ”Met eeuwige liefde heb Ik u liefgehad, daarom is het uit vriendschap dat ik u tot mij trek”, zegt God tot Israël (Jeremia 31, 3). God trekt ons naar zich toe, wij behouden evenwel onze vrijheid van instemming. Kortom, Jezus gezonden door de Vader voor alle mensen, kan alleen ontmoet worden door hen die zich laten trekken, door hen die openstaan voor Gods gave.

In zijn proloog ook had Johannes geschreven: “Hij kwam naar de zijnen, maar wie van hem waren hebben hem niet ontvangen” (Johannes 1, 11). De Joden protesteren omdat ze de relatie niet zien van Jezus met zijn Vader, en ze weigeren in de zoon van Jozef iemand te zien die uit de hemel is nedergedaald. Jezus reageert door zich “het brood uit de hemel nedergedaald” te noemen, zoals hij dit reeds had gezegd (Johannes 6, 31-33). Begrijpen we de logica van dit antwoord: Jezus bewijst dat Hij de gave is van de Vader, uit de hemel nedergedaald, door de gave die Hij van zichzelf zal schenken in de eucharistie: “Het brood dat ik zal geven voor het leven van de wereld, is mijn lichaam” (Johannes 6, 51). Juist door zich te geven, bewijst Jezus dat hij de gave is van God. Die gave, die mogelijk zal worden met Jezus’ verrezen lichaam, is echter maar vatbaar voor het geloof. De symbolische diepte van deze gave zal overigens maar duidelijk worden daags voor de dood van de Heer, bij het laatste avondmaal: “Hij had de mensen die hem in de wereld toebehoorden lief, en zijn liefde voor hen zou tot het uiterste gaan” (Johannes 13, 1). Door zich te geven in de eucharistie geeft Hij ons zijn leven, zodat wij in Hem leven.
En zo kan de liefde de cirkel van de wederkerigheid sluiten: dat is haar eigenheid.