1 Samuël 26, 2.7-9.12-13.22-23: David spaart Saul
De tekst
’Bijbel in gewone taal’
(Deze Bijbeltekst komt uit de Bijbel in Gewone Taal, © Nederlands Bijbelgenootschap 2014, p. 441-442)
Saul maakte zich meteen klaar om David daar te gaan zoeken. Hij nam drieduizend van zijn beste soldaten mee.
(...)
Die nacht gingen David en Abisai het kamp van Saul binnen. Saul lag te slapen tussen Abner en zijn soldaten. Zijn speer stond naast hem, vlak bij zijn hoofd.
Toen zei Abisai tegen David: ‘God heeft ervoor gezorgd dat u vandaag uw vijand kunt doden! Laat mij Saul neersteken met zijn eigen speer. Ik hoef maar één keer te steken om hem te doden.’ Maar David zei: ‘Nee, je mag hem niet doden! Want de Heer heeft hem uitgekozen om koning te zijn. Als je hem doodt, dan zal de Heer je straffen.
(...)
Toen pakten ze de speer en de waterkruik die naast het hoofd van Saul stonden. Daarna gingen ze weg. Niemand zag het. Niemand merkte het. Niemand werd wakker. Iedereen in het kamp bleef slapen. Daar zorgde de Heer voor.
David ging naar de andere kant van het dal. Daar ging hij op de top van een heuvel staan. Hij stond zo ver mogelijk bij het kamp van Saul vandaan.
(...)
David zei: ‘Koning, ik heb hier uw speer. Stuur één van de soldaten om die op te halen. De Heer zal mijn eerlijkheid en trouw belonen. Want de Heer heeft ervoor gezorgd dat ik u vandaag kon doden. En toch heb ik u geen kwaad gedaan. Want u bent uitgekozen door de Heer. Hij heeft u koning gemaakt.
Dichter bij de tijd
(Bewerking: C. Leterme)
De volgende tekst – gebaseerd op de tekst in de Bijbel - is uitgebreider dan de tekst die in de liturgie wordt voorgelezen: ze laat ook kennismaken met de reactie van koning Saul op het gebeuren.
De Zifieten gingen naar koning Saul en vroegen:
‘Weet je dat David zich verbergt op de heuvel Chakila,
in het oosten van de woestijn?’
Toen ging Saul met drieduizend Israëlieten naar de woestijn
om er David te zoeken.
Boven op de heuvel Chakila sloeg de koning zijn kamp op.
David had gezien dat Saul hem tot daar gevolgd was
en stuurde spionnen om precies te weten waar Saul was.
Zo vernam hij dat Saul daar was
samen met Abner, zijn legeroverste.
Hun tent stond in het midden van het kamp.
Zodra David dat wist, wilde hij er naartoe.
'Achimelek en Abisai, wie van jullie twee
gaat er met me mee naar Saul?’ vroeg David.
Abisai zei: ‘Ik ga mee.’
Toen de twee mannen ‘s nachts bij het kamp aankwamen, sliep Saul al. Zijn lans stond bij zijn hoofd in de grond.
Abner en zijn mannen lagen in een kring om hem heen.
Abisai zei tegen David:
‘God zorgt ervoor dat je je vijand kunt doden.
Laat me hem met zijn eigen lans doden! Eén stoot! Meer is niet nodig!’
Maar David zei: ‘Nee, dood hem niet! Hij is de gezalfde van God.
Als je hem doodt, zal God je straffen.
Zowaar God leeft: God zal hem wel treffen.
Of van ouderdom, of in de strijd. Kom, we gaan terug.’
Voor hij vertrok nam David de lans en de waterkruik weg
bij het hoofd van Saul. Niemand zag het, niemand merkte iets, niemand werd wakker.
Iedereen bleef slapen, want daar had God voor gezorgd.
Toen David aan de overkant kwam,
ging hij op de top van een berg staan,
zodat er een grote afstand tussen hen was.
Van daar riep David naar het leger en naar Abner:
‘Geef een antwoord, Abner!’
Abner riep terug: ‘Wie is dat die tot de koning roept?’
David riep: ‘Je bent toch de belangrijkste soldaat in Israël.
Waarom bewaak je dan de koning niet?
Iemand heeft je koning willen doden. Je deed je werk niet goed.
Zowaar God leeft: je verdient de dood,
want je bewaakte de koning, de gezalfde van God, niet goed.
Kijk maar! Waar zijn de lans van de koning en de waterkruik
die bij zijn hoofd stonden?’
Saul herkende de stem van David en vroeg: ‘Ben jij dat, David?’
David antwoordde: ‘Ja, koning. Waarom vervolg je me toch?
Wat deed ik verkeerd? Luister even naar me.
Als God je tegen me opzet:
Hij laat zich dan verzoenen door de geur van een offer.
Als het de mensen zijn, dan mag God hen vervloeken,
want ze hebben me verjaagd
en houden me nu buiten het land van God.
Nee, laat me niet sterven, ver van het aanschijn van God.’
Toen zei Saul: ‘Ik deed verkeerd. Kom terug, David!
Ik zal je geen kwaad doen,
want je toonde vandaag erg veel eerbied voor mijn leven.
Ik ben dom geweest en heb mij zwaar misdragen.’
David antwoordde: ‘Hier is je lans, koning.
Stuur een van je mannen om die te komen halen.
God beloont eerlijkheid en trouw.
God had je vandaag aan me overgeleverd,
maar ik wilde geen kwaad doen tegen zijn gezalfde.
Zoals ik vandaag je leven kostbaar vond,
zo hoop ik dat je mijn leven kostbaar vindt
en me bevrijdt uit alle gevaar.’
Saul zei tegen David: ‘Gezegend ben je, David.
Je zult veel doen en tot veel in staat zijn.’
Toen ging David weg en Saul ging terug naar huis.
Stilstaan bij ...
Saul
De eerste koning van Israël. Hij regeerde rond 1030-1015.
Zijn dochter Mikal was getrouwd met David.
Abner
Deze neef van koning Saul was aanvankelijk legeroverste in het kamp van Saul in de strijd tegen David. Na de dood van Saul ging hij naar het kamp van David.
David
Tweede koning van Israël.
Lees meer …
Abisaï
(= ‘Vader is gave’)
Abisaï was een zoon van Seruja, de halfzus van David en een broer van Joab. Als veldheer versloeg hij de Ammonieten, onderwierp de Edomieten en doodde de Filistijnse reus Jisbibenob.
Diepe slaap / niemand werd wakker
Een manier om te zeggen dat God onzichtbaar werkzaam is.
Gezegend ben jij
Als Saul begrijpt dat David hem had kunnen doden, spreekt hij een zegen over David uit. Hij lijkt heel even de gebeurtenissen in een ander licht te zien en te beseffen dat de zegen van God krachtiger is dan zijn eigen wraakzucht.
Bij de tekst
Context
(naar een tekst van P. KEVERS in Kerk en Leven)
Deze tekst gaat over de jonge David, die later koning van Israël wordt.
David, een herder uit Betlehem is in dienst van koning Saul als muzikant en als wapendrager. Zijn successen in de strijd tegen de Filistijnen, en vooral zijn overwinning op de reus Goliat, leveren hem de sympathie op van het volk. Koning Saul kan dat echter niet goed verdragen. Hij wordt jaloers op David. Dit wordt zo erg dat Saul David gaat haten en hem probeert te doden. Daarom vlucht David weg van het hof en gaat met enkele trouwe medewerkers schuilen in de woestijn van Juda. Daar gaan koning Saul en zijn leger hem zoeken. Twee keer krijgt David de kans om de koning te doden. De eerste keer bij toeval, de tweede keer omdat hij daar zelf op uit is.
David en zijn mannen komen ’s nachts aan bij het kamp van koning Saul. De koning slaapt. Bij zijn hoofd steekt zijn lans in de grond en staat er een kruik water.
Abisaï, een neef van David, spoort David aan om Saul te doden. Hij zegt dat dit de wil van God is. Maar David gaat daar niet op in. Want wat Abisaï zegt, heeft niets met de wil van God te maken. David neemt wel de lans en de waterkruik weg die bij de slapende Saul staan. Voorwerpen die de macht en het leven van de koning symboliseren.
Achteraf toont hij ermee dat hij Saul geen kwaad wil doen. Zo wordt duidelijk dat Saul jacht maakt op David zonder reden.
Relatie met het Nieuwe Testament
Deze tekst kan doorgaan als een illustratie van de oproep van Jezus om van zijn vijanden te houden.
Spreken met beelden
Lans | Symbool voor de macht van Saul. |
Waterkruik | Symbool voor het leven: in een warm en droog land, is water nodig om in leven te blijven. |
Door het wegnemen van de lans en de kruik, maakt David duidelijk dat hij én de reputatie én het leven van Saul in handen heeft.
Suggesties
Grote kinderen
EVEN TESTEN
Plaatbespreking
- Vertel wat je ziet.
- Wie zijn deze personen?
- Wat zegt de man in het blauw tegen de man in het rood?
(Zou jij hetzelfde zeggen? Zeg ook waarom)
De juiste volgorde
Deze opstelling van legofiguurtjes stelt een passage voor uit 1 Samuel 26. Deze afbeelding komt uit ‘The brick testament’. Klik hier om de afbeeldingen bij dit verhaal te kunnen zien.
Print de afbeeldingen die jouw verhaal kunnen illustreren.
Vertel het verhaal aan de kinderen en maak gebruik van de afbeeldingen.
Haspel daarna alle afbeeldingen door elkaar.
De kinderen plaatsen ze in de juiste volgorde.
. Kinderen die nog niet kunnen schrijven, vertellen wat ze van het verhaal op de afbeelding zien.
. Kinderen die kunnen schrijven, schrijven bij de illustraties in een korte zin wat er gebeurt.
. Bij oudere kinderen kan het Engels op de afbeeldingen een interessant hulpmiddel zijn.
VERTELLEN
De nieuwe keizer
(Bewerking:C. Leterme, naar William Bausch, The Story Revealed, 2013. p.113)
Op een dag riep de keizer jongeren uit het hele rijk naar de hoofdstad.
Toen die op de binnenplaats van het keizerlijk paleis bijeen waren,
zei hij: 'Als ik sterf, wordt een van jullie de volgende keizer.
Mijn dienaren zullen jullie een magisch zaadje geven.
Plant het en verzorg het, en kom over een jaar terug met je plant.
Dan zal ik weten wie het waard is om de volgende keizer te zijn.’
Elke jongere nam het zaadje mee en haastte zich naar huis.
Ook Ling, die het zaadje plantte en elke dag water gaf.
Maar het zaadje ontkiemde niet. Intussen schepten al zijn vrienden op
over de grote en mooie planten die uit hun zaadjes was gegroeid.
Maar Ling kon niets tonen van zijn inspanningen en schaamde zich.
Na een jaar wilde Ling niet terug te keren naar het paleis van de keizer.
Maar omdat zijn moeder vol hield dat hij moest gaan, ging hij toch.
De keizerlijke binnenplaats stond vol jonge mensen
die prachtige bloemen, struiken en zelfs kleine bomen droegen.
Ling zag dat en probeerde zich in een hoek te verstoppen.
De keizer kwam, maar leek niet onder de indruk van de vele planten.
Toen zag hij Ling en beval de bewakers: ‘Breng hem bij mij!’
Iedereen moest lachen met zijn pot met aarde, zonder plant.
Ling vreesde voor zijn leven. Waarom was hij toch gekomen?
Misschien had hij het zaadje op een andere manier moeten verzorgen.
Toen riep de keizer: ‘Dit is de nieuwe keizer!’
Ling stamelde: 'Maar dit zaadje wilde maar niet groeien!’
De keizer zei: ‘Vorig jaar gaf ik iedereen geen magisch zaadje,
maar een gewoon steentje. Niemand kon er iets uit laten groeien.
Jij alleen had de moed en eerlijkheid om me de waarheid te vertellen.
Daarom ben jij alleen geschikt om keizer te worden! "
Overwegingen
Agnes Lameire
Geen kwaad met kwaad!
Deze tekst gaat over Saül die rond 1000 voor Christus door rechter-profeet Samuël tot eerste koning over Israël was gezalfd. Hij was er echter niet in geslaagd om - als koning - in dienst van de HEER te regeren. Daarom zalfde Samuël een nieuwe koning: David. Dit tot grote woede van Saül die, gekweld door afgunst, zijn opvolger zocht te doden die al meer dan veertig jaar op de vlucht was voor de woede van de vorst.
Maar in die bepaalde nacht waren de rollen omgekeerd en kreeg David de kans om zijn kwelgeest te doden. 'De Heer had u vandaag aan mij overgeleverd, maar ik heb de hand niet willen slaan aan zijn gezalfde' zei hij. Voor de tweede keer spaarde hij grootmoedig het leven van de door jaloersheid en haat gekwelde koning Saul.
David vergold geen kwaad met kwaad!
Johan Poppe
Blijven proberen
(Zevende zondag - jaar C, Dendermonde, 23 februari 2025)
Doordat David de kans niet grijpt om zijn tegenstander te doden,
maar hem confronteert met zijn warmte, zijn respect en barmhartigheid
ontdooit het hart van Saul en noemt hij David zijn zoon en broeder.
Datzelfde effect heeft zich doorheen de geschiedenis, met ups en downs,
getoond omdat mensen akkoord gingen met en handelden vanuit
die goddelijke grondhouding die Jezus zijn toehoorders voorhield.
Dus ja ik geloof dat we moeten blijven proberen
om de mensen (en dat is alleman en iedereen) te behandelen
zoals we graag zelf zouden worden behandeld.
Hebben we niet allemaal graag dat men ons vergeeft, zodat we weer verder kunnen?
Hebben we niet graag dat anderen zich niet van ons afkeren,
zodat we zelf geen weerstand ontwikkelen en openhartig durven reageren?
Ik wil in elk geval graag in staat zijn om te geven zonder daarvoor iets terug te wensen.
Ik zou de neiging om snel te oordelen en veroordelen willen kunnen loslaten.
Ik zou liefst van al enkel woorden van bevrijding willen kunnen spreken.
Ik zou goed willen kunnen doen, zonder maat!
Ik zou mezelf willen kunnen weggeven als dat een ander mens vooruithelpt,
als dat vrijheid voor velen kan teweeg brengen,
als dat vrede en vreugde tastbaarder maakt,
als dat een glimlach, een zachte knik,
een mild gebaar van erkenning onder mensen losweekt.