Loading...
 

Marcus 8, 27-33

2 Vraagtekens


...page... Wiki page pagination has not been enabled.

Marcus 8, 27-33: Wie ben Ik?

De tekst

’Bijbel in gewone taal’

(Deze Bijbeltekst komt uit de Bijbel in Gewone Taal, © Nederlands Bijbelgenootschap 2014, p. 1593-1594)

Jezus en de leerlingen gingen naar de dorpen
in de buurt van de stad Caesarea Filippi.
Onderweg vroeg hij aan zijn leerlingen: ‘Wie ben ik volgens de mensen?’
De leerlingen antwoordden:
‘Sommige mensen zeggen dat u Johannes de Doper bent.
Anderen zeggen dat u Elia bent.
Weer anderen zeggen dat u één van de profeten van vroeger bent.’
Toen vroeg Jezus: ‘En wie ben ik volgens jullie?’
Petrus antwoordde: ‘U bent de messias.’
Jezus zei: ‘Vertel dat beslist niet aan iemand anders!’
Jezus zegt wat er met hem zal gebeuren
Jezus begon aan de leerlingen uit te leggen wat er met hem moest gebeuren.
Hij zei: ‘De Mensenzoon zal veel moeten lijden.
De leiders van het volk, de priesters en de wetsleraren
zullen hem behandelen als een vijand.
Hij zal gedood worden. Maar drie dagen later zal hij opstaan uit de dood.’
Jezus legde hun dit heel duidelijk uit.
Toen nam Petrus Jezus mee, weg van de andere leerlingen.
Hij zei tegen Jezus: ‘Zulke dingen mag u beslist niet zeggen.’
Maar Jezus draaide zich weer om naar de andere leerlingen.
Hij zei boos tegen Petrus: ‘Achteruit jij, Satan!
Jij denkt aan wat mensen willen, niet aan wat God wil.’



Dichter bij de tijd

(Bewerking: C. Leterme)

Jezus trok met zijn leerlingen naar de dorpen rond Caesarea Filippi. Onderweg stelde Hij hun de vraag:
‘Wie zeggen de mensen dat Ik ben?’
Ze antwoordden: ‘Johannes de Doper, anderen zeggen Elia
en weer anderen, dat Jij een van de profeten bent.’
Daarop vroeg Hij hun:
‘Maar jullie, wie zeggen jullie dat Ik ben?’
Petrus antwoordde: ‘Jij bent de Christus.”
Maar Jezus verbood hun uitdrukkelijk iemand hierover te spreken.

Daarop zei Hij:
‘De Mensenzoon zal veel moeten lijden.
De oudsten, de hogepriesters en de Schriftgeleerden
zullen Hem verwerpen en doden.
Maar drie dagen later zal Hij verrijzen.’
Hij zei dit zonder terughoudendheid.

Toen nam Petrus Jezus opzij
en begon ernstig met Hem daarover te spreken.
Maar Hij keerde zich om, keek naar zijn leerlingen
en zei streng tegen Petrus:
‘Ga weg, satan, weg! want jij laat je leiden
door wat mensen willen en niet door wat God wilt.’



Stilstaan bij ...

Caesarea Filippi (Panias / Panion / Banyas)
Caesarea Filippi bevond zich aan de zuidelijke helling van de berg Hermon (berg), dichtbij de bronnen van de Jordaan. Tijdens de regering van David was dit de meest noordelijke uithoek van het land.
In de eerste eeuw voor Christus bouwde Herodes de Grote bij de grot een tempel voor keizer Augustus. Zijn zoon, de tetrarch Filippus, die hem gedeeltelijk opvolgde, stichtte een stad op het plateau, dat wat hoger lag dan de bron. Hij noemde die stad Caesarea, ter ere van keizer Augustus en maakte die tot de hoofdstad van zijn rijk. De stad werd Caesarea Filippi genoemd, om die te kunnen onderscheiden van andere steden die ook Caesarea genoemd werden.
Lees meer

Johannes de Doper
Zoon van de priester Zacharias en zijn vrouw Elisabet.
Hij riep de mensen op om zich te bekeren, zich tot God te keren. Hij verzamelde leerlingen om zich heen en doopte mensen die zijn volgeling werden. Hij werd gevangen genomen en gedood, omdat hij kritiek had op de levenswijze van koning Herodes.
Lees meer

Elia
(Hebreeuws = Mijn God is JHWH)
Eén van de belangrijkste profeten in het Oude Testament. Hij leefde in de 8ste eeuw voor Christus, een tijd waarin Israël terug afgoden vereerde. Hij trad op als de profeet die de verering van JHWH terug centraal stelde, geheel in de lijn van de betekenis van zijn naam.
Op het einde van zijn leven werd hij ‘ten hemel opgenomen’.
De Joden verwachten dat Elia zal terugkomen. Nu nog zetten ze bij het joodse paasfeest een extra beker wijn voor hem klaar.
Lees meer

Profeet
(Grieks = ‘spreken voor of in naam van een ander’)
Een profeet spreekt in naam van God: hij klaagt een concrete situatie aan en roept op om ze te veranderen, om ze om te keren vanuit Gods droom over de wereld.
Lees meer

Petrus
(Grieks = steen, rots; Frans: pierre)
Jezus noemde zijn eerste leerling Simon: Petrus. Hij vond hem duidelijk een ‘kei’ van een man.
Hij kreeg de belangrijkste plaats in de groep van de twaalf apostelen, en werd de eerste paus. Rond het jaar 67 stierf hij de marteldood onder keizer Nero en werd begraven buiten de stadsmuren van Rome.
De Sint-Pietersbasiliek staat boven op zijn graf.

Christus
(Grieks = Gezalfde; Hebreeuws: Messias)
Vroeger werden de koningen van Israël gezalfd. Dit toonde aan dat ze een bijzondere zending van God ontvangen hadden. Ook personen met een bijzondere religieuze zending werden gezalfd (Priesters, profeten)
De Bijbel zegt dat de Gezalfde (= Messias, = Christus) het rijk van God op aarde zal vestigen.
Ten tijde van Jezus verwachtten de Joden dat die Messias hen zou komen bevrijden van de Romeinse bezetter en het rijk van koning David zou herstellen. Ze dachten dus over die Messias als over een nationalistische figuur, een militaire aanvoerder, een politieke rebel. Dat is wellicht de reden waarom Jezus dit woord niet voor zichzelf gebruikt.
Later is men deze titel voor Jezus gaan gebruiken: Jezus Christus. Het is dus geen familienaam.

Mensenzoon
Woord dat niet beladen is met allerlei bijbetekenissen.
De profeten gebruikten het om een mens aan te duiden in zijn sterfelijkheid en nietigheid.
De profeet Daniël spreekt over de mensenzoon als over een koning die zorgt voor vrede en die de mensen komt oordelen.

Satan
= hij die zich dwars opstelt
iemand die dwars ligt, een tegenstander.





Bij de tekst

Het zwijgverbod

Jezus zou zijn leerlingen verboden hebben om over Hem te spreken als een Messias. Men vermoedt dat Hij zo wilde vermijden dat mensen van Hem zouden verwachten dat Hij een politieke Messias zou zijn, die hen zou verlossen van de Romeinen.



Christus / Messias

De Messias is in de joodse verwachting de profeet van het einde der tijden, die met zijn komst dit einde inluidt.
Dat Jezus de Christus, de Messias is, betekent dat het rijk aan het komen is. Maar de Messias zal veel moeten doorstaan als hij zijn opdracht trouw wil blijven.





Suggesties

Kleine kinderen

DOEN

Een grote bloem

Vooraf
Knip een aantal bloembladen, die groot genoeg zodat kleine kinderen erin kunnen tekenen, en een bloemhartje uit geel papier waarin je de naam 'JEZUS' schrijft.


Verloop
De kinderen vertellen wat ze over Jezus weten. Daarna tekenen ze over Jezus in een bloemblaadje. Schik nadien al deze bladen rond het 'bloemhartje' waarin de naam Jezus staat.

Outline Drawing Flower Plant Historic Writing





EXTRA

Klik hier voor meer suggesties.





Grote kinderen

VERDIEPEN

Vloergesprek

Materiaal
flap / groot papier met daarop de vraag: Wie is Jezus voor jou?


Verloop
Leg de flap met de vraag op de grond. Laat de kinderen een paar minuten nadenken over hun antwoord op die vraag. Daarna noteren ze in stilte hun antwoord op de flap. Nadien mogen ze hun antwoord toelichten.

Lees dan het evangelie voor.

Sta stil bij het merkwaardig antwoord van Petrus op diezelfde vraag en de betekenis van het woord Messias / Christus.
Het is niet onbelangrijk bij dit woord stil te staan, omdat het vaak in de evangelies terug komt én omdat het in zijn Griekse vertaling (nl Christus) zo gekoppeld is aan Jezus, dat veel kinderen (en ook volwassenen) foutief denken dat Christus de familienaam van Jezus is. Vermeld zeker dat de titel Messias (Christus) iets duidelijk maakt over de nauwe relatie tussen Jezus en God.




TIP
Je kunt de vraag op de flap persoonlijker maken:
Wat heeft Jezus in jouw leven te zeggen? (Laat de kinderen zoeken naar één woord dat hun antwoord samenvat – bv. liefde, eerlijkheid, vriendschap, vrede...)
Geef de kinderen de opdracht om voor zichzelf te zoeken waarin Jezus de volgende week hun leven kan inspireren.





EXTRA

Klik hier voor nog meer suggesties.





Overweging

Agnes Lameire

Wie is Jezus voor jou? (2018)

Wie zeggen de mensen dat ik ben? Wat werd er in die tijd over Jezus verteld in zijn thuisbasis Galilea?
Sommigen herkennen in Hem Johannes de Doper, de ruige prediker bij de Jordaan. Nog niet zolang geleden had Herodes hem in de gevangenis laten onthoofden. Zou hij uit de dood zijn weergekeerd?
Anderen vragen zich af of die Jezus van Nazaret de profeet Elia was? Die was, eeuwen geleden in een vlammende wagen ten hemel gevaren en in de volksmond heette het dat hij ooit zou terugkeren om de eindtijd in te luiden... Tot op onze dagen staat bij orthodoxe joden bij het jaarlijkse paasmaal voor Elia een lege stoel thuis mee aan tafel.

Of is Jezus een van de profeten? - waarmee bedoeld wordt: een van de oude, bekende profeten als Jeremia, Jesaja of Ezechiël? In de laatste vijf eeuwen was in Israël geen enkele profeet meer opgedoken. De profetentijd leek definitief afgesloten, dus, wie weet?

Maar gij, wie zegt gij dat ik ben vraagt Jezus aan de twaalf. Petrus hakt de knoop door: 'Gij zijt de Christus' zegt de tekst die voorgelezen werd. Anderen vertalingen zeggen: 'Gij zijt de Messias'.
Christus voor de christenen of Messias voor de joden, beide woorden betekenen hetzelfde: de gezalfde. In het oude Israël werd verlangend naar Hem uitgekeken want Hij zou het volk redden uit de vernederende positie waarin het onder de Romeinse overheersing was terechtgekomen.
De Messias was degene die komen zou, die het land zijn oude glans zou teruggeven, die het koninkrijk zou herstellen.

Was dat het wat Petrus bedoelde? Of horen we hier al de stem van de Petrus die de beweging rond de verrezen Jezus in gang zou zetten?

In elk geval nam Jezus zijn belijdenis niet in dank aan. Dacht de apostel enkel aan de glorierijke kant die zijn woorden inhielden?
Hij heeft inderdaad geen weet van wat zijn meester zal moeten lijden. Maar later zal Petrus in Rome dezelfde weg naar het kruis gaan ...

De eerste christenen noemden Jezus: Heer, Lam Gods, Zoon van de Vader, het Lam dat wegneemt de zonden van de wereld, de Allerhoogste Jezus Christus. Eretitels die we nog altijd zingen in het Gloria. Straks herhalen we in de geloofsbelijdenis de oude formules van de jonge Kerk: ik geloof in Jezus Christus, onze Heer, ontvangen van de Heilige Geest, geboren uit de maagd Maria. Die geleden heeft onder Pontius Pilatus, gekruisigd is, gestorven, begraven en op de derde dag verrezen uit de doden.
We kennen die woorden van buiten, maar wat betekent Jezus in jouw leven, in dat van mij?

Een recente enquête gaf de volgende antwoorden:
Hij was de zoon van de timmerman van Nazaret.
Hij is de tweede persoon van de Heilige Drievuldigheid.
Hij was een mens als geen ander.
Hij was een leraar met gezag.
Hij vond mensen belangrijker dan wetten.
Hij was een wonderdoener.
Hij trok zich het lot aan van armen, zieken en gehandicapten ...

Het zijn allemaal wel goede antwoorden maar daar gaat het vandaag in het evangelie niet om. Het gaat er om dat Jezus aan elk van ons de vraag stelt:
Wie zegt GIJ dat ik ben?
Wie ben ik voor JOU?
Wat beteken ik in JOUW leven?
Dat is geen simpele vraag waar je in 1 - 2 - 3 kunt op antwoorden.
Ons antwoord bepaalt immers meteen onze levenswijze ...

Wie is Hij voor jou?



Marc Gallant, trappist (Orval)

Wie is Jezus?

Die vraag loopt doorheen heel het Marcusevangelie. Jezus is er echter niet op gebrand om zich kenbaar te maken. Voor zijn geloofsgenoten bevindt God zich op een oneindige afstand. Hoe hen laten begrijpen dat God Liefde is, dat Hij dus echt met ons wil zijn, met ons wil leven? De ene geldige manier is dat zij dat zelf kunnen vaststellen, dat ze, door met Hem te leven, Hem kunnen ervaren als dichtbij.
Het is nu misschien bijna twee jaar dat Jezus met deze pedagogie op weg is met zijn leerlingen, en Hij beslist even poolshoogte te nemen. Waar staan ze nu? Hij doet het “op weg” (Marcus 8, 27), alsof het gaat om iets onbelangrijk, zodat de leerlingen hun spontaneïteit bewaren. Wat zeggen de mensen? De vraag is niet compromitterend, en de antwoorden komen los, met een samenvatting van Jezus’ impact op de menigte: Hij zou een nieuwe Johannes de Doper zijn, Elias die de Messias aankondigt, ofwel een profeet.
Dan eerst komt Hij met de echte vraag die Hij wilde stellen: “Maar voor u, wie ben Ik ?”

Petrus, altijd haantje de voorste, springt op het antwoord: “U bent de Messias”. Zijn antwoord is als een bliksemflits. Een echte rechte geloofsbelijdenis. Uit zijn mond hoort Jezus dat zijn leerlingen ertoe gekomen zijn Hem zijn ware identiteit te geven van Messias, door God gezonden om zijn Rijk op aarde te vestigen.

Jezus’ eerste reactie verwondert echter: “Hij verbood hun streng met iemand over Hem te spreken” (Grieks: epetimèsen, Marcus 8, 30). Zij moeten zich eerst het juiste idee kunnen vormen over de Messias die Jezus is. En alleen zijn Passie en zijn Verrijzenis zullen hen toelaten de ware toedracht te kennen van het mysterie van zijn persoon en van zijn zending. Het is dan ook voor de eerste maal (“Hij begon, v.31) en openlijk (v.32), dat Jezus de reden geeft om zijn Messias-zijn verborgen te houden: God wil echt met ons zijn. De Messias is niet alleen Gods vertegenwoordiger, hij is ook een nederige en lijdende Mensenzoon. Hij komt niet onder ons met superioriteit, maar Hij neemt op zich de sombere kanten van het mensenbestaan, de verlatenheid, het lijden, de onterechte vernedering en ten slotte de dood, deze ergste vijand van de mens. Dat Messias-zijn van Jezus zal slechts na de verrijzenis kunnen verkondigd worden, nadat God het met de verrijzenis zal bekrachtigd hebben (cf. Marcus 9, 9).

Petrus kan die aankondiging van de passie niet aannemen. Nogmaals neemt hij het voortouw. Hij neemt Jezus apart en begint hem de les te spellen (v. 32, Grieks: èrchato epitimân). Maar Jezus draait hem de rug toe en richt zich tot de leerlingen (v.33). Niet de Meester moet zijn leerlingen volgen, maar de leerling zijn meester. Jezus aanvaardt geen compromis. Zijn vastberaden reactie wijst op de ernst van het meningsverschil. Jezus van zijn passie willen afwenden komt erop neer hem tot ongehoorzaamheid aan God op te zetten. Dat kan maar het werk van de duivel zijn, die daar reeds een poging toe ondernomen heeft bij het begin van zijn openbaar leven (Marcus 1, 12-13; Matteüs 4, 10).

De strenge taal van Jezus voor Petrus is geldig voor allen die Hem willen volgen (v. 34). Vanaf hier begint het tweede deel van het Marcusevangelie met een duidelijke scheidingslijn. Omdat Jezus passie en dood op zich neemt, erkennen de leerlingen Hem niet echt als Messias. Hun houding wordt duidelijk bij het passieverhaal. Niet alleen Judas (Marcus 14, 10-11: het verraad), maar ook Petrus (Marcus 14, 26-32; 66-72: de verloochening), Jacobus et Johannes (Marcus 14, 32-42: zij slapen te Getsemane), en uiteindelijk alle leerlingen (Marcus 14, 50: “Ze lieten Hem allemaal in de steek en vluchtten weg”) laten Jezus alleen.