Loading...
 

GESCHENKEN

Suggesties

Grote kinderen

VERDIEPEN

Gesprek over cadeautjes

- Wat is prettig:
cadeautjes geven? cadeautjes krijgen?
inpakken? uitpakken?
- Moet een cadeau duur zijn?
- Moet een cadeau altijd ingepakt zijn? Kun je alle cadeautjes inpakken?
- Kun je zelf een cadeau zijn? Zijn er mensen die voor jou een cadeau zijn?





VERTELLEN

Geen pakjes met kerst

(Brigitte Minne, Zonnekind 13, leesboek, 28 december 2003, Averbode)

Jan schudt zijn spaarpot. 'Niets', moppert hij.
Lies kijkt in haar tasje. 'Leeg', zucht ze.
Wat erg!
Jan en Lien willen graag pakjes onder de kerstboom leggen.
Pakjes voor mama en papa en oma en opa.
Maar ze hebben geen cent meer. En morgen is het al kerst!

Mama doet de vaat. 'Altijd die vaat', moppert ze.
'Ik haat het! Kijk mijn handen!
Ruw dat ze zijn! Ik lijk wel een oude vrouw.' Dan dweilt mama de vloer.
Alles moet schoon zijn voor het feest.

Papa maakt een bed op voor oma en opa. Ze blijven slapen.
Op de kast ligt een dikke laag stof. 'Ik neem het stof af', zucht papa.
Hij pakt een stof doek. 'Wat een rotklus', zucht hij.
'Al dat stof kruipt in mijn neus.' Hij hapt naar adem en niest heel hard.

De telefoon rinkelt. Het is oma. Ze heeft spierpijn.
'Ik lijk wel een hark', klaagt ze. 'Een stijve hark.
Ik kan mijn schoenen niet meer poetsen!
Stel je voor! Ik moet alles vragen.'

'Met opa gaat het ook niet goed', jammert oma.
'De arme man is verkouden.
Hij kan zijn auto niet wassen. Want het is veel te koud buiten.'
Opa is zo trots op zijn auto. Hij wast hem elke week.
En nu moet hij met een vuile auto rijden. 'Niet leuk', vindt opa.
Opa een vieze auto en oma vuile schoenen.
'Arme oma en opa', denken Jan en Lien.

Jan en Lien gaan voor mama staan.
'Dit jaar geen pakjes van ons', zeggen ze. 'We hebben geen geld.'
'Dat is niet erg', lacht mama.
Maar Jan en Lien vinden dat wel erg.
'Teken iets', lacht mama. 'Dat is ook goed.'
'Het bord in de keuken hangt vol', pruilt Jan.
'Knutsel iets met een wc-rol,' zegt papa.
'Een wc-rol? - Toch niet voor kerst', vinden Jan en Lien.

Jan en Lien piekeren zich suf.
Ze willen zo graag pakjes onder de boom.
Opeens heeft Lien een idee. Ze fluistert iets in Jans oor.
'Wat goed!' roept Jan. Ze stuiven naar boven.
In een stapel oud papier beginnen ze te knippen.
De knipsels stoppen ze in doosjes. Ze maken er leuke pakjes van.

Het is kerstfeest. De tafel is mooi gedekt.
Het eten is lekker. De taart is heerlijk.
Dan is het tijd voor de pakjes. Jan en Lien krijgen elk een trui.
Oma krijgt een handdoek. Opa een fles wijn.
Mama en papa een doos met koekjes.
Jan en Lien geven aan iedereen een doos.
Opa vindt in zijn doos een foto van een auto. 'Wat is dat?' vraagt hij.
'We gaan auto's wassen,' zegt Lien.
Iedereen is verrast. 'Wat goed,' zegt opa.



Om verder over te praten
- Wat zouden de anderen in hun doos van Jan en Lien kunnen gevonden hebben?
- Vind je dit een goed idee van Jan en Lien? Zeg ook waarom.
- Waarom geven de mensen elkaar cadeautjes met Kerst?




Het rode pakje

(Linda en Gino ALBERTI, Uitgeverij C. de Vries-Brouwers p.v.b.a. Antwerpen, 1987)

Het waait en het is koud. De weg van het station naar huis is lang. Anna stapt aan de hand van oma door de sneeuw. Maar toch komen zij spoedig bij haar huisje aan. Anna heeft zich er op verheugd. In de vakantie is het bij oma het leukste. Ze vertelt heel veel verhaaltjes. Ze bedenkt de spannendste spelletjes. En op de vensterbank ligt iedere keer als Anna komt, een schetsboek klaar. Soms gaan Anna en oma samen naar het dorp. Anna speelt er met de kinderen, terwijl oma bij de bakker en de melkboer wacht. Maar vandaag hebben de kinderen geen zin om te spelen. Oma is gauw klaar met boodschappen doen. Er is haast niemand in de winkel, niemand heeft tijd voor een praatje. Op de terugweg is oma heel stil. Anna begrijpt dat zij nadenkt.
's Avonds zegt oma plotseling: 'Anna, het rode pakje is klaar.' Anna houdt op met tekenen en kijkt oma aan. Ze wil meteen van alles vragen. Maar aan oma's gezicht ziet ze dat het pakje een geheim is.
Als Anna en oma de volgende morgen naar buiten gaan, nemen ze het pakje mee. Ze komen de boswachter tegen. Hij woont pas in het dorp en hij voelt zich alleen. Oma loopt naar hem toe en geeft hem het rode pakje.
'Wat is dat?', vraagt de boswachter. 'Wat moet ik daarmee doen?'
'Het is voor u,' zegt oma. 'Maar u mag het niet open maken, anders vliegt wat er in zit weg.'
'Maar wat zit er dan in?' vraagt hij.
'Geluk en tevredenheid' zegt oma en ze geeft de boswachter een hand.
Anna heeft zich al omgedraaid om naar huis te gaan.
'Heb je zijn gezicht gezien, oma?' vraagt ze. 'Gaan we nog meer van zulke pakjes maken?'
Maar dat wil oma niet. 'Nee Anna,' zegt ze, 'één is genoeg.'
Nog nooit heeft de boswachter zoiets meegemaakt. Hij wil het aan de eerste de beste die hij tegenkomt vertellen.
De schoorsteenveger is op weg naar zijn werk. Als de boswachter hem het rode pakje geeft en zegt: 'Deze keer breng ik geluk,' kan de schoorsteenveger het bijna niet geloven.
De schoorsteenveger zit boven op het dak, roept de mensen en laat het pakje zien.
Hij kijkt door het raam van Antonia's kamer naar binnen.
'Ben je ziek?' vraagt hij.
Antonia heeft griep. De schoorsteenveger geeft haar het rode pakje.
'Nu zul je wel weer gauw beter zijn.'
Antonia heeft het rode pakje in haar kamer verstopt. Wie het vindt mag het houden.
'Maar je mag het niet open maken,' zegt Antonia.
'Net als met Kerstmis,' zegt Juro.
Beneden in de kelder trekt Lena voorzichtig aan het lint. Juro bekijkt het pakje van alle kanten en schudt het heen en weer. Plotseling horen ze door het raam een hele harde stem.
'Mijn vader,' zegt Martina. 'Ruiken jullie dat? Het brood is verbrand.'
Nu krijgt de bakker het rode pakje. Maar hij houdt het niet lang. Hij legt het pakje op de schep waarmee hij het brood uit de oven haalt. Hij geeft het over de toonbank aan mevrouw Salai. 'Morgen heb ik weer vers brood,' zegt hij lachend.
's Nachts loopt mevrouw Salai met het rode pakje over het balkon. Bij de buurman brandt het licht nog.
'Kunt u niet slapen?' fluistert mevrouw Salai.
'Ik heb een pakje voor u. Het brengt geluk en tevredenheid.'
Anna en oma gaan weer naar het dorp. Anna gaat sleeën met Stefan. De andere kinderen maken een sneeuwpop. Er komt een man naast oma zitten. Hij vertelt haar de laatste nieuwtjes. Hij vertelt haar ook over het rode pakje.
De vakantie gaat voorbij. Anna gaat weer naar huis. Verdrietig loopt ze naast oma naar het station. Oma is nog verdrietiger. Nu is ze weer alleen. Anna probeert haar te troosten en zegt: 'Ik kom gauw weer naar je toe.' Oma heeft tranen in haar ogen. De trein komt er al aan.
Op het perron staan Anna's vriendjes Boris en Stefan. Ze gaan naar oma toe en geven haar het rode pakje. 'U mag het niet open maken,' zegt Stefan. 'Het brengt geluk en tevredenheid,' zegt Boris. Anna lacht en klapt in haar handen. 'We hebben het weer terug oma,' zegt ze. 'Zie je wel, één is genoeg.'



Bezoek met Kerst

(C. LETERME, Parels van verhalen, uitgeverij Averbode 2019, p. 161)

Het was de avond voor Kerstmis.
Ralf keek door het raam naar de drukte op straat.
Iedereen deed nog snel de laatste inkopen. Ook zijn mama.
Toen ze binnenkwam gaf ze hem een pakje.
‘Is dat voor mij?’ vroeg hij.
‘Nee, dat is voor Jeanne die op de zevende verdieping woont.
Ze is alleen en zal het fijn vinden dat je haar dat pakje geeft.’

Ralf belde aan. De deur ging open.
In de kamer zag hij een mooi gedekte tafel voor twee.
‘Krijg je bezoek?’ Jeanne knikte.
‘Ik heb een pakje voor jou.’
Jeanne haalde het papier van het doosje af en gaf hem een praline.
‘Ik moet gaan, want je krijgt bezoek. Mag ik weten wie er komt?’
Jeanne zweeg heel lang.

‘Wel op kerstavond voel ik me heel alleen
en dan doe ik alsof er iemand op bezoek komt.
Maar nu is er echt iemand die me bezoekt. Doe je mee?’
Dat vond Ralf goed.
Hij smulde van het lekkere eten dat Jeanne voor hem klaarmaakte.
Er werd aangebeld.
Zijn papa kwam binnen.

‘Waar blijf je toch?
Waarom eet je hier?’
‘We spelen bezoekje, zei Ralf.
En hij vertelde alles.
‘Weet je wat Jeanne,’ zei zijn papa,
‘kom je vanavond ook bij ons bezoekje spelen?
We zullen dat heel fijn vinden.’

Dat jaar was Jeanne niet alleen op kerstavond.

(Naar een verhaal van R. Swartenbroeck)



De kerstster

(C. LETERME, Parels van verhalen, Averbode 2019, p. 71)

Op 24 december vieren ze in Mexico Noche Buena.
Zo noemen ze daar de kerstnacht.
Iedereen gaat dan naar de stal en geeft er iets.

Maar Pablo en Maria hadden niets om te geven.
Hun ouders waren arm
en hadden de grootste moeite om hun kinderen te eten te geven.

‘Wat zullen de anderen zeggen
als we met lege handen bij de stal komen?’ vroeg Pablo.
‘We blijven achteraan in de kerk. Dat valt minder op’, zei Maria.

Op de weg door de velden naar de kerk groeiden veel planten.
‘Zullen we zo’n plantje meenemen?’ vroeg Pablo.
‘Dat is een goed idee! Zoek het mooiste er maar uit’, wist Maria.

Toen Pablo en Maria met hun plant in de kerk naar voren gingen,
keek hier en daar iemand vreemd op:
konden die kinderen nu echt niets beters geven?

Maar wanneer ze de plant bij de stal plaatsten,
hoorden ze de mensen verwonderd reageren:
de bladeren van de plant werden rood.

Die avond werd onvergetelijk.
Sinds die nacht wordt die plant
elk jaar rond Kerstmis een mooie rode ster.




Overweging bij het verhaal
(C. LETERME in Kerk en leven, Federatie Rotselaar, 26 december 2019, p. 1)

Of het verhaal hierbij echt zo gebeurd is?
Daar valt aan te twijfelen:
het einde is er te miraculeus voor.

Is het een reclameverhaal van gewiekste verkopers?
Een sympathiek idee,
maar niet meer te achterhalen.

Wat moeten we er dan mee aanvangen?
Misschien zegt het wel iets over
geschenken geven en geschenken krijgen.

Het geschenk van de dorpelingen
was groot, waardevol, rijk
en zei iets over henzelf.

Het geschenk van de kinderen
was eenvoudig,
het resultaat van creatief in het leven staan.

Maar alle geschenken – duur of eenvoudig –
zeiden iets over hun betrokkenheid
bij de geboorte van Jezus.

Alle geschenken waren welkom bij de kleine Jezus,
maar het meest die van de kinderen.
Ook in zijn leven had Hij het meest aandacht voor wie in nood was.

Zo leert dit verhaal over een kerstster,
een verhaal dat niet eens echt gebeurd is,
iets over geschenken geven en iets over Jezus.



Dorus, een kleine herdersjongen

Toen de herders vertrokken om Jezus te bezoeken
vroeg Dorus aan zijn papa:
- Waar ga je naar toe?
- Wij gaan de kleine Jezus bezoeken.
- Mag ik mee, papa?
- Nee, het is te ver, Dorus.
En je hebt geen geschenk om aan Jezus te geven.
Treurig bleef Dorus achter.
Hij zag hoe zijn vader en de andere herders vertrokken naar de kleine Jezus.
De ruwe herders trokken over de heuvels
en bereikten zo de stal, waar ze Maria en Jozef vonden
én Jezus die hen zou redden.
Ze knielden en bogen het hoofd.
Uit hun tas haalden ze een blinkend, gouden kettingetje.
Ze hadden het ooit eens gevonden in een grot.
Het was de grootste schat die ze hadden.
En al waren ze nog zo arm, ze gaven het toch aan de kleine Jezus.
Want niets is schoon en goed genoeg voor Jezus, vonden ze.
Maria en Jozef lachten dankbaar
en de oogjes van het kindje straalden teder.

Intussen was de kleine Dorus achtergebleven bij de kudde schapen.
Hij was wat ongelukkig dat hij niet mee naar Jezus mocht gaan.
Plots kreeg hij een idee. Hij zou z'n vader achterna reizen.
Hij nam drie dingen mee:
zijn voddenpop, zijn vertelboek en een klein lampje.
Allemaal dingen waar Dorus heel erg veel van hield.
Zo vertrok Dorus een geschenk naar het kindje in de kribbe.
Maar toen zag Dorus een meisje op een muurtje zitten.
Ze zag er triestig uit.
- Wat scheelt er?
- Ik ben ziek, en ik kan niet meer buiten spelen zoals ik dat vroeger deed.
Dorus vond dat zo erg dat hij haar z'n voddenpop gaf.

Ik heb nog m'n vertelboek en m'n lampje om aan te Jezus geven.
Vrolijk trok Dorus verder.
Na een eindje stappen kwam hij aan een huis.
Daar zat een oude man voor zich uit te staren
- Meneer, wat zit u hier te doen?
- O, ik zit hier zomaar wat te kijken.
Ik woon hier alleen en heb niemand om mee te praten.
Vroeger was ik visser en kon ik varen over de verre zeeën.
Maar nu ben ik daar te oud voor.
O, dacht Dorus, misschien kan ik hem mijn vertelboek geven.

Ik heb toch nog m'n lampje om aan Jezus te geven.
De oude man kreeg het vertelboek van Dorus en was er heel blij mee.
Hij begon er meteen in te bladeren.
- Nu moet ik weg, zei Dorus, anders kom ik nog te laat bij Jezus.
Bij een klein dorpje zag Dorus een kleine herder huilen.
Hij was een schaapje kwijt en was heel bang om dat tegen zijn baas te zeggen.
Ach, dacht Dorus, dat is toch wel heel vervelend.
En Dorus gaf zijn lampje aan de kleine herder
om zo het verloren schaap te kunnen gaan zoeken.

Als ik later terugkom, krijg ik het wel weer terug, dacht Dorus.
En dus gaf Dorus ook z'n lampje af en trok hij verder.
Toen kwam hij in de buurt van de stal.
Van op een heuveltje zag hij de kleine Jezus.
Hij zag ook zijn vader en de andere herders.
- Oh wee, ik heb nu niets meer om aan het kindje te geven.
Wat moet ik nu doen? Ik heb alles weggegeven.
Daar stond Dorus met lege handen.
Teleurgesteld dacht hij erover om maar terug naar huis te gaan.
Maar plots hoorde de arme Dorus zachte hemelse muziek
en daar verscheen voor hem een prachtige engel.
Hij wenkte Dorus om toch maar te komen.
Jozef en Maria én het kindje waren heel blij dat Dorus op bezoek kwam.
Dorus had immers alles weggegeven aan mensen die het meer nodig hadden.
En dat vond Jezus een héél kostbaar geschenk.



De kleine trommeljongen

(www.geloventhuis.nl)

Heel lang geleden, vlak bij de stad Betlehem, leefde eens een kleine jongen. Zijn familie was heel arm. Zijn kleren waren versleten, soms had hij honger, want er was niet genoeg te eten. Maar de jongen had één ding waardoor hij gelukkig was: hij had een trommel, die trommel was van zijn vader geweest en daarvóór van zijn opa. Jaren geleden, toen zijn opa nog jong was, had die de trommel gekregen van rondtrekkende muzikanten.

Toen de kleine jongen oud genoeg was leerde zijn vader hem param pampam pam spelen, op de trommel. Nu was hij van de kleine jongen en die hield heel veel van zijn trommel. Elke dag speelde hij erop en liep door zijn dorp. De andere kinderen volgden hem, terwijl hij speelde, zongen mee en marcheerden in de maat. Soms liepen er zelfs dieren mee in de parade! De kleine jongen speelde zo vaak op de trommel dat hij er heel goed in werd. De mensen in het dorp noemden hem al gauw de kleine trommeljongen.

In dezelfde tijd, in het stadje Nazaret, moesten Jozef en Maria op reis. Maria was in verwachting, maar ze moesten naar Betlehem voor de volkstelling die keizer Augustus bevolen had. In Betlehem was het heel druk, zo druk dat ze geen plaats konden vinden om te slapen. Ze werden naar een kleine stal gestuurd door een herbergier. Jozef en Maria waren zo moe en koud dat ze blij waren dat ze in het stro in de stal konden gaan liggen. Die nacht werd Jezus geboren, en Maria legde hem voorzichtig in een kribbe met stro. Buiten op het veld waren de herders. Ze pasten op hun schapen. Het was een heel gewone nacht. Toen opeens ... was er een helder licht, alsof het dag werd. En daar stond een engel in het licht. De engel zei: 'Wees maar niet bang. Ik kom jullie een boodschap brengen van God. Jullie zullen allemaal erg blij zijn. In Bethlehem is een bijzonder Kindje geboren. Een Kind dat alle mensen gelukkig zal maken. Ga Hem zoeken. De herders gingen Hem zoeken en vonden Jezus. Ze vertelden het grote nieuws aan iedereen. Iedereen had het over de kleine Jezus. Ook de trommeljongen hoorde van Jezus. Hij wou ook graag naar het Kindje kijken, maar hij had niks om te geven.

Die nacht zag hij een heldere ster schijnen. Even later kwamen er drie vreemde mannen op kamelen door de straat, ze hadden mooie kleren aan en mooie dingen bij zich, het waren koningen. Zouden zij ook naar Jezus gaan kijken? De kleine trommeljongen besloot hen te volgen. Hij hoorde de drie mannen praten over de ster. Ze waren de ster al van heel ver gevolgd en nu scheen de ster boven een stal. De drie koningen gingen de stal binnen. Toen ze Jezus zagen bogen ze en gaven hun mooie geschenken: mirre, wierook en goud. De kleine trommeljongen stond buiten en zag dat allemaal gebeuren. Wat kan ik doen dacht hij, ik heb niks om te geven, verdrietig draaide hij zich om en liep terug naar huis. Toen zag hij de trommel die aan zijn zij hing. Plotseling wist hij wat hij de kleine Jezus kon geven. Hij zou voor Hem op de trommel spelen. Hij ging terug en toen hij de stal weer zag begon hij zacht te spelen en te zingen:


Dit verhaal is bekend als een Engelstalig kerstlied: The little drummer boy. In Nederlandse vertaling:

Ik ga naar Betlehem, param pampam pam
en sla mijn trom voor Hem, param pampam pam
Want voor de sterren scheen, param pampam pam.
is plaats voor iedereen, param pampam pam
ram pam pampam ram pam pampam.
Jezus de koning kwam, param pampam pam
in de stal
param pam pampam param pam pampam

En Maria zei: param pampam pam
Je slaat je trom zo blij, param pampam pam
En kijk, mijn Kindje lacht, param pampam pam
Het heeft op jou gewacht, param pampam pam
ram pam pampam ram pam pampam.
Sla je trommel maar, param pam pampam
in de stal
param pam pampam param pam pampam

En hij sloeg de trom, param pampam pam
het werd al stil alom, param pampam pam
de engelen waren heen, param pampam pam
ook de herders een voor een, param pampam
ram pam pampam ram pam pampam.
Maar hij sloeg de trom, param pam pampam
in de stal
param pam pampam param pam pampam.





Een oud kerstverhaal

(Bron onbekend)

Over de besneeuwde bosweg suisde een grote slee, getrokken door een prachtige, vurige hengst. Diep weggedoken in de kraag van zijn jas klemde voerman Lars de teugels van zijn trouwe paard.
- Vooruit Zwart, vooruit.
Hij klakte met zijn tong, om Zwart tot een nog snellere galop aan te vuren. Hij verlangde er nu al naar om straks bij het knapperend vuur van de open haard zijn verkleumde voeten kunnen warmen. Wat zou het vanavond gezellig zijn om met zijn vrouw en kinderen Kerstmis te vieren. Daarom was hij vandaag in de stad geweest, om inkopen te doen. Alle boodschappen had hij in een grote ton gestopt, die tussen de twee banken van de grote slee stond.
- Vooruit Zwart! Vooruit! We moeten Kerst vieren! spoorde Lars zijn zwarte hengst aan.
Toen merkte hij dat het zacht begon te sneeuwen. Als dat maar niet erger werd! Maar het sneeuwde meer en meer. De voerman greep naar de zweep.
- Vort Zwart, vort! riep hij. Hij liet de zweep kort en droog door de lucht knallen om de hengst tot de grootste spoed aan te zetten. Door de hevige sneeuwval begon het vroeger dan anders te schemeren. Het maakte Lars onrustig. Er konden hongerige wolven in het bos zijn. Overdag vallen die niet zo snel een mens aan, maar in de duisternis wagen ze heel wat meer! Opnieuw vuurde Lars met knallende zweep zijn trouwe Zwart aan.
Ineens liet hij zijn zweep rusten. Wat was dat? Liep daar nu iemand, of verbeeldde hij zich maar wat? Wie doolde er nu in dit weer rond in een eenzaam bos? Maar het was geen verbeelding! Daar liep een oude vrouw. Als er echt wolven zouden komen, was ze reddeloos verloren, dacht de voerman. Hij zou haar met de slee kunnen meenemen. Terwijl hij dit dacht, hoorde hij in de verte een angstaanjagend gehuil. Hij veerde recht. Dat waren wolven! Ze waren nog wel veraf, maar wanneer ze hen geroken hadden, zou het niet lang duren eer ze hun prooi inhaalden en verscheurden. Zelfs vurige Zwart zou het tegen de hongerige roofdieren moeten afleggen! Lars huiverde. Wat moest hij doen? Die oude vrouw meenemen en hopen dat de wolven hen nog niet op het spoor waren? Maar, waarom zou hij dat oudje eigenlijk meenemen? Moest hij zijn leven voor haar wagen? Als de wolven hen hadden geroken en de achtervolging zouden inzetten, redde Zwart het niet met een extra passagier in de slee. Als hij haar nu eens in het bos achterliet ... Dan werd zij verscheurd. Dat zou misschien zijn redding zijn. Wie zou er bovendien zo'n oude vrouw missen? Wie zou er op haar wachten? Op hém werd wel gewacht: door zijn vrouw en kinderen. Hij hief zijn zweep weer op. Er was geen tijd meer te verliezen ... Daar klonk opnieuw het angstaanjagende gehuil van de wolven, dichterbij nu. 'Ze zijn ons op het spoor!' flitste het door hem heen. Het gehuil van de wolven drong door merg en been. Wat kwamen ze snel nabij! Als door een bliksemstraal getroffen liet hij zijn zweep weer zakken. 't Was alsof hij Jezus hoorde die hem zei: 'Jij kerst vieren? Het feest van mijn geboorte? Jij, die die arme vrouw niet eens wilt redden uit de muilen van de wolven? Jij, die alleen maar aan jezelf denkt. Dan heb je van mijn reddende liefde voor de mensen nog nooit iets begrepen. Wat ge aan een van deze minsten niet hebt gedaan, hebt gij ook niet aan Mij gedaan!' Lars kwam tot zichzelf.
- Halt! schreeuwde hij zijn hengst toe. Hij rukte aan de leidsels. Zwart gehoorzaamde met tegenzin.
Lars sprong uit de arrenslee en ging met forse stappen op de oude vrouw af.
- Wolven, stootte hij hijgend uit, Wolven! Vlug!
Hij tilde haar op en stapte haastig terug naar de slee. Nauwelijks had Lars zich met de oude vrouw in de slee gehesen, of met een ruk trok Zwart de slee vooruit.
- Vort Zwart, vort jong! klonk de stem van de voerman.
De slee suisde in een ijzingwekkende vaart over de besneeuwde bosweg. Het gehuil van de uitgehongerde wolven klonk angstaanjagend dichtbij! Ze waren hun prooi op het spoor en zouden niet rusten eer hun honger gestild was. Lars liet de zweep in de lucht knallen, maar Zwart kon niet sneller. Schichtig keek Lars naar de oude vrouw. Hij zag haar zitten met gevouwen handen en gesloten ogen. Ze was aan het bidden! Het gaf hem even wat rust. Het gehuil van de uitgehongerde roofdieren deed zijn bloed stollen. Dan zag hij hun donkere schaduwen met vurige ogen in razende vaart naderen.
- Dat redden we niet, dat redden we nooit! flitste het door hem heen.
Toen kwam heel even de gedachte bij hem op, om het oude vrouwtje voor de uitgehongerde wolven te gooien. Maar onmiddellijk verwierp hij die gedachte. Links en rechts van de slee maakten de wolven zich klaar voor de aanval. Met ogen groot van angst zag Lars het aan. Maar dan zag hij de ton die met cadeaus gevuld was. Hij graaide er een groot pak uit en slingerde dat midden de aanstormende wolven. Dat leidde even hun aandacht af. Jankend, grommend, vechtend rolden ze over elkaar heen en scheurden het pak in stukken. Maar 't was maar voor even, want daar kwamen de eersten al weer achter de slee aangedraafd. Opnieuw slingerde Lars een pak uit de slee en weer rolden de wolven vechtend over elkaar heen. Pak na pak verdween uit de ton. Sneller dan Lars had gehoopt was de ton leeg. Achter de slee vochten de wolven om het laatste pak!
Het was niet ver meer naar huis. Daar klonk weer het gehuil van de wolven, die een nieuwe achtervolging inzetten. Zou hij zijn vrouw en kinderen ooit nog zien? Hij keek nog eens naar de oude vrouw. Ze zat nog steeds rustig met haar gevouwen handen in de schoot, de ogen gesloten. Lars keek naar de donkere hemel, waaruit de sneeuw onafgebroken naar beneden bleef vallen. En toen... terwijl hij met een laatste knallende slag van zijn zweep, de trouwe Zwart tot een uiterste krachtsinspanning aanspoorde, toen gooide hij de lege ton met een forse zwaai over de rand van zijn slee en sprong er zelf achteraan. Zwart verdween met de slee achter het dichte gordijn van neervallende sneeuw. De wolven minderden even vaart. Dat gaf Lars de tijd om de ton te grijpen en er razendsnel in te kruipen. Op dat ogenblik naderden de wolven de ton, die nu recht stond in de sneeuw. Voorzichtig snuffelden ze wat om de ton heen, maar langzaam werden ze brutaler en probeerden ze met hun poten de sneeuw eronder weg te graven. Ze jankten van opwinding ... Nog even, en dan zou hun razende honger gestild worden! Binnen in de ton had Lars schrik. Hij hoorde de wolven snuffelen aan het hout. Hij hoorde hun gejank en hun gekrab. Met veel moeite duwde hij de onderzijde van de ton diep in de sneeuw. Maar dit kon hij niet lang volhouden.
En de arrenslee met Zwart en de oude vrouw? Die waren de wolven totaal vergeten. De ton met Lars erin had hun aandacht helemaal afgeleid. De slee stoof op dat ogenblik het dorp binnen waar Lars met zijn gezin woonde. De hengst hield voor de gesloten staldeuren stil. De kinderen van Lars, die het hoorden liepen juichend naar buiten samen met hun moeder. Maar toen ze in de slee slechts een oude vrouw zagen zitten, bleven ze bedremmeld staan.
- Waar is Lars? vroeg moeder Margret aan het vrouwtje.
- In het bos! Wolven! In de ton! stotterde ze. Ze wees met haar arm naar het donkere, dreigende bos. De kinderen huilden van schrik en Margret gilde van ontzetting. Haar gegil zette het hele dorp op stelten. Overal vlogen deuren open en kwamen nieuwsgierigen toelopen. Binnen de kortste tijd wist iedereen dat Lars in levensgevaar was.
Verschillende mannen liepen terug naar huis en kwamen binnen enkele minuten te paard terug, bewapend met geweren. Enkele korte bevelen weerklonken en daar stoven de ruiters in galop het donkere bos in. Intussen streed Lars in de ton zijn laatste, wanhopige strijd. Hij voelde zijn krachten minderen. Het werd zwart voor zijn ogen ... Toen zakte hij bewusteloos weg. Daardoor merkte hij niet dat zijn redding nabij was. Dodelijk getroffen vielen een aantal wolven in de sneeuw. De anderen bleven aarzelend staan, maar kozen het hazenpad na een nieuw salvo uit de geweren.
Lars werd voorzichtig zijn huis binnengedragen. Zijn verwondingen vielen gelukkig mee.
Die avond zat hij met zijn hele gezin én de oude vrouw bij de brandende open haard. Hij voelde zich nog wat licht in zijn hoofd, maar las, zoals elk jaar, het kerstevangelie uit de Bijbel.
Toch was alles anders. Het was alsof Lars Jezus hoorde zeggen: 'Wat je aan Mijn minste broeders en zusters gedaan hebt, heb je aan Mij gedaan.'
Het werd een Kerst om nooit te vergeten.





ACTEREN

'Een kind is ons geboren'

(Naar een toneelstuk van Marjon Ooms-de Jong)

Twee kinderen praten met elkaar over hun tante die een baby'tje heeft gekregen. Ze botsen tegen een herder aan. Ze vragen waarom hij zo'n haast heeft. De herder zegt dat hij op weg is naar een pasgeboren baby en geeft hun een kaartje. Het is een geboortekaartje in de vorm van een ster. De herder gaat snel verder. De kinderen lezen het kaartje. Er staat op: 'Een kind is voor ons geboren, een zoon is aan ons gegeven'. De kinderen vinden het gek dat er helemaal geen naam op staat. Ze vragen zich af waar het kindje is geboren. Ze kijken door de ramen van de huizen, maar zien niets. Dan ziet één van de kinderen opeens een ster, net zo'n ster als de vorm van het kaartje. Ze lopen naar de plek onder de ster. Daar is een stal. Zo'n 'huis' hadden ze niet verwacht voor een pasgeboren baby. Ze staan voor de deur. Daar komen mannen aan met mooie geschenken. Die gaan naar binnen. Dat durven de kinderen niet. Ze vragen zich af of ze wel welkom zijn. Dan komt er een engel die zegt: 'Ga maar naar binnen, dit kindje is ook voor jullie geboren. De kinderen zeggen dat ze helemaal niets hebben om te geven. De engel zegt dat het mooiste geschenk dat ze aan het kindje kunnen geven hun liefde is. Dan gaan de kinderen voorzichtig naar binnen en gaan naar het kindje toe.


Spelers: Tom, Lien, herder, wijze 1, wijze 2, wijze 3, engel
Figuranten: Jozef en Maria
Rekwisieten: Geboortekaartje, grote ster, babypop, drie grote dozen die feestelijk ingepakt zijn.



Lien
Hey Tom, hoe gaat het met je?

Tom
Hey Lien. Goed en met jou?

Lien
Met mij ook. Ik heb er weer een nichtje bij. Een echt schatje!

Tom
Leuk. En hoe is haar naam?

Lien
Oei, daar vraag je me wat. Het was zoiets als 'Flandarijna'.

Tom
Wat een naam! En hoe roepen ze haar dan als ze gaan eten?

Lien
Geen idee. 'Mandarijntje' lijkt mij het makkelijkst.

Er komt een haastige herder aan die tegen de kinderen aanbotst.

Tom
Wel, wel. Wat een haast!

Lien
Wat is er met jou aan de hand?

Herder
Sorry, maar ik wil niet te laat komen.

Lien
Waar te laat komen?

Herder
Bij het kindje.

Tom
Welk kindje?

Herder
Dit kindje! (Geeft een geboortekaartje aan Tom) Daaaggg!!! (loop gauw weer door)

Tom pakt het kaartje aan en doet het open.

Lien
Laat eens zien!

Samen bekijken ze het kaartje.

Tom (leest voor)
'Een kind is voor ons geboren, een zoon is aan ons gegeven'.

Lien
Dat gaat dus zeker niet over mijn nichtje.

Tom
Er is een jongetje geboren.

Lien
Voor ons, ...wie is 'ons'?

Tom
Verder staat er niets. Hoe komen we er achter wie dat kindje is? (kijkt in de verte)
En die herder is ook niet meer te zien.

Lien
Kom, we gaan op zoek. Als er ergens een baby'tje is geboren kun je dat zien.
Dan hangt er zeker wel een ooievaar.

De kinderen gaan op zoek en turen door (denkbeeldige) ramen naar binnen.
Ze kijken elkaar steeds aan en schudden dan hun hoofden.
Tom kijkt eens in de verte, in de richting van de ster, en houdt zijn blik vast.
Dan houdt hij het kaartje eens voor z'n gezicht en vergelijkt deze met de ster die hij in de verte ziet.

Tom
Hé, Lien! Kijk eens!

Lien kijkt naar het kaartje en dan in de zelfde richting als Tom kijkt.

Lien
Hé! Dat is dezelfde ster! Wauw! Wat een pracht-ster!

Tom
Dat moet er mee te maken hebben. Kom, we gaan kijken.

Ze lopen naar plek onder de ster en blijven stil staan voor de dichte deur van de stal.

Lien
Zou het hier zijn? Dit lijkt eerder een schuur.

Tom
Ik zie ook geen ooievaar.

Dan komen er wijzen aan.

Wijze 1
Sorry, mogen we er even door?

Lien en Tom zetten een stap achteruit.

Wijze 2
We komen van ver en willen graag naar het koningskind.

Lien
Koningskind?

De wijzen hebben grote geschenken in hun handen en gaan door de deur naar binnen.

Lien
Heb je gehoord wat die man zei, Tom? Hij zei: 'Koningskind!'

Tom
En zag je wat ze bij zich hadden?

Lien
Er is hier dus echt een kindje geboren.

Tom
En precies wel een heel bijzonder kindje. Zouden we naar binnen mogen?

Lien
Ik weet het niet. Er staat op het kaartje 'ons'. Maar ik weet niet of wij daar ook bij horen.

Er komt een engel naar hen toe. De kinderen schrikken wat.

Engel
Wees niet bang. Dit kindje is ook voor jullie geboren. Ga maar naar binnen.

Lien
Voor ons?

Tom
Maar we hebben niets om te geven.

Engel
Weet je wat het mooiste geschenk om aan het kindje te geven?
Dat is jullie liefde.

Dan doen de kinderen de deur open en ziet iedereen de stal van binnen.
Ze zien het kindje in de kribbe, Jozef, Maria, de herders en de wijzen.
De kinderen gaan naar het kindje toe en aaien het over zijn hoofdje.



Het mooiste geschenk

Personages
Jacob en Simon
Drie herders
Een engel
Een verteller


Rekwisieten
Steen, lege kaasdoos, knot wol, ‘knuffellammetje’ enkele houtblokken die een vuurtje suggereren (boots eventueel met oranje en geel kleurpapier enkele vlammen na)
Per herder: stok, hoed, té grote jas van een vader of een broer.
Engel: witte stola (stuk wit laken) om de schouders



Verteller
We zijn in Betlehem.
Twee herdersjongens, Jacob en Simon maken ruzie.
Simon heeft een steen in zijn hand.

Simon
Hoe durf jij mij een luierik te noemen, Jacob.
Je past zelf niet op je schapen.

Jacob
Ik geef mijn schapen het beste stukje wei.
Jij, Simon, bent een herder van niks.

Simon
Maak dat je wegkomt of gooi deze steen tegen je hoofd.

Jacob
Ik ben al weg, ik wil je toch niet meer zien.

Verteller
Die avond in Betlehem, verschijnt er een engel aan de herders.

Engel
Ik breng blij nieuws voor jullie en voor alle mensen.
Vannacht werd uw Redder geboren:
gij zult het pasgeboren kind in een kribbe vinden,
in een stal in Betlehem.

Herder 1
We zullen geschenken meenemen.
Ik geef kaas, melk en wat wol.

Herder 2
En ik neem een pasgeboren lam mee voor onze Redder.

Herder 3
Heeft iemand Jacob en Simon gezien?

Herder 1
Jacob komt hierheen.
Hij heeft gezien dat we gaan vertrekken.

Jacob
Waarom vertrekken we zo plots?

Herder 2
We gaan de pasgeboren Redder bezoeken in Betlehem.
We hebben geschenken voor Hem.
Maak je snel klaar. Weet jij waar Simon is?’

Jacob
We hadden ruzie en ik ben weggelopen.
Ik weet niet waar hij nu is.

Verteller
Jacob kijkt naar de grond. Als hij terug rechtop kijkt ziet hij Simon.
Hij wijst in de richting van Simon.

Jacob
Daar loopt hij!

Herder 1, 2, 3
Simon! Simooon!!!
We gaan vertrekken.

Verteller
Simon komt aangeslenterd met de steen in zijn handen

Herder 3
Simon, goed dat je er bent.
Wat een prachtige steen heb je daar.
Daar zal het Kind erg blij mee zijn.

Simon
Maar …

Jacob
Het is echt een mooie steen.
Vind je het goed als ik hem mee afgeef?

Simon
Oké, jij mag hem dragen.
Zo is het een geschenk van ons allebei.





DOEN

Handenboekje

(Geïnspireerd door: Simon Magazine 2, uitgeverij Averbode, november-december 2019, p. 8)

Hand


Zorg voor ...
Stevig papier, potlood, schaar, gekleurd papier, perforator, lint, geschenkpapier.
Eventueel: kleurstiften, glitters, lijm.




Bespreek
Rond Kerstmis geven mensen elkaar geschenken. Meestal kopen ze die in de winkel. Maar geschenken hoeven niet gekocht te worden om een fijn geschenk te zijn.
Bedenk wat je voor een ander kunt doen als 'geschenk'.
(Bijvoorbeeld: helpen bij het opruimen; helpen bij het eten klaarmaken; een verhaal voorlezen; …)




Maak
Leg je hand op een stevig stuk papier en teken met je andere hand de contouren ervan over.
Knip die 'hand' uit en gebruik die als sjabloon.
Teken je hand met behulp van het sjabloon net zoveel keer als je 'geschenken' hebt. Knip die 'handen' uit en schrijf op elke hand wat je wilt doen. Als je dat wilt kun je die handen extra versieren.
Leg dan die 'handen' op elkaar en maak aan de handpalm twee gaatjes met een perforator. Steek daar een mooi lint door en verpak het geheel in geschenkpapier.





BIDDEN

Een gebed met gaten

Geef de kinderen het volgend 'gebed met gaten'.
Ze mogen het alleen of met een paar, verder invullen naar hun aanvoelen:

Jezus
Het is fijn om cadeautjes te krijgen.
Ze doen ons eraan denken dat
...........................................................
Het is fijn om Kerstmis te vieren.
Dat feest is nog mooier als we niet vergeten dat
...........................................................
We willen op die dag God danken voor:
...........................................................




Ik wil zo graag ...

(K. VAN CLEYNENBREUGEL in Simon, uitgeverij Averbode, 2009 nr 3, p. 16)

Ik wil zo graag een grote doos
als kerstgeschenk,
met daarin:
geluk voor iedereen.

Dan zou ik
aan iedereen iets geven:
een stukje vreugde,
een vleugje vriendschap,
een portie moed,

Het is een droom,
ik weet het, God.
Geluk laat zich niet
in een doosje steken.
Het licht van Kerstmis
laat zich beter niet kisten.

Misschien moet ik net als Jezus
mensen gelukkig maken.
Niet precies zoals Hij dat deed,
maar gewoon op mijn manier.





Jongeren

VERDIEPEN

Gesprek: Kerstmis is meer dan pakjes alleen

(Samuel 2006, nr 3, p. 7)

Inleiding van het gesprek:
Kerstmis betekent vaak meer drukte, meer stress. Het speelgoed van de Sint is nog maar net opgeruimd of we haasten ons al om een kerstboom te plaatsen. Liefst een echte. Elk jaar, steeds vroeger en vroeger, fonkelen de etalages. En terwijl mama nadenkt over een lekker kerstmaal, probeert papa het snoer met kerstlampjes te ontwarren. Nadien haast heel de familie zich naar een grootwarenhuis om de nodige kerstinkopen te doen. Onder een boom horen cadeautjes, veel cadeautjes ...
Of toch niet?





DOEN

Een eerlijk cadeau onder de kerstboom

(L. VAN DEN BULCK, Een eerlijk cadeau onder de kerstboom in Visie, vrijdag 14 december 2012, p. 2)

Oxfam Solidariteit legt dit jaar geitjes, bomen, noodhulppakketten, schoolborden en kippen onder de kerstboom.
Het principe is simpel: je koopt een geschenkje voor iemand in het zuiden die het echt nodig heeft.
In ruil krijg je een kerstkaart met een foto van dat cadeau, die je aan je familielid kunt geven.
Met de opbrengst van Oxfam Pakt uit, geeft de ngo haar projecten een duwtje in de rug.
Er is een keuze tussen meer dan dertig geschenkjes, vanaf 6 euro.

www.oxfampaktuit.be
telefoon: 02/501 67 34

Vraag je vrienden en familie of ze via Wereldsolidariteit het bedrag voor jouw cadeau willen schenken aan mensen in het Zuiden.
Voor 12 euro geef je een boer voedselzekerheid, want zo kan hij zich aansluiten bij een graanbank.
Voor 45 euro geef je een jonge vrouw in Azië een opleiding tot gezondheidswerker, zodat minder baby's sterven bij de geboorte.
Wereldsolidariteit verkoopt ook een set van vijf wenskaarten voor 5 euro. Daarvan gaat 3,5 euro naar partnerorganisaties in het Zuiden.

www.wereldsolidariteit.be
telefoon: 02/ 246 36 71