Loading...
 

Johannes 6, 30-35

Brood


…page…

Johannes 6, 30-35: Nooit meer honger!

De tekst

’Bijbel in gewone taal’ (Johannes 6, 22-35)

(Deze Bijbeltekst komt uit de Bijbel in Gewone Taal, © Nederlands Bijbelgenootschap 2014, p. 1684)

De mensen zeiden: ‘Kunt u dat met een teken bewijzen? Dan zullen we in u geloven. Mozes gaf ook een teken, hij gaf onze voorouders in de woestijn manna te eten. In de heilige boeken staat: «Hij gaf het volk brood uit de hemel te eten.»’
Maar Jezus zei tegen hen: ‘Het was niet Mozes, maar mijn Vader die dat brood gaf. Luister heel goed naar mijn woorden: Mijn Vader geeft jullie het ware hemelse brood. Het brood dat God geeft, komt uit de hemel en geeft eeuwig leven aan de mensen.’
De mensen zeiden: ‘Heer, geef ons elke dag dat brood!’
Jezus zei: ‘Ik ben het brood dat eeuwig leven geeft. Als je bij mij komt, zul je nooit meer honger hebben. Als je in mij gelooft, zul je nooit meer dorst hebben.’



Dichter bij de tijd

(Bewerking: C.Leterme)

De mensen vroegen aan Jezus:
‘Welke tekenen doe Jij waaraan wij kunnen zien dat wij in Jou moeten geloven?
Wat doe Je eigenlijk?
Onze voorouders hebben manna gegeten in de woestijn.
Dat staat zo in de Bijbel: Hij gaf hun brood uit de hemel te eten.
Jezus zei: ‘Echt waar, Ik zeg jullie:
wat Mozes jullie gaf was niet het brood uit de hemel.
Het echte brood uit de hemel dat geeft mijn Vader.
Het brood van God daalt uit de hemel neer en geeft leven aan de wereld.’
De mensen vroegen: ‘Heer, geef ons altijd dat brood.’
En Jezus zei: ‘Ik ben het brood dat leven geeft:
wie tot Mij komt zal geen honger meer hebben,
en wie in Mij gelooft zal nooit meer dorst krijgen.’



Stilstaan bij …

Manna
De gestolde afscheiding van de tamarisk, een boom die groeit in het gebied van de Sinaï.
Daarop leeft een luis die vooral in de maand juni de natuurlijke afscheiding, 'manna', produceert. Wanneer die verdampt, ontstaan er korreltjes die heel voedzaam zijn en een zoete smaak hebben, die aan honing doet denken. Lees meer over manna.

Omdat de joden op basis van het boek Deuteronium verwachtten dat de Messias een nieuwe Mozes zou zijn die het wonder van de Uittocht zou herhalen, spraken ze Jezus aan over het manna dat Mozes de mensen gegeven heeft.

Mozes
Stichter van de joodse godsdienst. Onder zijn leiding gingen Israëlieten uit Egypte naar het Beloofde Land.
Lees meer

Brood
Jezus gebruikt het woord in twee betekenissen:
Letterlijk: brood dat in de oven gebakken is en dat de fysieke honger van mensen stilt.
Figuurlijk: het woord van God dat de spirituele honger van mensen stilt.





Bij de tekst

Context

Het zesde hoofdstuk van het evangelie volgens Johannes wordt ‘De Broodrede’ genoemd. Het begint met het verhaal over de broodvermenigvuldiging (Johannes 6,1-15).



Spreken met beelden

Mensen gebruiken vaak 'beelden' om iets duidelijk te maken. Zo zeggen ze bijvoorbeeld: 'hij kan de eindjes moeilijk aan elkaar knopen' of 'hij beweegt zich op glad ijs' of 'hij kiest eieren voor zijn geld' of ....
Niemand denkt eraan dat letterlijk te nemen. Toch weet men wat men ermee bedoelt.
Als kinderen die 'beelden' niet meteen begrijpen, komen ze er mettertijd wel achter. Of ze hebben een geduldige oma of opa, een goede juf of meester die hen dat duidelijk maakt. Eerst staan die stil bij de letterlijke betekenis van dat beeld om daarna los te komen van die 'letterlijkheid' en het verband te zien met een facet van de realiteit dat men er wil duidelijk mee wil maken.

Vreemd genoeg lezen veel mensen dergelijke 'beelden' in de Bijbel letterlijk. Zo is 'brood' voor hen in de Bijbel gewoon 'brood'. Maar 'brood' in de Bijbel staat voor alles wat 'broodnodig' is, want 'een mens leeft niet van brood alleen, maar van elk woord dat uit de mond van God komt.' Die 'mond' van God is natuurlijk ook weer een beeld. Als niemand ooit God heeft gezien (Johannes) dan kan men niet eens weten of Hij wel een mond heeft. Maar met een mond kan men praten, kan men iets zeggen. God kan dan misschien geen mond hebben om te praten, maar zijn 'woorden' kennen we wel. We vinden ze in de Bijbel, we horen ze uit de mond van profeten vroeger en nu. Over dat 'brood' gaat het.

In het evangelie van Johannes, is brood meer dan het brood van de bakker, zoals ook water meer is dan alleen water, wijn meer dan wijn en licht meer dan licht.
Wanneer Jezus zegt dat Hij dit brood van het leven niet alleen geeft, maar dat Hij dit ook is, biedt Hij zich aan als geestelijk voedsel zodat mensen zich kunnen voeden met zijn woord en zijn manier van leven.



Wortel in het Oude Testament

"Blijf denken aan heel die tocht van veertig jaar die de Heer uw God u in de woestijn heeft laten maken. Hij heeft u toen vernederd en op de proef gesteld om uw gezindheid te leren kennen: Hij wilde zien of u zijn geboden zou onderhouden of niet. Hij heeft u vernederd en u honger laten lijden, maar u ook het manna te eten gegeven dat u noch uw vaderen ooit hadden gezien. Hij wilde u daardoor laten beseffen dat de mens niet leeft van brood alleen, maar van alles wat uit de mond van de Heer komt."
Deuteronomium 8, 2-3





Suggesties

Grote kinderen

VERDIEPEN

Het brood van het leven

In het evangelie van deze dag zegt Jezus van zichzelf: 'Ik ben het brood des levens' / 'Ik ben het brood van het leven'.
Om Jezus te kunnen begrijpen moeten we even stil staan bij wat 'brood' betekent. Het is iets waarmee je in leven kunt blijven ('Op water en brood leven')
Als Jezus zegt dat Hij brood is, dan wil dat zeggen dat Hij als brood wil zijn in ons leven, door wat Hij zegt en wat Hij doet.





SPREKEN MET BEELDEN

Brood: levensbelangrijk

Diens brood men eet, diens woord men spreekt.
Op water en brood leven.
Als warme broodjes verkopen.
Zijn brood verdienen.
Iets broodnodig hebben.
Brood op de plank hebben.
Een kruimeltje is ook brood.
Liever een brood in de zak, dan een pluim op de hoed.
Zijn broodje is gebakken.


In heel wat uitdrukkingen komt het woord 'brood' voor. Ze geven aan hoe belangrijk dit voedsel is in het leven van de mens.
De kinderen staan eerst stil bij de letterlijke betekenis van deze uitdrukkingen, om nadien te zoeken naar de actuele betekenis van elk van die spreekwoorden.

Om deze activiteit af te ronden laat je de kinderen elk van die uitdrukkingen verbinden met de betekenis ervan. Kleef daarvoor de spreekwoorden en hun betekenis op aparte kaartjes. Eerst zoeken de kinderen de spreekwoorden uit. Daarna plaatsen ze er de juiste betekenis bij.

Diens brood men eet, diens woord men spreekt.Ik sta aan de kant van wie mij onderhoudt.
Op water en brood leven.Heel zuinig leven.
Als warme broodjes verkopen.Veel succes met iets hebben.
Zijn brood verdienen. Geld verdienen.
Iets broodnodig hebben. Iets heel erg nodig hebben.
Brood op de plank hebben. Zich kunnen beredderen.
Een kruimeltje is ook brood.Wees gelukkig met wat je hebt.
Liever een brood in de zak, dan een pluim op de hoed.Van eer kan men niet leven.
Zijn broodje is gebakken. Hij hoeft zich financieel geen zorgen te maken.



TIP
Maak een keuze tussen deze spreekwoorden. Gebruik alleen die spreekwoorden, die voor de kinderen toegankelijk zijn of die ze al eens kunnen gehoord hebben. Er kan er natuurlijk ook altijd één bij die ze nog nooit eerder hoorden.





VERTELLEN

Het prachtige brood

(C. LETERME, Parels van verhalen, Averbode 2019, p. 170)

Het prachtige brood
Er was eens een bakker die een prachtig brood had gebakken.
Hij liet het aan al zijn klanten zien.
‘Wat een mooi brood,’ zeiden ze,
‘daar willen we wel het dubbele voor betalen.’
‘Dit brood is wel niet te koop,’ zei de bakker,
‘Het is voor de koning!’

’s Avonds nam hij het brood mee naar aan de koning.
Maar toen de koning er een stuk wou van afsnijden,
sprong het brood weg, wat de koning ook probeerde.
‘Ik wil niet opgegeten worden,’ zei het brood.
want dan kom ik in stukjes en beetjes in een maag terecht.
Zie je mij al tussen de worteltjes, de appelmoes en de worstjes?

Nee, dat is niks voor mij!
Ik wil niet gesneden worden
en ook niet opgegeten worden
zoals de andere broden.
Ik wil alleen maar liggen op een zilveren schotel
in het licht van de kaarsen van het paleis.’

Maar het prachtige brood werd stilaan hard en beschimmelde.
De dienaren van de koning gooiden het in een vuilnisemmer.
‘Zie me hier nu in liggen, tussen al die rommel,’ zei het brood,
‘ik, het prachtigste brood van de bakker.
Ik wou dat de hond van de koning mij nog zou opeten.
Maar zelfs die lust mij niet meer!’




Overweging bij het verhaal
(C. Leterme)

Dan heeft de bakker een pracht van een brood gebakken…
en dan wil dat brood niet opgegeten worden:
het wil blijven zoals het is: mooi, aantrekkelijk,
schitterend om naar te kijken!

Maar uiteindelijk gaat het de weg van alle brood dat niet opgegeten wordt:
het beschimmelt of wordt zo hard als steen.
Men kan er niets meer mee aanvangen:
het is alleen goed om weggegooid te worden.

Johannes schrijft in zijn evangelie
dat Jezus zichzelf het levend brood noemt;
Maar brood kan maar leven geven
als het onder de mensen verdeeld wordt en opgegeten wordt.

Jezus is natuurlijk geen brood,
maar Hij is wel als brood.
Van de woorden die Hij uitsprak kunnen mensen leven.
Aan wie Hij was, kan men zich inspireren.

Dat brood wordt gebroken en gedeeld.
Het geeft leven aan wie het in zich opneemt.
Het brengt de droom van God dichterbij.
Het maakt het leven tot een droom.





Jongeren

VERTELLEN

Het brood van het leven

(C. LETERME, 99 verhalen met een knipoog, uitgeverij Averbode 2014, p. 48-49)

Toen de christenen in Rusland vervolgd werden,
liet men overal in het land weten:
- Het is streng verboden
om een Bijbel te hebben.
Wie er een heeft,
moet die inleveren op het stadhuis.

In een dorpje
wilde een moeder de Bijbel niet afgeven.
- De kerken zijn al een tijd gesloten, zei ze.
Ik wil thuis nog iets van Jezus hebben:
zijn Woord in de Bijbel.

Toen ze op een dag brood bakte,
zag ze door het keukenraam
de geheime politie aankomen.
Vlug nam ze de Bijbel,
verstopte die in het deeg
en schoof het deeg in de oven.

De geheime politie doorzocht
het hele huis heel nauwkeurig,
maar vond niets.
Toen ze weg waren
en het brood gebakken was,
haalde moeder het uit de oven.

Het kwam op tafel
met een ongeschonden Bijbel erin.




Overweging bij het verhaal
(C. LETERME in Kerk en leven, Federatie Rotselaar, 8 augustus 2018, p. 1)

Door een ongelukkig toeval
heeft de vrouw in het verhaal hierbij
twee broden in één:
het brood dat gebakken is,
en dat ze zal opeten als het afgekoeld is,
en de Bijbel, het woord van God,
dat als brood is voor de mensen.

De Bijbel is natuurlijk geen brood
zoals de bakker verkoopt.
Toch kun je het ermee vergelijken.
Brood, dat gebakken wordt, is basisvoedsel.
Op die manier is het een beeld
voor alles wat we nodig hebben
om in leven te blijven.

De Bijbel is het woord van God
en net als brood is het een basisvoedsel
voor het innerlijke leven.
Woorden in de Bijbel geven leven, inspireren,
moedigen aan, nodigen uit …
Zonder die woorden kan de gelovige christen
niet voluit leven.

Als Jezus zichzelf het brood van het leven noemt,
dan zegt Hij dat Hij voor de mensen
het brood is dat hen voluit doet leven.
Wat Hij gezegd en gedaan heeft,
inspireert mensen om kwaliteitsvol te leven
in volle eerbied voor de medemens,
de natuur en God zelf.





Overwegingen

Marc Gallant, trappist (Orval)

Het werk van God

Hebben we het goed gehoord? Jezus stelt ons voor dat we zouden werken. Dat verwondert ons echt niet: Hij heeft zich reeds als voorbeeld gesteld: ‘Mijn Vader werkt aan één stuk door, en daarom doe ik dat ook’ (Johannes 5, 17). Op dat punt is Paulus recht voor de vuist: ‘wie niet wil werken, moet ook maar niet eten’ (2 Tessalonicenzen 3, 10). Jezus beoogt echter het werk op een ander niveau: ‘werkt niet voor voedsel dat vergaat, maar voor voedsel dat niet vergaat en eeuwig leven geeft’ (Johannes 6, 27).
Goed en wel, maar toch een beetje vaag. En zoals Jezus’ omstanders vragen we: ‘Maar wat moeten we doen? Wat wil God dat we doen?’ (6, 28). Jezus antwoordt ons daarop: ‘Dit moet u voor God doen: geloven in Hem die Hij gezonden heeft’ (6, 29).
Volgens het joodse gedachtengoed bestaat het werk van God in de werken die men voor God moet doen. Werken dus van uiterlijke aard: alles wat God, volgens de Wet, van zijn aanbidders vergt. Jezus spreekt echter over een enkel werk: geloven in Hem die God gezonden heeft. Het is opvallend dat Jezus hier spreekt over het geloof met het woordgebruik van het werk, van hetgeen er te doen valt. Het ware werk, het geestelijk werk, bestaat niet in uiterlijk gedrag volgens de Wet. Het komt er integendeel op aan een persoonlijke relatie aan te gaan met Jezus. De sterkste persoonlijke relatie bestaat in een wederzijds vertrouwen: ‘we kunnen altijd en voor alles op elkaar rekenen’. Dat is het wat Jezus voorstelt: het geloof. Het geloof als weg naar God. Wij horen daar bij Paulus de weergalm van: ‘God rechtvaardigt de mens omdat hij gelooft, en niet omdat hij doet wat de wet vraagt’ (Romeinen 3, 28, cf. Galaten 2, 16). Johannes herhaalt het in zijn eerste brief nogmaals: “U hebt eeuwig leven, omdat u gelooft in de naam van de Zoon van God’ (1 Johannes 5, 13, cf. 5, 1).

Om kinderen te laten begrijpen dat onze werken ontoereikend zijn om tot God te komen, vertel ik hun de parabel van de mieren. Veronderstel een ogenblik dat je bewonderd wordt door mieren, jij die grote tweevoeter. Die mieren beminnen je, ze zouden je leven willen delen en ze zullen daar iets voor doen. Ze zetten zich aan het werk: de ene brengen in je huis de mooiste zandkorrels die ze vinden, anderen bundelen met drie of vier hun krachten samen om een dennennaald binnen te sleuren of het lekkere rupsje dat ze gevangen hebben. Hoe zal je reageren? Met borstel en insecticide, zou ik denken. Er is geen gemeenschappelijke noemer voor mens en mier. Het is ondenkbaar dat een mier zou deelnemen aan het menselijk leven. Welnu, de afstand tussen God en mens is oneindig veel groter dan de afstand tussen mens en mier. Al onze menselijke werken voor God zijn maar mierenwerk. God heeft ze evenmin nodig als wij mieren in ons huis.
Jezus’ woord: ‘Het werk dat God u vraagt is te geloven in Degene die Hij gezonden heeft’, is dus wel de centrale zin van het evangelie vandaag. Jezus vraagt ons over te gaan van ons werk voor God naar het werk van God voor ons. Het christendom is niet, op de eerste plaats, wat wij doen voor God, maar wel wat God doet voor ons. Wat is dat werk dat God doet ?

Gezien wij niet in staat zijn ons op eigen kracht te verheffen tot Gods leven, zendt Hij zijn Zoon om ons zijn leven mee te delen. God neemt het initiatief. Ongehoord initiatief ons zijn leven geven? Hoe kunnen wij samenwerken met dit initiatief? Door in het geloof Hem te onthalen die God ons zendt: ‘Dit is het werk dat God u vraagt: te geloven in degene die God u gezonden heeft’.
Akkoord. Maar welk bewijs geeft Christus ons dat Hij de gezondene is van God? We stellen Hem de vraag: ‘Wat voor teken doe Jij dan wel waardoor wij kunnen zien dat wij in Jou moeten geloven? Wat doe Je eigenlijk? Zou Jij sterker zijn dan Mozes die ons brood uit de hemel gegeven heeft?’ Jezus antwoordt: ‘Sterker dan het manna? Ziehier de eucharistie, het brood van God dat uit de hemel nederdaalt en dat leven geeft aan de wereld. Ik ben dat brood. Ik ben het brood des levens.’ Het werk waardoor Jezus bewijst dat Hij de gezondene is die ons het leven geeft van God, is de instelling van de eucharistie.

Men bewijst zijn liefde door zijn leven te geven. Het intrinsieke bewijs dat Jezus ons geeft van zijn zending, ligt in de lijn en in de logica van de liefde: Hij geeft ons zijn leven in de eucharistie. Door in het geloof te communiceren aan zijn lichaam, engageren wij ons leven in het zijne, en wij werken met Hem aan het werk van God.

God is liefde: zijn werk bestaat erin zijn leven te geven. Ons werk zal het dan zijn Hem ons leven te geven, vermenigvuldigd met het zijne.



Voedsel dat blijft tot in het eeuwig leven

Met God spelen we een wisselspel: wij zoeken God, en God zoekt ons. Vandaag gaat het evangelie daarop in. Wij doen dingen voor God, en God doet er voor ons. Het is duidelijk: leven in geloof is leven in relatie met God. Maar hoe is die verhouding van wat wij doen, en van wat God doet ?
Het is overduidelijk dat God ermee begint. Ik heb niet gevraagd te bestaan, en zie, ik ben er! Ik ben overigens niet zoals ik zou willen zijn. Ik kan het bestaan maar aanvaarden zoals Hij mij dat geeft. God is ermee begonnen mij het brood te geven van het bestaan: het brood van heel die wonderlijke schepping die mij in verrukking brengt, mij aantrekt, mij verzadigt. Ik voel er mij goed. Alles samen genomen doet God het goed voor mij. Ik “eet brood tot verzadiging toe” (Johannes 6, 26).

Daar waren de Joden tevreden mee. Maar Jezus komt met een andere optie: “U moet niet zoveel werk maken van vergankelijk voedsel, maar liever van het voedsel dat blijft tot in het eeuwig leven” (Johannes 6, 27). Hij stelt voor God te zoeken op een ander niveau. De Joden zullen wel verwonderd opgekeken hebben toen Jezus dat zegde. Voor hen was aardse welstand het teken dat ze het goed deden met God. We hebben een beetje dezelfde mentaliteit en wij doen beroep op God wanneer niet alles meer goed gaat. Wij vragen Hem “ons dagelijks brood” te verzekeren (Matteüs 6, 11). Jezus herinnert er ons aan dat wij vandaag ook nood hebben aan “voedsel dat blijft tot in het eeuwig leven” (v. 27).
Jezus vraagt ons dus niet zoveel werk te maken van vergankelijk voedsel. Met de Joden vragen wij dus aan Jezus: “Wat moeten we doen als we de werken willen verrichten die God van ons vraagt?” (v. 28). Daarop geeft Jezus een antwoord van het grootste belang: “Het werk van God is dat u gelooft in Hem die Hij gezonden heeft” (v. 29). Anders gezegd, geloven in Jezus is niet mijn werk, maar het werk van God in mij.
Jezus opent aldus een heel nieuw perspectief. Voor de Joden is godsdienst hetgeen zij doen voor God. Voor Jezus is godsdienst op de eerste plaats hetgeen God voor ons doet. En “het werk van God, zegt Jezus, is dat u gelooft in hem die Hij gezonden heeft” (Johannes 6, 29).
Zo begrijpen we waarom sint-Benedictus de liturgie niet het “het werk voor God” noemt, maar wel “het werk van God”. Ze is niet wat de mens doet voor God, maar wat God doet voor de mens. Ze is op de eerste plaats een luisteren naar Gods Woord. Dat kwam duidelijk naar voren in de tijd dat er slechts één boek was waaruit één lezer de psalmen reciteerde terwijl al de anderen luisterden. Paulus zegt: “Het geloof komt voort uit het luisteren naar de boodschap, en de boodschap geschiedt in opdracht van Christus” (Romeinen 10, 17). In koor naar elkaar toe gekeerd, luisteren de monniken naar Christus in hun midden. Hij is het Woord van God. Het geloof dat voortkomt uit dit luisteren, is het werk van God in hen.
Maar de Joden dringen aan. Welk bewijs geeft Jezus om in hem te geloven, liever dan in Mozes die in de woestijn het manna uit de hemel gegeven heeft. Ze spreken tot Jezus: “Maar U, welk teken verricht U dan wel? We willen zien om U te kunnen geloven. Op welk werk kunt U zich beroepen? Onze voorouders hebben in de woestijn het manna gegeten, zoals geschreven staat: Brood uit de hemel gaf hij hun te eten”(Johannes 6, 30-31).
Jezus antwoordt daarop: “Sterker dan het manna! Ziehier de eucharistie, het brood van God dat uit de hemel daalt en aan de wereld Leven geeft. Dat brood ben ik. Ik ben het brood des Levens.” Het werk waarmee Jezus bewijst dat hij de gezondene is die ons het leven geeft van God, is de instelling van de eucharistie (Johannes 6, 33-34).
Het bewijs van de liefde is het geven van zijn leven.