Loading...
 

TOLLENAAR

 Tollenaar

Wie?

Tollenaars waren mensen die door de Romeinen aangesteld werden om tol te innen op het gebruik van wegen (vgl. péage op snelwegen in Frankrijk), bruggen en havens, en belastingen op goederen die naar de markt gebracht werden. Daarvoor moesten ze aan de Romeinen een vast bedrag betalen. Omdat ze de tol zelf en / of de belasting willekeurig konden bepalen, deden ze er nog een flinke schep bovenop bij het bepalen van de prijs voor de tol.

Een hoofdtollenaar was een tollenaar die andere tollenaars aanstelde om tol te innen. Om dat te mogen doen, moesten ze hem daarvoor een bedrag betalen. Waarschijnlijk was dat het onderscheid tussen een hoofdtollenaar, zoals Zacheüs er een was, en een gewone tollenaar.



Waardering

De mensen hielden niet van tollenaars. Ze noemden hen afpersers en oplichters omdat ze hen tol en / of belasting moesten betalen die te hoog was.
Bovendien zag men ze als verraders en zondaars, omdat ze werkten in dienst van de Romeinen die het land bezetten. Omdat tollenaars vanwege hun werk veel contact hadden met niet-joodse mensen, zag men ze als onrein.
Zo kon het gebeuren dat Zacheüs, een tollenaar die behoorlijk welstellend was, niet kon rekenen op sympathie van de mensen in de stad waar hij in woonde.





Bijbel

Nieuwe Testament

Tollenaars en zondaars op dezelfde lijn

Matteüs 18, 15-17
“Wanneer je broeder gezondigd heeft, wijs hem dan onder vier ogen terecht. Luistert hij naar jou, dan hebt je je broeder gewonnen. Maar luistert hij niet, haal er dan nog een of twee personen bij, zodat alles berust op de verklaring van twee of drie getuigen. Wil hij naar hen luisteren, leg het dan voor aan de Kerk. Wil hij ook naar de Kerk niet luisteren, zie hem dan als een heiden of tollenaar
Lees meer

Uit deze tekst blijkt dat ook Jezus negatief over tollenaars dacht: Hij plaatste een tollenaar op dezelfde hoogte als een heiden, iemand die geen jood is.



Lucas 15, 1-7
“Telkens kwamen de tollenaars en zondaars van allerlei slag bij Hem om naar Hem te luisteren. De farizeeën en de Schriftgeleerden morden daarover en zeiden: 'Die man ontvangt zondaars en eet met hen.' Hij hield hen deze gelijkenis voor: 'Wanneer iemand onder u honderd schapen heeft en er een van verliest, laat hij dan niet de negenennegentig in de wildernis achter om op zoek te gaan naar het verlorene, totdat hij het vindt? En als hij het vindt legt hij het vol vreugde op zijn schouders, gaat naar huis; roept zijn vrienden en buren bij elkaar en zegt hun: Deelt in mijn vreugde, want mijn schaap dat verloren was geraakt, heb ik gevonden. Ik zeg u: zo zal er in de hemel meer vreugde zijn over één zondaar die zich bekeert, dan over negenennegentig rechtvaardigen, die geen bekering nodig hebben.”
Lees meer

Ook hier worden zondaars en tollenaars in één adem vernoemd.



Lucas 19, 1-10
“Jezus ging Jericho binnen. Terwijl Hij er doorheen trok, poogde een zekere Zacheüs, hoofdambtenaar bij het tolwezen en een rijk man, te zien wie Jezus was. Maar hij slaagde daarin niet vanwege de menigte, want hij was klein van gestalte. Om Hem toch te zien liep hij hard vooruit en klom in een wilde vijgenboom, omdat Jezus daarlangs zou komen. Toen Jezus bij de plaats kwam, keek Hij omhoog en zei tot hem: 'Zacheüs, klim vlug naar beneden, want vandaag moet ik in Uw huis te gast zijn.' Zacheüs kwam snel naar beneden en ontving Hem vol blijdschap. Allen zagen dat en merkten morrend op: 'Hij is bij een zondaar zijn intrek gaan nemen!' Maar Zacheüs trad op de Heer toe en sprak: 'Heer, bij deze schenk ik de helft van mijn bezit aan de armen; en als ik iemand iets afgeperst heb, geef ik het hem vierdubbel terug.' Jezus sprak tot hem: 'Vandaag is dit huis heil ten deel gevallen, want ook deze man is een zoon van Abraham. De Mensenzoon is immers gekomen om te zoeken en te redden wat verloren was.'”
Lees meer

Mensen morden dat Jezus in het huis van een zondaar ging, iemand die tollenaar was.
Jezus verantwoordt zijn gedrag door te zeggen dat Hij die zondaars wilde redden.



Tollenaars onder de leerlingen van Jezus

Matteüs 9, 9-13
“Toen Jezus vandaar verder ging, zag Hij iemand aan het tolhuis zitten die Matteüs heette. Hij zei tegen hem: ‘Volg Me.’ De man stond op en volgde Hem. Terwijl Hij nu in diens woning aan tafel aanlag, kwamen ook vele tollenaars en zondaars met Jezus en zijn leerlingen aanliggen. Toen de Farizeeën dat zagen, zeiden ze tegen zijn leerlingen: ‘Waarom eet je Meester met tollenaars en zondaars?’ Hij hoorde dit en zei: ‘Niet wie gezond is heeft een dokter nodig, maar wie ziek is. Ga heen en leer wat het zeggen wil: Ik wil liever barmhartigheid dan offers. Ik ben niet gekomen om rechtvaardigen te roepen, maar zondaars.’”
Lees meer

Merk op dat de Farizeeërs Jezus verweten om te gaan met tollenaars en zondaars en dat Jezus zelf in het vervolg van de tekst tollenaars en zondaars op dezelfde hoogte plaatste.



Marcus 2, 13-17 // Lucas 5, 27-32
“Daarna ging Jezus naar buiten. Bij het tolhuis keek Hij naar een tollenaar die daar zat, een zekere Levi. Hij zei tegen hem: 'Volg Me.' De man stond op, liet alles achter en volgde Hem. Levi nu bood Hem in zijn huis een groot feestmaal aan, waarbij onder anderen talrijke tollenaars met hen aanlagen. De farizeeën, met name de Schriftgeleerden onder hen, morden daarover tegen zijn leerlingen: 'Waarom,' zeiden ze, 'eten en drinken jullie met tollenaars en zondaars?' Maar Jezus nam het woord en zei: 'Niet wie gezond is heeft een dokter nodig, maar wie ziek is. Ik ben niet gekomen om rechtvaardigen te roepen, maar zondaars, zodat ze zich bekeren.'”
Lees meer

Men vermoedt dat Levi en Matteüs dezelfde persoon zijn.



Jezus vertelt over een tollenaar

Lucas 18, 9–14
“Met het oog op sommigen, die overtuigd van eigen gerechtigheid, de anderen minachtten, vertelde Jezus de volgende gelijkenis. 'Twee mensen gingen op naar de tempel om te bidden; de een was een farizeeër en de andere een tollenaar. De farizeeër stond met opgeheven hoofd en bad bij zichzelf als volgt: God, ik dank u dat ik niet zo ben als de rest van de mensen, rovers, onrechtvaardigen, echtbrekers, of ook als die tollenaar daar. Ik vast tweemaal per week en geef tienden van al mijn inkomsten. Maar de tollenaar bleef op een afstand en wilde zelfs niet zijn ogen opheffen naar de hemel; maar hij klopte zich op de borst, en zei: God wees mij, zondaar, genadig. Ik zeg u: deze ging gerechtvaardigd naar huis en niet die andere, want al wie zich verheft zal vernederd, maar wie zich vernedert zal verheven worden.'”
Lees meer