Loading...
 

Jona 1,1-2,1.11

Jona 1,1-2,1.11: Jona wil niet naar Nineve

De tekst

’Bijbel in gewone taal’

(Deze Bijbeltekst komt uit de Bijbel in Gewone Taal, © Nederlands Bijbelgenootschap 2014, p. 1471-1472)

Op een dag kreeg Jona, de zoon van Amittai, een opdracht van de Heer. De Heer zei: ‘Ga op reis naar Nineve. Waarschuw de mensen in die grote stad. Want ik heb gezien dat ze slechte dingen doen.’
En Jona ging op reis, maar niet naar Nineve. Hij wilde naar Tarsis vluchten, zo ver mogelijk bij de Heer vandaan. Jona kwam in de haven van Jafo. Daar vond hij een schip dat naar Tarsis zou varen. Hij betaalde voor de reis, en ging mee naar Tarsis. Zo ver mogelijk bij de Heer vandaan.

Maar de Heer zorgde voor een zware storm. De zee ging zo wild tekeer, dat het schip bijna in stukken brak. De zeemannen werden bang, en iedereen riep zijn eigen god om hulp. Ook gooiden ze alles wat aan boord was, in zee. Zo probeerden ze het schip te redden.
Intussen lag Jona onder in het schip te slapen. De kapitein ging naar hem toe en riep: ‘Lig jij hier te slapen? Vooruit, sta op, en bid tot je God om hulp. Misschien zal jouw God wel voor ons zorgen. Anders gaan we dood!’

De zeemannen zeiden tegen elkaar: ‘Wie is toch de schuld van deze ramp? Laten we het lot werpen om het aan onze goden te vragen.’ Dat deden ze. Toen kwamen ze te weten dat het de schuld van Jona was. De zeemannen begonnen Jona vragen te stellen: ‘Waarom gebeurt dit? Wat doe je hier? Waar kom je vandaan? Uit welk land kom je? Bij welk volk hoor je?’
Jona antwoordde: ‘Ik hoor bij het volk van Israël. De Heer van de hemel is mijn God. Hij is de God die de zee en het land gemaakt heeft.’ Jona vertelde dat hij op de vlucht was voor de Heer. Nu werden de zeemannen pas echt bang. Ze vroegen hem: ‘Hoe kun je dat doen? Wat moeten wij nu met jou doen, zodat de zee weer rustig wordt?’ Want het ging steeds harder stormen.

Jona zei tegen de zeemannen: ‘Gooi mij maar in zee, dan zal de zee jullie met rust laten. Want het is mijn schuld dat jullie in deze zware storm terechtgekomen zijn.’ Maar de zeemannen probeerden eerst naar het land te roeien. Ze deden erg hun best, maar het lukte niet. Want het ging steeds harder stormen.
Toen schreeuwden ze: ‘Ach, Heer, laat ons niet doodgaan als we deze man in zee gooien. En straf ons niet als hij onschuldig is. U bent de Heer, alles gaat zoals u het wilt.’ Toen gooiden ze Jona in zee. Meteen werd de zee rustig.
De zeemannen kregen grote eerbied voor de Heer. Ze besloten hem een offer te brengen en hem voor altijd te dienen.

De Heer stuurde een grote vis om Jona op te eten. Drie dagen en drie nachten zat Jona in de buik van de vis.
Toen gaf de Heer opdracht aan de vis om Jona uit te spugen op het land.



Dichter bij de tijd

(Bewerking: C. Leterme)

God zei tegen Jona: ‘Sta op, ga naar de grote stad Nineve,
Jona stond op, maar wilde naar Tarsis vluchten, ver weg van God.
Hij ging naar Jafo. Daar vond hij een schip dat naar Tarsis ging.
Hij betaalde voor de overtocht en ging aan boord
Maar op zee was er zo’n hevige storm, dat het schip dreigde te breken.
De zeelieden werden bang en ieder van hen riep tot zijn eigen god.
Om het schip lichter te maken gooiden ze de lading in zee.
Jona was in het ruim gaan liggen
en was daar in een diepe slaap gevallen.
De kapitein kwam naar hem toe en zei:
‘Hoe kun je zo diep slapen? Sta op en bid tot je god.
dan denkt die misschien aan ons en zullen we niet vergaan!’
De mannen zeiden tegen elkaar: ‘Kom, laten we het lot werpen
om te zien aan wie het ligt, dat deze ramp ons treft.’
Zij wierpen het lot en het viel op Jona.
Zij vroegen hem: ‘Jij door wie het komt dat deze ramp ons treft,
vertel eens: waarom bent je op reis? Waar kom je vandaan?
Wat is je land en tot welk volk behoor je?
Jona zei: ‘Ik ben een Hebreeër
en ik respecteer de God van de hemel,
die de zee en het land gemaakt heeft.
God vroeg me om naar Nineve te gaan,
maar ik vluchtte naar de andere kant van de wereld.’
De mannen werden zeer angstig en vroegen:
‘Hoe kon je zoiets doen?
Wat moeten we met jou doen
om door de zee met rust gelaten te worden?’
Want de zee werd steeds stormachtiger.
Jona zei: ‘Gooi mij maar in zee, dan zal de zee jullie met rust laten.
Het ligt aan mij dat deze hevige storm jullie heeft getroffen.’
De mannen probeerden nog terug te roeien naar het land,
maar dan lukte niet, omdat de zee wilder werd.
Daarom riepen zij tot God: ‘God, laat ons niet vergaan,
wanneer we deze man om het leven brengen
en zie dit niet als het vergieten van onschuldig bloed.
Want Jij, God vond het toch goed dit te laten gebeuren!'’
Toen namen ze Jona op en gooiden hem in zee. De zee werd stil.
De mannen hadden grote vrees voor God
en brachten Hem een offer en deden geloften.
God zond een grote vis om Jona op te eten.
Zo kwam Jona in de buik van een vis, drie dagen en drie nachten.
Toen sprak God tot de vis en die spuwde Jona uit op het droge.



Stilstaan bij…

Jona
(= huisduif)
Profeet die optrad in het Noordrijk, tijdens de regering van Jerobeam II (8e eeuw voor Christus - 783-743)
Hij verpersoonlijkt het volk Israël uit de tijd na de ballingschap toen het erg op zichzelf teruggeplooid leefde, de wil van God ontliep en niet kon begrijpen dat God andere volkeren evenzeer bemint als Israël.

Nineve
Hoofdstad van Assyrië, gelegen aan de oostelijke oever van de Tigris. De Assyriërs verdrukten jarenlang de Israëlieten.
De bewoners van Nineve waren berucht om hun wreedheid, hun oorlogszucht en hun foltermethodes.
Toen het verhaal werd neergeschreven was Nineve al geruime tijd een ruïne: in 612 verwoestten koning Cyaxares van Medië en Nabopalassar van Babylonië de stad die nooit meer uit het puin verrees.
In deze novelle is Nineve het symbool van de heidense wereld, die God niet kent en niet gelooft.
Lees meer

Tarsis
Foenicische nederzetting, die waarschijnlijk lag aan de monding van de Guadalquivir in Spanje. In die tijd zag men die plaats als de verste uithoek in het Westen, daar waar de zon ondergaat en duisternis heerst, weg van God, in de richting van de nacht en de dood.

Jaffa
Havenstad in Palestina, die nu een geheel vormt met Tell Aviv.
Lees meer

De buik van de vis
Beeld voor het ‘zwart gat’ waarin Jona terecht gekomen is.

Drie
In de Bijbel is de derde dag de beslissende dag, de dag van God. God treedt dan bevrijdend op en opent een nieuwe toekomst.





Bij de tekst

Roeping

= opstaan en gaan naar waar men zijn verantwoordelijkheid moet nemen.
Hierin ervaren gelovigen de roep van God in hun leven.
Maar Jona vlucht weg van zijn verantwoordelijkheid. Zijn vlucht is een steeds verder (Tarsis) en dieper (ruimte van het schip) afdalen. Letterlijk en figuurlijk!



Een eigenzinnig profeet

Dat Jona zich wil onttrekken aan wat God met hem voor heeft is best te begrijpen: voor een jood uit de 4e eeuw voor Christus was het helemaal niet zo aantrekkelijk om naar een volk te gaan, dat de joden zo lang vervolgde.
Jona begrijpt nog niet dat de roeping van Israël erin bestaat een licht te zijn voor de heidenen, zodat de reddende hand van God kan reiken tot het einde der aarde.



Historische waarde

Hoewel de schrijver verwijst naar historische plaatsen en figuren (Nineve, Tarsis, Jaffa, Jona), toch is het boek Jona geen historisch verslag. De schrijver liet zich nogal wat vrijheden toe: zo maakte hij van Nineve een stad die zo groot was dat men drie dagreizen nodig had om ze te dwarsen ... zo groot was Nineve nooit! Ook was de stad allang verwoest op het moment dat Jona er geweest zou zijn. En dat iemand drie dagen in een vis kan leven!?!
Joden vertellen dit verhaal niet voor de geschiedenis, maar voor de geloofswaarheid en de profetische boodschap die erin vervat zijn.



Relatie met het Nieuwe Testament

De schrijvers van het Nieuwe Testament zagen in de redding van Jona een teken van lijden en verrijzenis van J. Christus: Matteüs 12, 38-42, Lucas 11, 29-32)
Jezus Christus, het licht van de wereld, werd door de machten van de duisternis verslonden. Maar Hij overwon ’na drie dagen’ de dood om licht te brengen waar alle hoop op leven verloren is.





Suggestie

Jongeren

INLEVEN

Schriftelijke dialoog: de roeping van Jona

Dit schriftelijk vraag-en antwoord-gesprek gebeurt in groepjes van twee. Daarin ‘spreken’ God en Jona met elkaar.
Onderwerp: God vraagt Jona om naar Nineve te gaan en Jona aarzelt.
‘God’ schrijft zijn vraag of voorstel op een blad en geeft dat aan ‘Jona’.
‘Jona’ leest het en schrijft daarop zijn antwoord.
Dit gaat zo door tot er een hele dialoog is opgebouwd.
Die ‘dialogen’ worden nadien in de klas voorgelezen en besproken, met aandacht voor de weerstanden die doen aarzelen om naar Nineve te gaan.