Loading...
 

Psalm 105

2 Blij

(Morguefile free stock photo license)


…page…

Psalm 105: God doet wat Hij belooft 

De tekst

’Bijbel in gewone taal’

(Deze Bijbeltekst komt uit de Bijbel in Gewone Taal, © Nederlands Bijbelgenootschap 2014, p. 984-987)

Dank de Heer
en maak bekend wie hij is!
Vertel aan iedereen wat hij gedaan heeft,
vertel over zijn wonderen.
Maak muziek en zing voor hem!
Zing over de heilige God.
Laat zien hoe blij jullie zijn,
want jullie horen bij de Heer.

Vraag altijd hulp aan de Heer,
hij is machtig.
Blijf steeds dicht bij hem.
Denk aan zijn wonderen,
denk aan de tekens van zijn macht,
en aan de wetten die hij gegeven heeft.
Vergeet ze niet!
Want jullie zijn nakomelingen van Abraham,
de dienaar van de Heer.
En jullie zijn nakomelingen van Jakob.
Jullie zijn door de Heer uitgekozen.


De Heer is onze God.
Zijn wetten gelden voor iedereen.
Hij vergeet zijn beloftes nooit,
hij gaf zijn regels voor altijd.
Alles wat hij aan Abraham en Isaak beloofde,
blijft altijd gelden.
Ook aan Jakob beloofde de Heer zijn hulp.
Hij zei: ‘Ik zal Kanaän aan jou geven.
Dat land zal voor altijd van jou zijn.’


In het begin waren de Israëlieten een klein volk,
ze hadden nog geen eigen land.
Ze gingen van plaats naar plaats,
van het ene koninkrijk naar het andere.
God zorgde ervoor dat niemand hen onderdrukte.
Als een koning hen wilde aanvallen,
dan strafte God hem meteen.
God zei: ‘Blijf weg van de leiders die ik heb uitgekozen.
Doe mijn profeten geen kwaad.’


De Heer liet hongersnood komen in Kanaän,
er was geen stukje brood meer te krijgen.
Toen stuurde hij iemand om het volk te helpen:
Jozef, die eerst als slaaf verkocht was.

Jozef kwam in de gevangenis in Egypte.
Om zijn voeten had hij een ketting,
om zijn hals zat een ijzeren band.
Maar de Heer liet zien dat Jozef onschuldig was,
want er gebeurde wat Jozef voorspeld had.

De machtige koning van Egypte liet hem vrij.
Jozef kwam bij die koning in dienst
en zorgde voor het hele land.
Jozef gaf opdrachten aan de ministers,
hij gaf raad aan alle wijze mannen.


Toen kwam Jakob naar Egypte,
hij woonde daar een tijd als vreemdeling.
God gaf hem veel nakomelingen.
Zo werd het volk van Israël groter,
ze werden sterker dan Egypte, hun vijand.
Toen zorgde God ervoor
dat de Egyptenaren zijn volk gingen haten.
Ze mishandelden het volk van God.

Daarom stuurde God zijn dienaar Mozes,
en God koos Aäron uit om met Mozes mee te gaan.
Zij lieten aan de Egyptenaren zien
hoe machtig God is.
Ze deden precies wat God gezegd had.


Toen liet God het overal donker worden.
Hij veranderde het water van de rivieren in bloed,
hij liet alle vissen doodgaan.
Overal in het land kwamen kikkers,
zelfs in de kamers van het paleis.

God stuurde ook vliegen en muggen,
ze kwamen overal in het land.
Hij stuurde hagelstenen in plaats van regen.
Hij liet het hele land afbranden.
Hij vernietigde de wijngaarden en de vijgenbomen,
alle bomen in het land verwoestte hij.

God stuurde ook sprinkhanen.
Het waren er ontelbaar veel.
Ze aten alle planten van de akkers,
ze aten al het groen van de velden.


Ten slotte doodde God alle sterke jongens van het land,
alle oudste zonen van de Egyptenaren.
Toen liet God zijn volk uit Egypte vertrekken,
niemand van hen bleef achter.
Ze namen zilver en goud met zich mee.
De Egyptenaren waren erg bang geworden.
Ze waren blij dat de Israëlieten weggingen.

God beschermde zijn volk overdag met een wolk.
En ’s nachts zorgde hij met een vuur voor licht.
Toen de Israëlieten om eten vroegen,
gaf hij ze vogels en brood uit de hemel.
Ze konden eten zo veel als ze wilden.
Hij brak de rotsen open,
en er stroomde water uit.
Het stroomde als een rivier door de woestijn.


De Heer was niet vergeten
wat hij aan Abraham beloofd had.
De Heer dacht aan die bijzondere belofte.
Hij liet zijn volk vertrekken,
juichend gingen ze weg uit Egypte.

Toen gaf de Heer hun het land van andere volken.
Ze kregen alles waarvoor anderen hadden gewerkt.
Maar ze moesten wel leven volgens zijn regels,
ze moesten zich houden aan zijn wetten.
Halleluja!



Dichter bij de tijd

(Bewerking: C. Leterme)

Loof God, aanroep zijn naam,
spreek over zijn daden bij de volken.
zing voor Hem, betokkel de snaren voor Hem,
zing een lied over zijn vele wonderen.
Beroem je op zijn heilige naam,
wees blij, jij die God zoekt.

Keer je tot God en zijn macht,
blijf zijn gelaat zoeken.
Denk aan de wonderen die Hij deed,
het oordeel dat Hij uitsprak,
jullie kinderen van Abraham, zijn knecht,
kinderen van Jakob, die Hij uitverkoos.

Hij is onze God,
zijn woord geldt voor heel de aarde
Hij die eeuwig aan zijn verbond denkt,
zijn belofte aan duizend generaties,
het verbond dat Hij sloot met Abraham,
die eed die Hij deed aan Isaak.

Voor Jakob maakte Hij dit tot wet
voor Israël tot een eeuwig verbond.
toen Hij zei: 'Ik geef je het land Kanaän,
het wordt je eigen bezit.'

Toen ze nog gering waren in aantal,
onaanzienlijk, slechts vreemdelingen,
moesten ze trekken van volk tot volk,
van het ene rijk naar het andere.

Hij stond niet toe dat mensen hen verdrukten,
Hij wees zelfs koningen terecht voor hen:
'Raakt nooit aan mijn gezalfden,
doe mijn profeten geen kwaad!'

Hij riep hongersnood uit over het land,
brak elke stok met broden.
Maar eerst zond Hij een man voor hen uit:
Jozef, die als slaaf werd verkocht.

Zij klemden zijn voeten in boeien
en klonken zijn hals in ijzers,
tot zijn voorspelling uitkwam,
en het woord van God hem vrijsprak.

De Farao liet zijn boeien losmaken,
de heerser der volken bevrijdde hem.
Hij stelde hem aan als heer van zijn huis,
als beheerder van al zijn bezittingen,
om rijksgroten de wet voor te schrijven,
en zijn raadslieden wijsheid te leren.

Zo ging Israël naar Egypte,
kwam Jakob in het vreemde land van Cham.
God maakte zijn volk erg vruchtbaar,
zodat het sterker werd dan zijn onderdrukkers.
Hun gezindheid sloeg om: ze haatten zijn volk,
en spanden samen tegen zijn dienaren.

Dan zond Hij Mozes, zijn dienaar,
en Aäron, die Hij had uitverkoren.
Zij spraken over zijn wondertekenen,
machtige daden in het land van Cham.

Hij zond duisternis, het werd duister:
ze sloegen geen acht op zijn woorden.
Hij veranderde water in bloed
en deed hun vissen sterven.
Hun land krioelde van de kikkers
tot in de kamers van de koningen.

Hij sprak en er kwamen steekvliegen en muggen
over heel hun gebied.
Hij zond hun hagel in plaats van regen,
liet de bliksem neerslaan op hun land.
Hij trof hun wijngaarden en vijgenbomen,
Hij verwoestte de bomen in hun land.

Hij sprak en de sprinkhanen kwamen,
veelvraters, ontelbaar veel.
Ze vraten alle groen in hun land
en het gewas van hun akkers.

Hij trof toen elke eerstgeborene in Egypte,
Hun sterke oudste zonen.
Hij liet hen vertrekken met zilver en goud!
niemand onder hun stammen viel uit.
Egypte zag hen met vreugde vertrekken:
zo’n schrik hadden ze voor dit volk.

Hij spreidde een wolk als bedekking,
en zorgde ‘s nachts voor vuur dat licht gaf.
Zij baden en Hij deed kwartels komen
en brood uit de hemel om van te eten.
Hij spleet de rots en er vloeide water,
het liep langs de dorre grond: een beek!

Zo bleef Hij zijn heilig woord trouw,
de belofte die Hij deed aan Abraham, zijn dienaar.
Hij liet zijn volk in vreugde weggaan,
jubelend vertrokken zijn uitverkorenen.

Hij schonk hun het land van andere volken,
waar ze voor hadden gewerkt.
Zo konden ze naar de eisen van zijn verbond leven
en zijn wetten onderhouden.

Halleluja!



Stilstaan bij …

De God van Abraham, Isaak en Jakob
God maakte zich aan deze ‘aartsvaders’ bekend en beloofde hen dat hij ze tot een groot en sterk volk zal maken.

Kanaän
Kanaän is de naam van het land dat bewoond werd door de Kanaänieten. Volgens Genesis stamden ze af van Kanaän, een kleinzoon van Noach.
Het gebied Kanaän lag tussen de Jordaan en de Middellandse Zee. Het was geen echt land met één koning. Het waren verschillende kleine en grote steden die eigen koningen hadden. Er woonden ook andere volken.

Stok met broden
Dit waren stokken waaraan de ronde platte broden werden geregen, wanneer de bakker zijn brood ging verkopen.
Het breken van die stokken wordt zo het beeld voor hongersnood.

Cham
Poëtische naam voor Egypte.
De gebruikelijke naam voor Egypte is Misraïm, in de Bijbel is dat de naam van een zoon van Cham.





Bij de tekst

Dankpsalm

Dat deze psalm God dankt voor al wat Hij doet, blijkt uit de eerste drie verzen en het woord waarmee deze psalm afsluit: ‘Halleluja!’.