Vooraf
Bij de verhaalkeuze
De gekozen verhalen sluiten inhoudelijk aan bij de veertigdagentijd en werden geschikt volgens invalshoek.
De veertigdagentijd, een tijd om zich voor te bereiden op Pasen, is een tijd van reflectie over wat het betekent christen te zijn. Dit komt erop neer dat er stilgestaan wordt bij: BIDDEN, VERGEVEN, SOLIDARITEIT, SOBERHEID, DELEN, LEVEN.
Er is ook een extra invalshoek voorzien met aandacht voor: niet opgeven, volhouden, niet hals over kop willen gaan … want veertig dagen kan lang duren.
Voor elke invalshoek werden zeven verhalen uitgezocht. Vooraleer een verhaal te gebruiken, doe je er goed aan het te lezen met de ogen van kinderen, jongeren, volwassenen … voor wie je het bedoelt, want niet elk verhaal is voor elke leeftijdsgroep geschikt.
Overzicht van de verhalen in het licht van de invalshoek
Vooraf
Bij de leeftijd:
van 4 tot 7 jaar: *
van 8 tot 12 jaar: **
vanaf 13 jaar: ***
Belangrijk
Het spreekt voor zich dat het op het spoor komen van de betekenis van een verhaal afhankelijk is van de concrete personen aan wie je het verhaal vertelt / voorleest.
Reflecteren / bidden / mediteren / bezinnen
Verhaal | Verantwoording | Leeftijd |
De oude moslim | Bidden is … God dankbaar zijn. | * |
Het gebed van een arme jood | Bidden is … betrokken zijn op God. | ** |
De biddende clown | Bidden is … God eren, loven en danken vanuit zijn hart en zijn lichaam. | ** |
Het wonder | Bidden … staat niet los van wie bidt: steek je handen uit | ** |
Zijn plekje | Bidden … lukt overal, maar op sommige plaatsen beter | ** |
Het gebed van een vriend | Bidden … men kan God veel vragen | ** |
Praten met God | Bidden … staat niet los van het leven. | ** |
Fout handelen / vergeven / kansen geven
Verhaal | Verantwoording | Leeftijd |
De draad | Fout handelen … doet de band met God verliezen. | *** |
Spijkers in een deur | Fout handelen … laat littekens na. | *** |
Op een bus naar Miami ... | Vergeven is … van iemand blijven houden. | ** |
Mozes en de farao | De kracht van vergiffenis vragen. | *** |
God zien | Vergeven is … vroegere fouten niet koesteren. | *** |
De mier en de kever | Vergeven is … niet toegeven aan ruzie maken. | * |
Het huwelijkscadeau | Vergeven is … denken aan het geluk van de ander. | *** |
Delen
Verhaal | Verantwoording | Leeftijd |
De extra maand | Delen is … de ander geven wat je zelf apprecieert. | *** |
De kip en het varken | Delen is … tot het uiterste kunnen gaan. | ** |
Op weg naar God | Delen is … loskomen van bezit. | ** |
Kracht van ongeloof | Delen is ... zichzelf aangsproken voelen. | *** |
De kameel | Delen is … kunnen afstand doen van bezit. | ** |
Het pakje koekjes | Delen is … geven zonder berekening. | ** |
Twee soorten handen__ | Delen is … zijn handen gebruiken om een rechtvaardige wereld te realiseren. | *** |
Sober leven
Verhaal | Verantwoording | Leeftijd |
Honger | Sober leven is … letten op eten, snoepen, uitgeven … | ** |
Het beloofde land | Sober leven is … tevreden zijn met wat nodig is. | *** |
Het grootste huis van de wereld | Sober leven … aandacht geven aan wat echt belangrijk is. | ** |
Geconcentreerd leven | Sober leven is ... bewust leven. | *** |
De ontevreden vis | Sober leven is … tevreden zijn met wat men heeft. | ** |
Inspirerend | Sober leven is … aandacht hebben voor de nood van anderen. | ** |
De diamant | Sober leven is ... onthecht zijn aan het materiële. | ** |
Leven geven
Verhaal | Verantwoording | Leeftijd |
Het geschenk van de slak | Leven geven is … gaan tot het uiterste | *** |
Twee sneetjes brood | Leven is … anderen kansen geven | ** |
De boer en de bamboe | Leven is … anderen leven geven | * |
De mier en de graankorrel | Leven is … leven geven | * |
‘Mijn’ handen ... | Leven is … de handen van God zijn | ** |
Pater Kolbe | Leven is … is alles over hebben voor een ander | *** |
Gijzeling in Trèbes | Leven is … andere levens redden | *** |
Solidair zijn
Verhaal | Verantwoording | Leeftijd |
De dief en de meester | Solidair zijn: kunnen relativeren en kansen geven. | ** |
Dag | Solidair zijn: in de ander niet langer een vreemdeling zien, maar iemand die je nabij is. | *** |
Samenwerken | Solidair zijn is: samen met anderen problemen oplossen. | ** |
De rijke en de bedelaar | Solidair zijn is … de fouten van een ander niet gebruiken als excuus om niemand bij te staan. | ** |
Het verhaal van de goeroe | Solidair zijn is … geen onderscheid maken tussen mensen in nood. | ** |
Samen sterk | Solidair zijn is ... de krachten van jezelf en anderen bundeleb om samen projecten te realiseren. | |
Over de maag en de overige lichaamsdelen | Solidair zijn is ... zichzelf zien als deel van het geheel. | ** |
Thuis
Je kunt de reeks voorgestelde verhalen zien als een veertigdagenverhalenkalender: voor elke dag één verhaal, dat doet nadenken en doet stilstaan bij een facet van de veertigdagentijd.
Je kunt hierbij de verhalen uit de verschillende invalshoeken door elkaar gebruiken of je kunt elke week voor een andere invalshoek kiezen.
School
De veertigdagentijd op school duurt vier, vijf of zes weken, afhankelijk van het begin van de paasvakantie. Elke week bestaat uit vijf dagen. Kies daarom uit het aanbod van zeven verhalen vijf verhalen die aansluiten bij de leefwereld van de kinderen / jongeren.
Gebruik die verhalen 's morgens bij het begin van de dag. Sluit dat moment af met een lied, een gebed of een bezinningstekst.
Na de eerste zondag van de veertigdagentijd
Invalshoek: Reflecteren / bezinnen / bidden / mediteren
De oude moslim
(C. LETERME, Parels van verhalen, Averbode 2019, p. 202)
Een oude moslim
zat zwijgend langs de straat.
Hij was mager.
Zijn kleren waren bijna zo oud
als hij was.
Een gebedssnoer
gleed door zijn vingers.
‘Hé meneer, verveel jij je niet?’
De oude man keek omhoog.
‘Nee hoor,
Ik verveel me helemaal niet.
Ik dank God.’
‘God danken?
Waarvoor dan wel?’
‘Ik dank God
omdat de zon mij verwarmt.
Ik dank God
voor de blauwe hemel
en het water van de rivier.
Ik dank God
voor het prachtige lied van de vogels.
Ik dank God
voor de eieren
die de kippen leggen.
Ik dank God
omdat ik gelukkig ben.
Ik dank God
omdat Hij steeds bij mij is.’
(Naar een islamitisch verhaal)
De biddende clown
(C. LETERME, Een parel voor elke dag, Uitgeverij Averbode 2007, p. 367)
Er was eens een clown,
die niet meer zo jong was.
Hij werd monnik.
In de abdij mocht hij werken in de tuin.
Hij was gelukkig.
Maar wanneer de monniken in de kerk
aan het bidden waren,
dacht hij: ‘Wat doe ik hier eigenlijk?
Ik ken geen enkel gebed.
Ik ben het niet waard om monnik te zijn.’
Op een dag, toen de klok luidde voor het gebed,
vluchtte hij naar een kleine kapel.
‘Ik kan niet samen met de anderen bidden,
maar ik kan het wel op mijn manier’, dacht hij.
Hij trok zijn monnikspij uit
en stond wat later in zijn kleurige clownspak.
En terwijl de monniken zongen,
begon hij met hart en ziel te dansen voor God.
Een monnik, die hem gevolgd was, zag alles.
De volgende dag liet de abt de clown bij zich komen.
Hij knielde voor de abt en zei:
‘Ik weet dat ik het niet waard ben monnik te zijn.
Ik wil uit vrije wil de abdij verlaten.’
Maar de abt boog voor de clown en zei:
‘Bid voor mij en voor alle monniken.
Met je dans heb je God geëerd met lichaam en ziel.
Ik hoop dat Hij ons die woorden wilt vergeven,
die we uitspreken zonder dat ze uit ons hart komen.’
(Naar een Franse legende)
Overweging bij het verhaal
‘Bidden’ is een oud woord, dat ‘vragen’ betekent.
Nu gebruikt men dat woord bijna alleen nog
voor als men zich richt tot God.
Sommigen vragen dan van alles aan God:
een goede gezondheid, geluk, succes …
alsof God sinterklaas is.
Maar kan men in een gebed alles vragen?
Het Onzevader maakt duidelijk
welke vragen men kan stellen en hoe.
Het is bidden om dagelijks brood, niet om luxe.
Het is om vergeving vragen wanneer men fout handelde, maar
op dezelfde manier als waarop men anderen hun fouten vergeeft.
Het is vragen om niet afgeleid te worden
van wat God voor de mensen droomt.
Zo wordt bidden: leren kijken met de ogen van God.
Toen de abt in de abdij vernam dat een monnik
in clownspak met hart en ziel danste tijdens het gebed van de monniken,
vroeg hij hem om voor hem en alle monniken te bidden.
Vreemd is dat, maar de abt had door
dat de clown-monnik niet met woorden bad
maar in alle eerlijkheid vanuit zijn hart en met zijn lichaam.
En dat bidden niet alleen vragen was,
maar ook God eren, loven en danken
om wié Hij is en wat Hij doet voor de mens.
Het gebed van een arme jood
(C. LETERME, Parels van verhalen, Averbode 2019, p. 98)
Een arme jood ging naar de synagoge.
Toen iedereen ging bidden,
stond hij er verslagen bij:
hij wist niet wat hij moest zeggen.
Hij was nooit naar school geweest.
Lezen of schrijven kon hij niet.
Maar...
hij kon wel het alfabet opzeggen.
Toen zei hij tot God:
'God ik ben een arme man.
Ik werk hard om mijn kinderen eten te kunnen geven.
Ik kan niet lezen en ik kan ook niet schrijven.
Ik kan wel het alfabet opzeggen.
U kent mij
en U weet wat ik U wil zeggen.
Ik zal alle letters van het alfabet opzeggen.
Wilt U er dan goede zinnen van maken?'
Heel verzorgd sprak de man toen
de letters van het alfabet uit.
En God...
... die luisterde naar hem.
Het wonder
(C. LETERME, Een parel voor elke dag, uitgeverij Averbode 2007, p. 29)
Twee boeren reden met volgeladen karren.
Het had de laatste tijd veel geregend
en de wegen waren vol modder.
De karren bleven steken.
Eén van de boeren
viel op zijn knieën in de modder,
en vroeg aan God:
‘Help me hieruit alstublieft!’
Hij bad zonder ophouden.
Intussen was de andere boer druk in de weer.
Hij trok aan zijn ezel,
duwde tegen de kar,
zocht stukken hout, bladeren en aarde bij elkaar,
legde die voor de wielen van de kar
en vloekte tegen de sterren op.
Toen gebeurde een wonder.
Een engel daalde neer uit de hemel.
Tot hun grote verrassing
begon die de vloekende boer te helpen.
De man was er helemaal door in de war en zei:
‘Neem me niet kwalijk,
ik denk dat je je vergist.
Jouw hulp is vast en zeker
voor mijn vriend bestemd,
want hij heeft het hardst gebeden.’
Maar de engel zei:
‘Helemaal niet,
God helpt diegene
die zelf ook zijn best doet.’
(Toegeschreven aan de Braziliaanse bisschop Helder Camara)
Zijn plekje
(C. LETERME, Parels van verhalen, Averbode 2019, p. 102)
Levi, een joods jongetje, verliet elke middagpauze
stiekem de speelplaats.
De meester zag het en vroeg zich af:
Waar gaat hij toch telkens naartoe?
Op een dag liep de meester hem achterna.
De jongen ging het dorp uit
tot hij in een bos kwam.
Daar ging hij op een open plek zitten.
Hij spreidde zijn handen open,
sloot de ogen en begon te bidden.
Na vijf minuten stond hij op en ging terug naar school.
De meester was zeer verbaasd.
Na de school riep hij Levi bij zich.
‘Ik zag je deze middag bidden in het bos.
Eigenlijk moet je op school blijven tijdens de middag.
Je weet toch dat je overal tot God kunt bidden?’
‘Dat weet ik, meester’ zei Levi,
‘God is overal dezelfde,
Maar ik ben niet overal dezelfde …
Daarom ga ik naar mijn plekje in het bos.’
(Naar een joods verhaal)
Het gebed van een vriend
(C. LETERME, Parels van verhalen, Averbode 2019, p. 104)
Het stormde heel hard en het schip verging.
Twee vrienden waren de enige overlevenden.
Ze spoelden aan op een verlaten eiland.
Nergens was daar iets om te eten.
Het enige wat ze nog konden doen,
was bidden en hopen.
De ene vriend vroeg aan God om een fruitboom.
De volgende dag vond hij een appelboom.
's Avonds testte hij de kracht van zijn gebed.
en vroeg een huis om in te wonen.
De volgende dag spoelde zoveel wrakhout aan
dat hij er een hutje mee kon bouwen.
Avond na avond bad de man
en elke keer bood het strand hem wat nieuws.
Misschien kan ik ook bidden voor een schip
dat mij terug naar huis kan brengen, dacht hij.
De volgende dag strandde er een sloep op het eiland.
De man dankte God en wilde weg varen.
Maar toen donderde het uit de hemel:
‘Waarom neem jij je vriend niet mee?’
‘Ik heb hier toch om gebeden’, zei de man verbaasd.
De gebeden van mijn vriend
werden blijkbaar niet verhoord.
Dus moet hij ook niet gered worden.
‘Je vergist je.
Je vriend had maar één gebed.’
‘Wat was dan het gebed van mijn vriend,
dat ik hem nu zou moeten helpen?’
‘Het enige waar je vriend al die tijd om vroeg,
was dat jouw gebeden verhoord zouden worden.’
Praten met God
(C LETERME, 99 verhalen met een knipoog, uitgeverij Averbode 2014, p. 83)
Iedereen in het dorp
sprak vol lof over hun rabbi:
- Hij is een heilige!
- Elke morgen stijgt hij naar de hemel
om met God te praten.
Maar de mensen in het naburige dorp
geloofden daar niets van.
En ze stuurden iemand
om 's morgens bij de rabbi te gaan zien
of hij werkelijk naar de hemel gaat
terwijl hij aan het bidden is.
Die man verstopte zich achter een struik
bij het huis van de rabbi.
Een paar minuten later al
ging de rabbi zijn huis uit naar het bos.
Daar klopte hij aan bij een huisje.
Een arme zieke vrouw deed open
en liet de rabbi binnen.
Toen de rabbi weer buiten kwam
had hij een bijl in zijn hand.
Hij ging ermee het bos in.
Wat later kwam hij terug
met een grote bussel hout
en ging opnieuw het huisje binnen.
Toen er rook uit de schouw kwam.
ging de rabbi terug naar zijn huis.
- En? vroegen de mensen van het naburige dorp,
stijgt de rabbi echt naar de hemel?
- Jazeker! zei de man.
(Naar een chassidisch verhaal)
Na de tweede zondag van de veertigdagentijd
Invalshoek: Fout handelen / vergeven
De draad
(C. LETERME, Een parel voor elke dag, uitgeverij Averbode 2007, p. 181)
Een oude rabbi vertelde:
‘Ieder mens
is met God verbonden
door een draad.
Telkens iemand een fout maakt,
breekt de draad.
Maar als men spijt heeft van zijn fout,
dan maakt God de draad weer heel
met een knoop.
Daardoor wordt de draad
wel korter dan voordien.
En komt de mens die fout handelde
dus een beetje dichter bij God!
Zo komen de mensen
van fout tot spijt,
van knoop tot knoop
steeds dichter bij God.
Zelfs zonden
zijn dus nog ergens goed voor!'
(Naar een Joods verhaal)
Overweging bij het verhaal
Fouten maken, iedereen doet het!
Bewust of onbewust …
mensen laten steken vallen!
Ze schieten tekort
in hun relatie met hun medemens,
in hun houding tegenover de natuur ...
Typisch voor christenen is dat ze dan spreken over ‘zonde’.
Want door die fouten komen ze los van God te staan.
Het verhaal hierbij heeft het over het breken van een draad.
De draad die de band met God mogelijk maakt
wordt door die tekortkomingen verbroken.
Niet alleen is de band met de medemens kapot, ook die met God.
En wat zegt nu die oude rabbi?
Als men spijt heeft van zijn zonde
knoopt God de kapotte draad terug aan elkaar!
Want zich realiseren dat men de andere tekort gedaan heeft
en daardoor ook de band met God verbroken heeft,
is de eerste stap naar verzoening en realisatie van wat God wil.
Die allereerste stap naar verzoening is de moeilijkste.
Maar misschien zijn de tweede of de derde stap ook moeilijk.
Toch wordt het daardoor uiteindelijk meer hemel op aarde.
En zo komt de oude rabbi tot het ongelooflijke besluit
dat zelfs zonden ergens goed voor zijn
als men er spijt over heeft.
Spijkers in een deur
(C. LETERME, Een parel voor elke dag, Uitgeverij Averbode 2007, p. 64)
Er was eens een jongen die zich heel moeilijk kon beheersen.
Zijn vader gaf hem een zak spijkers en zei:
‘Telkens als je jouw zelfbeheersing verliest,
moet je een spijker in de achterkant van die deur slaan.’
De eerste dag sloeg de jongen 37 spijkers in de deur.
De volgende dagen werd het aantal spijkers
dat hij in de deur sloeg
geleidelijk aan kleiner.
De jongen dacht:
‘Het is gemakkelijker
om mijn zelfbeheersing niet te verliezen,
dan om al die spijkers in de deur te slaan.’
Uiteindelijk kon hij aan zijn vader zeggen:
‘Ik kan mijn kwaadheid onder controle houden.’
Daarop zei zijn vader:
‘Elke dag dat je nu jouw zelfbeheersing behoudt,
mag je een spijker uit de deur halen.
De dagen gingen voorbij.
Eindelijk kon de jongen aan zijn vader zeggen:
‘Alle spijkers zijn weg.’
Toen ging de vader met zijn zoon naar de deur.
Hij zei: ‘Prima, mijn zoon.
Maar kijk nu eens naar al die gaten.
De deur wordt nooit meer dezelfde als vroeger.
Als je dingen zegt in woede,
dan laten ze een litteken na, net als deze gaten.’
Op een bus naar Miami ...
(C. LETERME, Een parel voor elke dag, Uitgeverij Averbode 2007, p. 61)
Eén van de busreizigers
was juist vrijgelaten uit de gevangenis.
Iedereen hoorde dat hij tegen de chauffeur zei:
‘Toen ik de gevangenis binnenging
zei ik tegen mijn vrouw
dat ze niet op mij moest wachten.
Drie jaar hoorde ik niets van haar.
Een paar dagen geleden
schreef ik haar dat ik zou begrijpen
dat ze me niet meer wilde terug zien.
Maar ik schreef ook:
“Als je toch nog van mij houdt,
bind dan een geel lint
rond de oude eik in het centrum van het dorp.
Dan zal ik van de bus stappen.
Als er géén lint is, rijd ik door
en zal ik jou vergeten.”’
Wat later reed de bus het dorp binnen.
De man boog het hoofd in zijn handen.
Hij vroeg aan de chauffeur:
‘Wil jij letten op die eik?’
Intussen kende de hele bus zijn verhaal.
Iedereen keek vol spanning uit.
Toen de bus de eik naderde,
was er ineens een losbarsting
van gejuich en applaus.
De man keek uit het raam
en zag de oude eik,
behangen met wel honderd gele linten.
Hij rende de bus uit
in de armen van zijn vrouw.
Onder het gejuich van de andere reizigers
verdween de bus, richting Miami.
Mozes en de farao
(C. LETERME, Parels van verhalen, Averbode 2019, p. 35)
Toen Mozes nog in Egypte woonde
en samen met de Israëlieten naar het beloofde Land wilde,
discussieerde hij eens heel fel met de farao van Egypte.
‘Willen we aan God vragen wie gelijk heeft?’ vroeg de farao.
Mozes stelde voor: ‘We gooien alle twee een rieten pen in de Nijl.
De eigenaar van de pen die stroomopwaarts drijft,
die wint de discussie.’
Mozes en de farao namen elk een pen
en gooiden die in de Nijl.
Toen de pen van Mozes viel op het water,
nam de Nijl die stroomafwaarts mee.
Maar de pen van de farao viel op een vis
die de pen stroomopwaarts duwde.
De Egyptenaren lachten Mozes uit.
's Avond begon Mozes tegen God te klagen:
‘God, ik dacht dat Jij aan mijn kant stond.’
‘Maar Mozes, wat kon ik anders doen?
Vorige nacht heb jij heel diep geslapen.
Maar de farao heeft de hele nacht tot Mij gebeden.
Hij heeft zijn zonden bekend en gezegd dat hij anders zou leven.
Hij vroeg Me om vergiffenis. En dat heb ik gedaan.’
(Naar een Joods verhaal)
De mier en de kever
(Bewerking van een bestaand verhaal)
Er was eens een mier die een kastanje droeg.
Onderweg naar huis versperde een kever haar weg
en lachte haar uit:
‘Waar loopt die kastanje met de mier naartoe?’
En iedere keer als hij haar zag, pestte hij haar.
Maar de mier reageerde er niet op,
liep om de kever heen en ging verder.
Een paar dagen later raakte de kever vast
in het kleverige hars van een boom.
‘Help, help,’ riep hij.
De dieren liepen hem voorbij:
ze waren zijn spot en slechte manieren beu.
Maar de mier reikte hem een grassprietje,
waarmee hij zich kon bevrijden.
Toen vroeg de kever: ‘Mier, waarom hielp je me?
Ik lachte je uit, versperde je weg
en moest je helemaal niet hebben.’
De mier zei: ‘Ik kan wel twintig keer
mijn eigen gewicht dragen.
Maar één last wil ik niet dragen: ruzie maken.
Ik wil alleen dragen wat echt belangrijk is.
God zien
(C LETERME, 99 verhalen met een knipoog, uitgeverij Averbode 2014, p. 158-159)
Twee prinsen, die broers waren, leefden in ruzie met elkaar.
Jaren geleden had de jongste zijn oudere broer weggejaagd,
zodat hij de koning kon worden.
- Ik ben de belangrijkste koning van de wereld, zei hij.
Iedereen buigt voor mij. Alleen God lijkt nog belangrijker.
Maar die heeft nog niemand gezien.
- Ik wil God zien! zei de koning tegen zijn ministers.
De oudste minister nam het woord en zei:
- Sire, als je God wilt zien, moet je jouw paleis verlaten
en je kleden als een bedelaar, zodat niemand jou herkent.
Zo gebeurde.
De koning stapte door zijn rijk, verkleed als een bedelaar.
Overal waar hij kwam, keerde men zijn rug naar hem toe.
Niemand juichte nog
en nergens kreeg hij nog de belangrijkste plaats aan tafel.
Het werd avond en het werd koud.
Als hij ergens aanklopte,
joeg men hem weg alsof hij een hond was.
Toen zag de koning een huis aan de rand van het bos.
Hij ging ernaartoe.
Maar onderweg struikelde hij en verstuikte zijn voet.
Het werd kouder en het begon ook nog te regenen.
Net toen de koning dacht dat hij zou dood gaan,
knielde een man bij hem neer.
Hij nam de koning op en droeg hem naar zijn huis.
Daar gaf hij de koning droge kleren en een zacht bed.
's Nachts kreeg de koning heel hoge koorts.
Telkens als hij wakker werd, zag hij de man naast zijn bed.
In de morgen, toen het begon licht te worden,
zag de koning dat de man zijn broer was.
Hij vroeg zich af:
Zou mijn broer mij pijn doen? Zou hij mij doden?
Maar zijn broer glimlachte en gaf hem te drinken.
Toen de zon opkwam
en straalde op het gezicht van zijn broer,
zag de koning dat zijn broer hem vergeven had.
En hij dacht hij: 'Nu heb ik iets van God gezien.'
Het huwelijkscadeau
(C. LETERME, Parels van verhalen, Averbode 2019, p. 41)
Toen Kathy en Brandon trouwden, kregen ze een geschenk waarop stond:
‘Niet openen vóór jullie eerste ruzie. Tante Alison.’
Nu kende het koppel tijdens hun huwelijk wel ruzies,
maar ze vonden die niet belangrijk genoeg om daarvoor de doos te openen.
Al die tijd dachten ze dat wat in de doos was,
een soort eeuwenoude truc was,
die zorgvuldig bewaard werd en doorgegeven door een tante
die bijna een halve eeuw gelukkig getrouwd was.
Intussen vierden ze hun negende huwelijksverjaardag.
Uit pure nieuwsgierigheid maakten ze nu toch maar de doos open.
Er zaten twee stapeltjes bankbiljetten in en twee briefjes met instructies,
één voor Kathy en één voor Brandon.
Op het briefje van Kathy stond:
haal pizza, garnaal, of iets anders wat jullie allebei lekker vinden.
Op het briefje van Brandon stond:
haal bloemen en een fles wijn en zorg voor wijnglazen.
Het geheim was dus om hun onenigheden terzijde te laten
en samen iets romantisch en bijzonder te doen,
terwijl elk van beiden dacht aan het geluk van de ander
in plaats van aan zichzelf.
(Naar een verhaal uit Australië)
Na de derde zondag van de veertigdagentijd
Invalshoek: Solidariteit
De dief en de meester
(C LETERME, Een parel voor elke dag, uitgeverij Averbode 2012, p. 27)
Op een avond
toen de meester aan het studeren was,
kwam een dief in zijn huis.
Met een wapen in de hand zei hij:
‘Je geld of je leven!’
De meester zei:
‘Neem zelf maar het geld, het ligt daar in die kast.’
En hij ging verder studeren.
De dief scharrelde het geld bijeen.
‘Wil je niet alles meenemen, vroeg de meester
op het einde van de week moet ik mijn belastingen betalen.’
Toen de dief wilde weggaan,
riep de wijze hem achterna:
‘Je vergeet me te bedanken!’
De dief was stomverbaasd.
Hij dankte de meester en liep weg.
Een paar dagen later werd de dief gevangen.
Hij bekende zijn diefstal bij de meester.
Toen men de meester erbij riep, zei die:
‘Nee, die man heeft niets gestolen.
Ik heb hem het geld gegeven.
Hij heeft er mij nog voor bedankt ook.’
De dief was zo geraakt door deze reactie
dat hij besloot om anders te gaan leven;
Toen hij zijn gevangenisstraf had uitgezeten,
werd hij leerling van de meester.
(Een Zen-verhaal)
Overweging bij het verhaal
Wat een gedroomde situatie voor een dief!
Mochten alle mensen er zo over denken
dan hoefde hij niet eens meer uit stelen te gaan,
het geld zou hem zomaar gegeven worden.
Maar dit is natuurlijk geen verhaal over een dief.
En het gaat al helemaal niet over stelen …
Het gaat over de manier waarop mensen
aan het materiële gehecht zijn.
De meester wilde van zijn geld alleen nog maar het deel
om zijn belastingen te betalen.
Hoe vervelend belastingen ook zijn
ze maken het functioneren van de maatschappij mogelijk.
Met belastingen worden wegen onderhouden,
er is openbaar vervoer, zieken worden verzorgd,
kinderen en jongeren kunnen naar school …
Dat vond de meester duidelijk wel heel belangrijk.
Het gaat ook over het effect van een bepaalde reactie.
Wie op een regendag zomaar een warme groet krijgt,
ziet die dag meteen opklaren
en voelt zich veel frisser en dynamischer.
Ook de dief werd geraakt door de houding van de meester:
welke rijkdom bezit die man wel
dat hij zomaar afstand kan doen van het geld dat hij bezit.
En hij gaat bij hem in de leer.
Misschien is de veertigdagentijd
wel een geschikte periode
om eens met andere ogen te kijken
naar alle dingen die ons omringen.
Dag
(C LETERME, Een parel voor elke dag, uitgeverij Averbode 2012, p. 77)
Een oude rabbi vroeg eens
aan zijn leerlingen:
‘Hoe kun je weten
dat de nacht ten einde is
en de dag begint?’
‘Is dat het moment waarop je van ver
een hond van een schaap
kunt onderscheiden?’
vroeg één van de leerlingen.
‘Nee,’ zei de rabbi.
‘Is dat wanneer je van ver
een dadelboom van een vijgenboom
kunt onderscheiden?’
vroeg een andere leerling.
‘Neen,’ zei de rabbi.
‘Maar wanneer is het dan?’
vroegen de leerlingen.
‘Het is
wanneer je in het gezicht van een ander mens
kunt kijken,
en je daarin je zus of broer ziet.
Dan is de nacht voorbij
en is de dag aangebroken.’
(Naar een Chassidisch verhaal)
Samenwerken
(C LETERME, Een parel voor elke dag, uitgeverij Averbode 2012, p. 70)
Eens stond een groot bos
in vuur en vlam.
Er waren twee mensen in dat bos.
De ene was blind,
en de andere was verlamd
en kon dus niet lopen.
Beide mannen hadden op zich
geen schijn van kans
om het bos tijdig te kunnen verlaten.
Dus kwamen ze overeen:
de blinde nam zou de verlamde
op zijn schouders dragen.
En omdat de verlamde man kon zien
en de blinde kon lopen,
werden ze samen één man.
Zo kwamen ze het bos uit
en redden ze hun leven.
De rijke en de bedelaar
(C LETERME, Een parel voor elke dag, uitgeverij Averbode 2012, p. 65)
Een bedelaar
vroeg eens een aalmoes
aan een rijk man.
En de rijke man gaf hem een aalmoes.
De bedelaar ging met het geld
naar een kroeg
en dronk zich te pletter.
De volgende dag
kwam er een andere bedelaar bij de rijke.
En ook hij vroeg om een aalmoes.
Maar de rijke zei:
‘Ik geef niets meer,
want jullie gebruiken mijn geld toch maar
om het op te drinken.
Ga weg en kom niet meer aan mijn deur!’
Toen is de bedelaar weggegaan.
Hij is niet meer teruggekomen.
Want die avond
is hij gestorven van honger.
Het verhaal van de goeroe
(C. LETERME, Parels van verhalen, Averbode 2019, p. 183)
Bhai Kanhaya liep over het slagveld.
Hij gaf water aan de gewonden
en hielp overal waar hij kon,
zonder onderscheid te maken tussen Sikhs en Mongolen.
De soldaten van goeroe Gobind Singh raakten geërgerd
en gingen bij de goeroe klagen.
Gobind Singh riep toen Bhai Kanhaya bij zich
en vroeg hem om uitleg.
Bhai Kanhaya antwoordde:
‘Het is juist dat ik geen onderscheid maak
tussen Mongolen en Sikhs. Ik zie alleen mensen.
Ik gaf hen water omdat ik u op hun gezicht zag.’
Gobind Singh antwoordde:
‘Dat heb je goed gezegd.
Geef hen nu ook zalf om hun wonden te verzorgen,
want je heb goed begrepen wat de goeroes zeggen.’
(Naar een verhaal uit Noord - India)
Samen sterk
(C LETERME, Een parel voor elke dag, uitgeverij Averbode 2012, p. 33)
Er was eens een man die drie zonen had.
Op een dag zei hun vader:
‘Breng me zoveel takken
als jullie kunnen dragen!’
De jongens renden het bos in
en keerden na een tijd terug
met een bos takken.
‘Neem elk één tak,’ zei de vader,
‘en probeer hem te breken.’
‘Da’s gemakkelijk’ zeiden de jongens,
en ze braken hun stokken in twee.
‘Bind nu alle stokken samen met een touw,’
zei de vader,
‘en probeer dan die bussel te breken.’
Ze probeerden het om beurt,
maar de takken
die afzonderlijk zo gemakkelijk te breken waren,
waren samengebundeld zo sterk als staal.
‘Wel,’ zei hun vader,
‘wat jullie met deze stokken deden,
kan ook met jullie gebeuren.
Als je alleen voor jezelf opkomt,
kan men je gemakkelijk aanvallen en breken.
Maar samen
zijn jullie zo sterk als deze bussel takken.’
(Naar een verhaal van Aesopus)
Over de maag en de overige lichaamsdelen
(C LETERME, Een parel voor elke dag, uitgeverij Averbode 2012, p. 110)
In de tijd dat de lichaamsdelen van de mens
nog geen echte eenheid vormden,
en elk deel zijn eigen wil en zijn eigen taal bezat,
protesteerden de ledematen:
‘Waarom moeten wij alles waarvoor we zorgen en werken,
aan de maag geven?’
De maag...
lag rustig in het centrum
en deed niets anders
dan proeven, genieten en profiteren.
Toen spraken de ledematen het volgende af:
‘De handen zullen geen eten meer brengen naar de mond.
De mond zal het niet meer opnemen
en de tanden zullen het niet meer kauwen.’
Maar terwijl de ledematen
de maag door honger wilden straffen,
ondervonden zij en het hele lichaam
dat ze alsmaar zwakker werden.
(Naar een parabel van Titus Livius)
Na de vierde zondag van de veertigdagentijd
Invalshoek: Sober leven
Honger
(bewerking van een verhaal van J. DEMEYERE in Zonnestraal 23-2004, p. 19)
Joeri ging samen met Yasmina en Malika, haar oudere zus, van school naar huis.
Een geluid borrelde op uit Malika's buik.
- Honger? vroeg Joeri.
- Ja, ik heb vanmiddag niets gegeten, antwoordde Malika.
- Ben je ziek? Of ben je op dieet? vroeg Joeri bezorgd.
Malika glimlachte en zei:
- Het is ramadan voor de moslims.
Dan eten en drinken we een hele maand overdag niets.
Pas als het donker wordt, eten we.
- Wat heeft dat voor zin? Vroeg Joeri.
Yasmina legde het uit:
- Door te vasten besef je opnieuw hoe armen leven.
En hoe goed we het wel hebben.
Tijdens de ramadan bidden we ook veel.
We danken Allah voor alles wat Hij de mensen geeft.
- Dat lijkt wat op onze veertigdagentijd, zei Joeri.
Die duurt veertig dagen, van Aswoensdag tot paaszaterdag.
Sommige mensen eten in die periode heel sober.
Ik heb er nog nooit aan meegedaan.
Maar als ik je zo hoor, wil ik het wel eens proberen. Beloofd!
Het beloofde land
(C. LETERME, Parels van verhalen, Uitgeverij Averbode 2019, p. 73)
‘Maandag om 9.45 uur vertrekt op spoor vier de trein naar een land
waar iedereen vriendelijk is en niemand arm is.’
Deze aankondiging vond iedereen van het dorp in de brievenbus.
Die maandagmorgen stond perron vier
vol met mensen die naar dat land wilden.
Ze hadden van alles mee in koffers en manden.
Toen de trein er was, werd er geduwd en getrokken.
Er bleek onvoldoende plaats voor al wat ze meegenomen hadden.
Sommige mensen gingen met hun spullen terug naar huis.
Enkele uren later kwam de trein aan de voet van een berg.
‘De trein is te zwaar geladen’, zei de machinist.
Laat alles achter wat je toch niet gelukkig maakt.’
Na een tijd was er een berg die nog steiler was dan de eerste.
‘Jullie moeten nog meer bagage achterlaten’ zei de machinist.
De mensen lieten uiteindelijk nog wat achter.
Enkele uren later, toen de zon onderging,
reed de trein het beloofde land in,
het land waar mensen elkaar vonden zonder al hun spullen.
Het grootste huis van de wereld
(C LETERME, Een parel voor elke dag, uitgeverij Averbode 2012, p. 76)
Er was eens een kleine slak
die tegen zijn vader zei:
‘Als ik groot ben,
wil ik het grootste huis van de wereld hebben.’
Zijn vader zei:
‘Wat dwaas!
Veel dingen zijn beter als ze klein zijn!’
De kleine slak luisterde niet.
En in de schaduw van een groot koolblad
keerde hij zich om en om,
trok, duwde, rukte en kronkelde zich,
tot hij wist hoe hij zijn huis kon laten groeien.
Zijn huis werd groter en groter,
tot de andere slakken zegden:
‘Je hebt zeker het grootste huis van de wereld.’
De kleine slak was trots en gelukkig.
Maar op een dag...
toen de slakken alle bladeren hadden opgegeten,
besloten ze andere koolbladeren te zoeken.
De kleine slak kon helaas niet meegaan,
want zijn huis was te groot en te zwaar.
Hij bleef dus alleen achter zonder voedsel.
Hij werd ziek van de honger
en werd kleiner en kleiner.
Tenslotte bleef er niets meer van hem over.
Alleen zijn huis was er nog.
En ook dat brokkelde beetje bij beetje af.
(Naar een verhaal van L. LIONNI)
Geconcentreerd leven
(C LETERME, Een parel voor elke dag, uitgeverij Averbode 2012, p. 222)
Op een dag vroeg men aan een wijze man
hoe hij rustig en geconcentreerd kon leven
ondanks zijn bezigheden en beslommeringen.
Hij antwoordde:
‘Als ik sta, dan sta ik,
als ik ga, dan ga ik,
als ik eet, dan eet ik,
als ik spreek, dan spreek ik.’
De mensen zegden:
‘Maar dan doen wij toch ook,
wat doet u dan eigenlijk nog meer?’
De wijze man zei opnieuw:
‘Als ik sta, dan sta ik,
als ik ga, dan ga ik,
als ik eet, dan eet ik,
als ik spreek, dan spreek ik.’
En opnieuw zegden de ondervragers:
‘Maar wij doen precies hetzelfde!’
Toen zei de wijze man:
‘Nee, als je zit, dan sta je al,
als je loopt, dan wil je er al zijn,
als je eet, ben je al klaar,
en als je spreekt, dan luister je meestal
al niet meer naar het antwoord.’
(Naar een Boeddhistisch verhaal)
De ontevreden vis
(C LETERME, Een parel voor elke dag, uitgeverij Averbode 2012, p. 244)
In een vijver zwommen heel wat visjes.
Ze waren heel gelukkig.
Maar in die vijver zwom ook een grote vis.
Voortdurend zei hij:
‘Uit de weg, dit is mijn plek.’
Op een dag zei een klein visje:
‘Grote vis,
waarom ga je niet naar de grote rivier?
Daar kun je vriend zijn van andere grote vissen!’
‘Goed idee!’ dacht de grote vis,
en bij de volgende overstroming,
zwom hij haar de grote rivier.
Daar werd hij omringd door wel vijf vissen,
die veel groter waren dan hij.
‘Opzij, visje!’ riepen ze,
‘Weet jij dan niet dat dit onze plek is?’
De vis dacht:
‘Maar hoe kan ik hier leven,
als ik geen plekje krijg?’
Daarom ging hij ‘s nachts op zoek naar eten.
Ineens stond hij oog in oog met een grote katvis.
Die had hem zeker opgegeten,
als er niet toevallig een boot voorbijkwam,
die zoveel golven maakte,
dat hij zich in de modder kon verstoppen.
‘Was ik maar in mijn eigen vijver gebleven’ dacht hij.
En bij de volgende overstroming
liet hij zich terug meedragen
naar zijn vroegere vijver.
Sedert die dag kunnen de kleine vissen
zomaar rond hem heen zwemmen.
En de grote vis vindt zich niet te goed
om samen met hen te leven.
(Naar een verhaal uit Senegal)
Inspirerend
(C. LETERME, Parels van verhalen, Uitgeverij Averbode 2019, p. 173)
‘Kinderen, jullie mogen elk een papiertje trekken,’ zei meester Vic.
‘Wie een papiertje heeft met een getal tussen 1 tot 10 mag in de klas.’
Die kinderen mochten aan een mooi versierde tafel zitten
vol koffiekoeken, fruitsap en lekkere dingen.
Daarna mochten de kinderen met een getal van 11 tot 30 de klas binnen.
Zij moesten aan twee tafels zitten zonder tafellaken en versieringen,
met daarop een paar bekers, een kan water en wat gebroken koekjes.
Eén meisje werd boos. 'Dàt is niet eerlijk,' zei ze.
'Toch wel,’ zei iemand van de rijke tafel, ‘we trokken zelf ons getal.'
Maar aan de rijke tafel bleef Sarie in stomme verbazing zitten.
‘Meester, mogen we delen met de anderen?’
‘Jullie mogen doen wat jullie willen,’ zei de meester.
Daarop gaf Sarie enkele koffiekoeken aan de andere tafel.
‘Mogen we ook fruitsap geven?’ vroeg ze.
De meester zei niets. De anderen stonden al klaar met hun bekertjes.
Sarie schonk de bekers vol. Ze vergat zelfs haar eigen koeken te eten.
Stilaan gaf een tweede en een derde kind ook iets door.
Uiteindelijk had iedereen iets lekkers in de hand.
Toen vroeg meester Vic: ‘Weten jullie wat dit betekent?’
Niemand wist het!
'Wel zo gaat het eraan toe in de wereld.
Miljoenen mensen lijden honger terwijl een kleine groep erg rijk is.’
Ineens werden sommige kinderen wakker.
‘Meester, ik dacht ook al: zo dadelijk geef ik de anderen iets.’
‘Meester, ik wou ook iets geven, maar ik dacht dat dat niet mocht.’
‘Meester, ik dacht: ik zal maar niet veel eten, dan blijft er nog wat over.’
En Sarie … die zei niets, zich niet bewust van wat ze had gedaan.
De diamant
(C LETERME, Een parel voor elke dag, uitgeverij Averbode 2012, p. 112)
Op een avond zat een meester
onder de grote boom van zijn dorp.
Een dorpeling kwam aangelopen.
‘Geef mij de kostbare steen!’ riep hij.
‘Welke steen?’ vroeg de meester.
‘Vorige nacht,’ zei de dorpeling,
‘zei een engel me in een droom
dat ik ’s avonds in het dorp,
een man zou aantreffen onder de grote boom.
Hij zou mij een steen geven
die mij rijk zou maken.’
De meester nam zijn reiszak
en haalde er een steen uit.
‘Bedoelde de engel deze steen?’ vroeg hij.
En hij gaf de steen aan de dorpeling.
‘Een paar dagen geleden
vond ik hem in het bos.
Je mag hem houden.’
Met bewondering keek de man naar de steen.
Het was een diamant van onschatbare waarde.
Hij nam de steen aan en ging naar huis.
Maar ’s nachts kon hij niet slapen.
Er was iets dat hij niet begreep
en hem niet met rust liet.
De volgende dag ging hij terug
naar de meester onder de boom.
Hij vroeg:
‘Meester, kunt u mij de rijkdom geven
die het u mogelijk maakt
om zomaar die diamant weg te geven?’
Na de vijfde zondag van de veertigdagentijd
Invalshoek: Delen
De extra maand
(C LETERME, Een parel voor elke dag, uitgeverij Averbode 2012, p. 140)
Er was eens een rijk man, die heel gierig was.
Op een dag stierf hij.
Hij kwam in een kamer met uitzicht op de hel en de hemel.
Niets lag er, zelfs niet het kleinste kruimeltje brood.
Hij riep een engel en vroeg:
‘Waarom word ik zo slecht behandeld?’
De engel zei:
‘Omdat je jou niet voorbereid hebt tijdens je leven.’
De man zei:
‘Maar daar heeft niemand me ooit iets van gezegd!
Mag ik misschien nog een maand langer leven
om me hier beter op voor te bereiden.’
De engel zei:
‘Goed. Je mag nog een hele maand langer leven.’
Zo kwam de oude gierige man terug op aarde.
Hij begon alle soorten voedsel klaar te maken.
Aan zijn kok vroeg hij
om heel veel droge koekjes te bakken.
Maar de arme kok
liet er een paar van verbranden.
Toen de rijke man hem begon uit te schelden,
klopte er een bedelaar aan de deur.
Omdat het de laatste dag was,
van de maand die hij langer mocht leven,
maakte de rijke man voor het eerst in zijn leven een groot gebaar:
hij gaf de bedelaar één van de verbrande koekjes.
Wat later kwam hij terug in de kamer met uitzicht op de hel en de hemel.
Daar vond hij in een hoek het verbrande koekje
dat hij aan de bedelaar had gegeven.
(Naar een verhaal uit Marokko)
De kip en het varken
C. LETERME, Een parel voor elke dag, uitgeverij Averbode 2012, p. 80
Een kip en een varken
luisterden naar de radio.
In het nieuws sprak de omroeper
over de honger in de wereld.
De kip en het varken vonden
dat zij er iets moesten aan doen.
En de kip zei: 'Lief varken,
als we die hongerige mensen
nu eens spek en eieren te eten zouden geven,
dan is dat probleem al heel wat minder groot.'
'Goed idee!' zei het varken,
'dat doen we.'
Maar na tien minuten zei het varken:
'Jouw idee, lieve kip, is heel goed,
want zo helpen wij die arme mensen.
Maar hoe meer ik over de gevolgen nadenk,
hoe meer ik er me verveeld bij voel.
Jouw geschenk kom je gemakkelijk te boven.
Maar met mijn bijdrage
zet ik mijn leven op het spel.'
Overweging bij het verhaal
Met Aswoensdag begint de veertigdagentijd.
De veertig in ‘veertigdagentijd’ valt niet zomaar uit de lucht:
Toen Noach leefde, regende het veertig dagen en nachten.
Mozes trok met de Israëlieten veertig jaren door de woestijn.
Elia was veertig dagen in de woestijn, net als Jezus.
Telkens bleek die periode een tijd van voorbereiding.
Noach bereidde zich tijdens de zondvloed voor op een volledig nieuw leven.
De Israëlieten bereidden zich voor op hun leven in het beloofde land,
Jezus bereidde zich voor op een leven als rondtrekkende leraar.
Nu bereiden wij ons veertig dagen voor op Pasen.
Veel mensen gebruiken voor de veertigdagentijd nog het woord 'vasten'.
Maar dat woord roept alleen op dat men soberder wil leven.
Bijvoorbeeld: geen vlees eten, geen eieren, geen ...
Maar de voorbereiding op Pasen is meer dan alleen 'vasten':
er moet ook extra aandacht zijn voor solidariteit, stilte en verzoening.
Met die stilte wil men God op het spoor komen en wat Hij wil.
Men neemt de tijd om zich te bezinnen en zijn leven te herschikken:
Wat is echt belangrijk? Wat is de moeite van mijn tijd waard?
Wat is in mijn leven belangrijk vanuit mijn geloof in Jezus Christus?
Hoe geef ik een plaats aan God in mijn leven?
De aandacht voor verzoening roept op
om scheefgegroeide situaties recht te trekken
en nieuwe kansen te geven aan wie ons omringt.
Met solidariteit wil men actieve aandacht hebben voor wie in nood is.
Wat kan ik doen om de wereld voor iedereen leefbaar te maken?
Dit verhaal maakt duidelijk dat zoiets niet vrijblijvend is.
Het kan behoorlijk snijden in je vel.
Het gaat om broederlijk ‘delen’, niet om je broer te geven van je overschot.
Dat is een stevige opgave, waar we nog lang niet aan toe zijn,
zelfs niet met veertig dagen in een jaar.
Op weg naar God
(C. LETERME, Parels van verhalen, Averbode 2019, p. 84)
Een gelovig man droomde in zijn slaap.
Hij droomde dat hij wandelde
‘Waar ga je naartoe?’ vroeg een engel.
‘Ik ben op weg naar God,’ zei hij.
‘Waarom draag je zoveel met je mee?
Denk je dat dat je dichter bij God brengt?’ vroeg de engel.
Toen de gelovige man wakker werd,
besloot hij heel zijn rijkdom aan de armen te geven.
Kort daarna droomde hij opnieuw.
‘Waar ga je naartoe?’ vroeg de engel.
‘Ik ben op weg naar God,’ zei hij.
‘Waarom draag je een deken om je heen?
Denk je dat je er dichter bij God mee komt?’ vroeg de engel.
Toen de gelovige man wakker werd
gaf hij zijn deken aan een vluchteling.
De derde nacht droomde de man opnieuw.
‘Waar ga je naartoe?’ vroeg de engel.
‘Ik ben op weg naar God,’ zei hij
‘Je hebt alles weggegeven wat je had,’ zei de engel,
‘nu moet je niet meer naar God gaan,
want Hij zal nu naar jou toekomen.
Hij zal als een mantel om je heen zijn,
en jou met zijn rijkdom overladen.’
De kracht van ongeloof
(C. LETERME, Parels van verhalen, Averbode 2019, p. 93)
Op een dag zei rabbi Mosje
tegen zijn leerlingen
in het leerhuis:
‘Alles is door God gemaakt.’
‘Heeft God dan ook ongeloof gemaakt?’
vroegen ze verbaasd.
‘Jazeker!’ zei de rabbi.
‘Wat kan daar nu goed aan zijn?’ vroegen ze.
‘Ook ongeloof kan nuttig zijn!’ zei de rabbi,
‘Stel je voor: een vluchteling heeft hulp nodig.
Iemand die gelooft zou dan kunnen zeggen:
“Vertrouw op God, die zal je wel helpen.”
Maar Ik zeg je: als iemand bij jou om hulp komt
dan moet je doen alsof God niet bestaat
en dat er niemand is om hem te helpen.
Behalve jij.’
(Naar een joods verhaal)
De kameel
(C. LETERME, Parels van verhalen, Averbode 2019, p. 159)
Op een dag hoorde een kameel een verhaal over een land
waar het leven goed is voor iedereen:
Niemand heeft er honger en niemand is er eenzaam.
‘Daar wil ik wonen,’ zei de kameel.
Ze pakte al haar spullen bijeen en ging op weg.
Na een lange reis kwam ze bij de poort van dat land.
Een leeuw zat er te kaarten met een schaap.
‘Is hier het land waar het leven goed is voor iedereen?’ vroeg de kameel.
‘Zeker,’ zei het schaap, ‘maar voor jou zal dat wel moeilijk zijn
Kijk eens naar dat poortje, je kunt er niet door.’
De kameel zag een heel erg klein poortje.
‘Nee, daar kan ik er echt niet door!’ zei de kameel.
‘Laat die kist met eten maar hier,’ zei het schaap.
Bij deze poort komen heel wat mensen die honger hebben.’
De kameel zette de kist op de grond, maar het poortje bleef te klein.
‘Dat geld in de tassen,’ zei de leeuw, ‘kunnen armen goed gebruiken.’
De kameel keek zuur.
Toen stak hij haar kop door de poort, maar de belletjes zaten in de weg.
‘Moet dat ook af?’ vroeg ze vertwijfeld.
‘Ja,’ zei de leeuw, ‘en die stoffen ook, daar maken we kleren van.’
Daar stond de grote kameel. Ze voelde zich heel klein.
‘Ik begrijp het niet,’ zei ze.
‘In dit land zou het leven goed zijn voor iedereen.
En ik moet alles afgeven?’
‘Het leven is hier goed voor iedereen,’ zei de leeuw
‘omdat we alles delen wat we hebben.’
‘Alles delen …’, zei de kameel.
Daar moet ik nog eens over nadenken. Dank u.’
Ze pakte al haar spullen weer op haar rug.
‘U hoort nog wel van me,’ zei ze.
Het pakje koekjes
(C. LETERME, Parels van verhalen, Averbode 2019, p. 171)
In de vertrekhal van een internationale luchthaven
wachtte een jonge vrouw op haar vlucht.
Omdat ze nog erg lang moest wachten
kocht ze een boek en een pakje koekjes.
Ze ging zitten in een zetel om wat te lezen
terwijl ze toch aan het wachten was.
Naast haar zat een man
die in een tijdschrift las.
Op het tafeltje tussen hen in
lag het pakje koekjes.
Zij nam als eerste een koekje.
De man nam er ook een.
'Die durft nogal', dacht ze kregelig,
maar ze zei niets.
Ze nam opnieuw een koekje
en hij nam er ook een.
Dat maakte haar boos,
maar ze beet op haar lip en zei niets.
Na een tijd was er nog maar één koekje over.
Toen nam de man dat laatste koekje
brak het in twee en gaf haar de helft.
'Nu is het genoeg', dacht ze.
Ze pakte al haar spullen bijeen
en rende naar de incheckbalie.
Toen ze in het vliegtuig haar bril wilde nemen,
keek ze in haar tas.
Tot haar verbazing zat daarin het pakje koekjes
dat nog dicht was.
Ze had de helft van de koekjes van de man gegeten
en die had er zich niet eens aan geërgerd.
(Naar een Angelsaksisch verhaal)
Twee soorten handen
(C LETERME, 99 verhalen met een knipoog, uitgeverij Averbode 2014, p. 62)
Twee mensen kwamen aan de hemelpoort.
Voor ze binnen gingen, vroeg God:
- Toon me jullie handen.
De eerste toonde ze meteen.
- Kijk,
mijn handen zijn net en verzorgd.
Ik heb niemand kwaad gedaan
en ik heb ze altijd gewassen in onschuld.
- Ik zie mooi verzorgde handen, zei God,
maar ze hebben nooit naar mensen gereikt
en ze hebben nooit iemand verdedigd of gered.
Ik zie geen leven in je handen.
Ik zie alleen maar schone schijn!
Toen keek God
naar de handen van de tweede man.
- Sorry,
mijn handen zijn vuil
van wat ik allemaal gedaan heb.
Ik droomde van een nieuwe wereld,
een rechtvaardige wereld, vol vrede,
waar mensen gelukkig kunnen zijn.
Maar het enige wat ik kon redden,
is dit musje.
God keek naar de man.
- Kom binnen in mijn huis, zei Hij.
Je handen zijn wel vuil,
maar ze dragen het begin
van een nieuwe wereld.
Na de zesde zondag van de veertigdagentijd
Invalshoek: Leven geven
Het geschenk van de slak
(C LETERME, Een parel voor elke dag, uitgeverij Averbode 2012, p. 341)
Lang geleden wilden de dieren
God danken
voor alles wat ze van Hem
hadden gekregen.
Maar ... waar was de berg
waarop ze dat konden doen?
De slak wist het:
‘Die berg staat
aan het einde van de wereld.
Kom, ik wijs jullie de weg.’
De slak ging naar de berg,
de dieren volgden hem.
De weg die liep over bergen en dalen
konden de dieren gemakkelijk volgen,
want de slak liet een spoor achter,
dat zo glinsterde,
dat ze het niet alleen overdag,
maar ook ’s nachts konden zien.
Eindelijk zagen ze de berg
die met zijn top in de hemel stond.
‘Kom maar, slak,’ zeiden de dieren,
‘ga jij maar voorop.’
Maar de slak zei niets.
Toen klopten de dieren op zijn huisje.
Maar de slak was er niet meer.
Er was niets meer van hem over.
Met al wat hij had,
met al wat hij kon,
had hij een zilveren, glinsterend spoor achtergelaten
om de andere dieren de weg te wijzen.
(Naar een verhaal uit Scandinavië)
Twee sneetjes brood
(C LETERME, Een parel voor elke dag, uitgeverij Averbode 2012, p. 147)
Twee sneetjes brood, een heel oud en een vers,
waren in de broodtrommel met elkaar aan het praten.
Het verse sneetje zei:
‘Ik ben heel jaloers op jou.’
‘Hoe kom je daar bij?’ vroeg het oude sneetje.
‘Er kan jou niets meer gebeuren.
Niemand haalt het nog in zijn hoofd om je op te eten.
Maar mij kunnen ze ieder ogenblik opeten,
en dan blijft er niets meer van mij over.’
‘Hoe kun je nu zo praten?
Wat is er zaliger
dan opgegeten te worden als je brood bent?
Brood dat niet gegeten wordt, deugt nergens voor,
tenzij om weggegooid te worden,
te beschimmelen en helemaal te vergaan.’
‘Maar van mij blijft er toch ook niets over
als ik opgegeten wordt.’
‘Heb je er dan nog nooit over nagedacht
wat er met je gebeurt als je opgegeten bent?’
‘Ja... eerst word je fijngekauwd,
dan word je doorgeslikt,
dan kom je in de buik van de mens
en daar word je fijngemaakt
tot er niets meer van je overblijft...’
‘Wel, zal ik je nu eens iets zeggen?
Als het lijkt dat er niets meer van je overblijft,
gebeurt er iets wonderlijks.
Dan stroom je door het hele lichaam van de man of vrouw
die je opgegeten heeft.
Die mens is heel blij met je,
want door jou kan hij werken en dansen
en springen en lachen...’
‘Dat heb ik nooit geweten.’
De boer en de bamboe
(C LETERME, Een parel voor elke dag, uitgeverij Averbode 2012, p. 151)
In de tuin van een boer
stond een grote bamboe.
De boer hield ervan
en verzorgde hem goed.
Op een dag kwam de boer bij de bamboe en zei:
‘Lieve bamboe, het spijt me,
maar ik moet enkele van je bladeren afsnijden.
Ik heb ze nodig als borden voor mijn gasten.’
‘Dat kun je niet doen,’ riep de bamboe,
ik ben zo fier op mijn bladeren.’
‘Toch moet het,’ zei de boer,
ik heb je bladeren nodig voor mijn gasten.’
De boer sprak nog een hele tijd tegen de bamboe,
en sneed toen zijn bladeren af.
Wat later ging de boer terug naar zijn bamboe en zei:
‘Lieve bamboe, het spijt me,
maar ik moet je omkappen.’
‘O nee,’ huilde de bamboe,
‘dat kun je toch niet doen!
We zijn toch altijd goede vrienden geweest.’
De boer sprak nog een hele tijd tegen de bamboe,
Met gebroken hart liet de bamboe zich omkappen.
Met krachtige slagen hakte de boer de bamboeplant om,
bond de stammen aan elkaar
en maakte er een lange waterleiding van,
van de bergstroom tot het dorp,
zodat iedereen daar te drinken had.
(Naar een verhaal uit Afrika)
De mier en de graankorrel
(C LETERME, Een parel voor elke dag, uitgeverij Averbode 2012, p. 107)
Er was eens een graankorrel,
die na de oogst op het veld was blijven liggen.
Een mier kwam voorbij,
zag de korrel,
bond die op haar rug
en begon moeizaam de weg naar haar nest.
‘Waarom sjouw je zo?
Waarom leg je me niet neer?’
vroeg de graankorrel.
De mier hijgde:
‘Als ik je neerleg,
heb ik deze winter geen eten.’
‘Maar ik ben niet gemaakt
om zomaar opgegeten te worden,’
zei de graankorrel,
‘Ik ben een zaadje, vol leven.
Ik wil uitgroeien tot een plant!
Mag ik je een voorstel doen?
Als je me hier laat liggen,
in plaats van me mee te slepen naar je nest,
zal ik je honderd graankorrels geven.’
‘Honderd korrels in ruil voor één enkele?
Dat is de moeite!
Hoe gebeurt zo’n wonder?’ vroeg de mier.
‘Maak een kuiltje in de grond,
begraaf me erin,
en kom over een jaar terug,’
zei de graankorrel.
Na een jaar keerde de mier terug.
De graankorrel had woord gehouden.
(Naar een verhaal van L. DA VINCI)
‘Mijn’ handen ...
(C LETERME, Een parel voor elke dag, uitgeverij Averbode 2012, p. 106)
In de laatste dagen van de oorlog
werd een Duits dorp verwoest.
Na de wapenstilstand hielpen Amerikaanse soldaten
de boeren bij het herstellen van hun huizen.
Ook de kerk was zwaar beschadigd:
de muren moesten gestut worden,
en het middenschip moest overdekt.
Moeizaam zochten de soldaten
naar de brokstukken van een oud Christusbeeld,
dat in het bombardement vernield was.
Zorgvuldig pasten ze het beeld weer in elkaar,
en zetten het terug op zijn plaats.
Het zag er mooi uit,
alleen de handen ontbraken.
Die hadden ze niet kunnen terugvinden.
Toen schreef één van de soldaten op een bordje:
‘I have no other hands than yours’
(Ik heb geen andere handen dan de uwe)
Pater Kolbe
(C. LETERME, Parels van verhalen, uitgeverij Averbode 2019, p. 117)
Februari 1941
Kolbe, een Franciscaanse pater,
werd opgesloten
in het concentratiekamp van Auschwitz.
Juli 1941
Een gevangene ontsnapte uit het concentratiekamp in Auschwitz.
Als dat gebeurde, bracht men voor iedere ontsnapte gevangene,
tien andere gevangenen naar een cel,
waar ze geen eten en drinken meer kregen tot ze stierven.
De gevangenen moesten bijeenkomen op het binnenplein.
De commandant pikte er tien mannen uit. De tiende was Gajowniczek.
Toen de SS-officieren zijn nummers noteerde,
snikte hij: ‘Mijn vrouw, mijn kinderen.’
Kolbe, een van de gevangenen, verliet zijn rij.
De hoofdbewaker snauwde hem toe: ‘Halt, of ik schiet je neer!’
‘Ik wil de commandant spreken’, zei Kolbe, ‘ik wil zijn plaats innemen.’
En hij wees naar de snikkende Gajowniczek.
‘Ik heb geen vrouw en kinderen,’ zei Kolbe, ‘en ik ben oud.
Hij heeft een veel betere conditie en is voor jullie een betere werkkracht.’
‘Toegestaan’, blafte de commandant.
Gajowniczek bedankte pater Kolbe met zijn ogen.
Pater Kolbe stierf uiteindelijk op 14 augustus 1941 na een injectie met carbolzuur.
Hij werd in 1982 heilig verklaard. Zijn feestdag is op 14 augustus.
Gajowniczek overleefde de Holocaust. Hij stierf in 1995.
Gijzeling in Trèbes
(C. LETERME in Kerk en leven, Federatie Rotselaar, 2 mei 2018, p. 1)
Vrijdag 24 maart 2018
Eerder die morgen schoot een 26-jarige jongeman,
die trouw had gezworen aan de Islamitische Staat,
een vrouw dood bij het stelen van haar auto.
Met haar auto reed hij
naar een supermarkt in Trèbes (nabij Carcassonne, Zuid-Frankrijk).
Daar schoot hij onmiddellijk twee aanwezigen neer en
gijzelde hij een aantal mensen.
Toen agenten op de plaats van de gijzeling kwamen,
stelde één van hen, Arnaud Beltrame, aan de dader voor
om de plaats in te nemen van een van de gegijzelden.
De ruil kon doorgaan.
De 45-jarige Arnaud Beltrame nam de plaats in
van een vrouwelijke gijzelaar.
Terwijl hij in de winkel was,
liet hij zijn gsm aanstaan
zodat zijn collega’s konden volgen
wat er zich binnen afspeelde.
Zo redde hij meer levens
dan alleen dat van de vrouw van wie hij de plaats had geruild.
Tenslotte werd Arnaud Beltrame neergeschoten
en levensgevaarlijk verwond met een mes in de hals.
Rond 14.30 uur bestormde de politie de supermarkt
en schoot de dader dood.
's Anderendaags stierf Arnaud Beltrame in het ziekenhuis.
Overweging bij het verhaal
Het is niet de eerste keer dat een politieagent sterft
bij een gijzelingsactie.
Maar het is wel ongewoon dat de agent de gijzelnemer vraagt
om de plaats te mogen innemen van een gijzelaar.
In het evangelie zegt Jezus:
‘Geen groter liefde
kan iemand hebben dan deze,
dat hij zijn leven geeft voor zijn vrienden.’
In het geval van Arnaud Beltrame …
Hij kende de vrouw niet die hij zou vervangen.
Hoe uitzonderlijk is het dat iemand zijn werk doet
en daarbij handelt alsof de mensen zijn vrienden zijn?
Vraagt Jezus dat wij ons leven
zouden geven voor onze vrienden?
Minstens vraagt Hij
dat we ons er totaal zouden voor inzetten.
Extra
Invalshoek: Volhouden
De kraai en de kruik water
(C. Leterme, Een parel voor elke dag, uitgeverij Averbode, 2007, p. 152)
In de takken van een oude boom
leefde eens een wijze kraai.
De hele dag vloog hij over steden en dorpen
op zoek naar voedsel.
Op een dag kwam er grote droogte.
Het water in de vijvers en rivieren droogde op.
Vele dieren stierven.
De kraai vloog de hele dag op zoek naar water.
Op een dag zag hij een oude aarden kruik,
die half begraven lag in de vijver van het dorp.
Op de bodem van de kruik
had de kraai water gezien,
maar de kruik was diep en de hals te smal.
En de kraai kon er niet bij.
Toen keek de kraai om zich heen
en zag dat de grond vol kiezelsteentjes lag.
Hij pikte ze een voor een op
en liet ze in de kruik vallen
tot het water hoog genoeg stond
om er van te drinken.
Zo had de kraai genoeg water
tot het opnieuw begon te regenen.
(Naar een fabel uit Noord-Indië)
De zijden draad
(C. Leterme, Een parel voor elke dag, uitgeverij Averbode, 2007, p. 131)
Een hoge beambte viel in ongenade bij zijn koning.
Hij werd gevangen gezet
in de bovenste verdieping van een toren.
Op een nacht keek de gevangene
uit de toren naar beneden
en zag zijn vrouw.
Zij maakte een teken naar hem.
Omdat hij niet begreep wat ze bedoelde,
wachtte hij maar af wat er zou gebeuren.
Zijn vrouw had een kever gevangen
en bestreek de voelhorens ervan met honing.
Toen bevestigde zij het einde van een zijden draad
aan het lichaam van de kever
en zette het diertje met de kop naar boven op de torenmuur.
De kever kroop langzaam de geur van honing na,
steeds hoger tot hij ten slotte
bij de gevangene kwam.
Die nam het kleine dier,
maakte de zijden draad los
en trok die langzaam naar zich toe.
De draad werd zwaarder.
De man zag dat aan de zijden draad
een garendraad bevestigd was.
Hij trok ook die naar boven.
De draad werd steeds zwaarder.
Aan het eind ervan was een touw vastgemaakt.
Langzaam trok de man het naar zich toe.
Ook dit werd zwaarder en zwaarder.
Aan het eind ervan was een sterk koord.
De man trok het koord naar zich toe
en maakte het aan de toren vast.
Toen klom hij uit het raam
en liet zich langs het naar beneden.
Hij was vrij.
Een opkikkertje
(C. Leterme, Een parel voor elke dag, uitgeverij Averbode, 2007, p. 71)
Er waren eens twee kikkers
die speelden in de kleine vijver
achter de boerderij.
Plotseling vielen ze in een emmer melk,
die in het water stond om af te koelen.
Ze probeerden er uit te wippen, maar...
Het lukte hen niet
om over de rand van de emmer te springen.
‘Ach,’ zei de ene kikker,
‘waarom zou ik mij nog inspannen?
Ik zal toch verdrinken!
geef het op!’
Hij spartelde niet meer
en verdronk.
‘Hé,’ zei de andere kikker.
‘waarom zou ik het opgeven?
Ik kan mij net zo goed nog wat inspannen,
je kunt nooit weten!’
En hij bleef spartelen,
uren en uren.
Laat in de avond,
voelde hij onder zijn pootjes
kleine brokjes.
Hij kreeg nieuwe moed
en spartelde verder.
Er vormde zich een brok vaste boter.
Hij sprong er op,
keek even rond en wip...
had zijn vrijheid terug.
Overweging bij het verhaal
‘Ik geef het op!’ ‘Het haalt toch niets uit!’
Je zou voor minder de moed verliezen:
de aarde blijft opwarmen,
het probleem van de armoede raakt maar niet opgelost,
mensen blijven met elkaar ruzie maken,
landen blijven oorlog voeren.
Ziektes en kwalen vergallen het leven van heel wat mensen.
Maar de andere kikker die in een emmer melk was gevallen,
gaf het niet op: ‘Je kunt nooit weten!’
Hij bleef met zijn pootjes spartelen en kreeg gelijk!
Er vormde zich een brok boter
en kon zo aan een gewisse verdrinkingsdood ontsnappen.
Wat hebben kikkers nu met de veertigdagentijd te maken?
Veel mensen geven het op:
Bestaat God wel? Het wordt toch niet beter met de wereld.
De problemen van vandaag zijn dezelfde als die van vroeger.
Veel leiders zijn alleen uit op eigen profijt.
En wie gelooft er nog?
Heel wat mensen willen er niets meer mee te maken hebben!
Een houding die het begin van het einde is!
Een onvruchtbare houding,
want de geringste positieve boodschap komt niet meer aan.
De veertigdagentijd is een geschikte tijd
om alles terug op te poetsen,
om het oorspronkelijk elan terug kans te geven,
om zich te blijven inzetten voor een betere wereld
voor iedereen! De minst bedeelden het eerst.
Want dan pas kan het rijk van God uitgebouwd worden
Dan pas is er voluit leven voor iedereen.
Parabel van het frietkot
(C LETERME, 99 verhalen met een knipoog, uitgeverij Averbode 2014, p. 127)
De parabel van het frietkot
Er was eens een man die een frietkot had.
Op het uithangbord van zijn kraam
liet hij een pakkende slogan schilderen.
De mensen kochten zijn frieten,
want ze waren lekker.
Ik moet een groter fornuis kopen
om de vraag te kunnen bijhouden, bedacht de man zich.
Hij sprak erover met zijn zoon.
- Maar vader, zei de zoon,
heb je de laatste tijd
dan niet meer naar het nieuws geluisterd?
Er is crisis in het land.
De mensen hebben niet zoveel geld meer!
Je moet op minder goede zaken rekenen.
Denk eraan: je verkoop kan teruglopen.
- Mijn zoon is verstandiger dan ik.
Hij volgt het nieuws.
Dus weet hij het beter.
En de man bestelde minder aardappelen,
vernieuwde zijn uithangbord niet,
hij sprak minder en prees zijn waar minder aan.
Geleidelijk ging de zaak achteruit.
- Zoon, je had gelijk, zei de vader,
het is crisis!
Het stuk grond in de schaduw
(C LETERME, 99 verhalen met een knipoog, uitgeverij Averbode 2014, p. 86)
Lang geleden leefde er in China een boer.
Hij werkte met zijn vrouw en kinderen
van 's morgens vroeg tot 's avonds laat
op het land van een rijke man.
Maar omdat die zo weinig betaalde voor al hun werk,
bleven de boer en zijn gezin arm.
Op een avond zei de oudste zoon:
- Ik wil niet meer voor die rijke man werken.
Kunnen we niet een stukje grond zoeken
dat helemaal van onszelf is?
Zijn vader wist dat in het noorden van het land
nog een stukje land van zijn grootvader lag.
- Dan gaan we daarnaar toe, riepen ze allemaal.
Dagenlang liepen ze te voet naar het land van de grootvader.
De grond was mooi, maar er groeide niet veel op,
want hij lag in de schaduw van twee hoge bergen.
Nu wisten ze waarom grootvader verhuisd was.
- Weet je? We zullen die bergen afbreken, zei de boer.
Elke dag ging hij met heel zijn gezin een berg op.
Ze maakten de stenen los, en lieten die naar beneden rollen.
- Belachelijk! zeiden de mensen uit het dorp,
mensen kunnen geen bergen verzetten.
- Heb geduld, zei de boer.
Als we dat blijven doen, worden die twee bergen steeds lager.
Dan kan de zon langer schijnen op het land,
zodat er steeds meer kan groeien op het land.
Toen de mensen zagen dat die boer gelijk had,
begonnen ze hem te helpen.
Zo kregen de kinderen en de kleinkinderen van de arme boer
veel meer te eten dan toen ze bij de rijke man werkten.
De vlinder
(C. Leterme, Een parel voor elke dag, uitgeverij Averbode, 2007, p. 40)
Op een dag probeerde een vlinder
zich een weg naar buiten te banen,
door een klein gaatje in haar cocon.
Een wandelaar die voorbij kwam,
zag de pogingen van de vlinder.
Na een tijd leek de vlinder het op te geven.
De wandelaar besloot:
‘Ik ga de vlinder helpen.’
Hij nam zijn zakmes en opende de cocon.
De vlinder kwam er meteen uit.
Maar,
mager en versuft.
Haar vleugels waren niet goed ontwikkeld.
Ze bewogen amper.
De wandelaar dacht:
‘Dit is maar even.
Straks slaat zij haar vleugels open
en vliegt de wijde wereld in.’
Maar dat gebeurde niet.
De vlinder sleepte zich voort over de grond
met haar magere lijfje
en haar verschrompelde vleugels.
Ze heeft nooit kunnen vliegen.
(Naar een verhaal uit Italië)
De rijstplantjes
(C. Leterme, Een parel voor elke dag, uitgeverij Averbode, 2007, p. 51)
Er was eens een oude man
die naar het platteland verhuisde,
omdat hij het leven in de stad moe was.
Daar plantte hij jonge rijstplantjes.
Omdat hij dit nog nooit eerder had gedaan,
ging hij elke dag naar zijn veld
om de plantjes te zien groeien.
Elke dag werden ze wat groter.
Toch dacht hij:
‘Hoe kan ik die plantjes nog sneller doen groeien?’
Ineens had hij een idee!
Hij spurtte naar het rijstveld,
liep van plantje tot plantje,
en trok ze één voor één twee centimeter hoger.
Hij dacht: ‘Eindelijk hebben mijn rijstplantjes
een flinke groeischeut gekregen!’
Hij wreef zich in de handen en ging naar huis.
Onderweg kwam hij een boer tegen
die naar zijn akkers ging.
Hij vertelde hem fier
wat hij gedaan had.
Toen de boer dit hoorde,
snelde hij naar het rijstveld,
gevolgd door de oude man.
Daar aangekomen,
zagen beide mannen dat alle scheutjes,
die half uitgetrokken waren,
kromgebogen stonden te sterven!
(Naar een verhaal uit China)