Loading...
 

Arend

Philip Brown O5Omxc5S80A Unsplash

Foto van Philip Brown in Unsplash


…page…

Algemeen

Arend

De arend (meer dichterlij ook adelaar genoemd) is een roofvogel met brede vleugels, stevige snavel, sterke scherpe klauwen en een uitstekend gezichtsvermogen. Typisch voor de arend is dat ze alleen levende dieren aanvallen en verslinden.



Taal

Arendsoog / adelaarsblik
Hiermee bedoelt men dat men heel scherp kan zien.



Symbool

Algemeen

Omdat de arend macht, schoonheid en onafhankelijkheid uitstraalt, wordt de arend in vele landen en door verschillende organisaties gebruikt als symbool.
. Nationale symbool van de Verenigde Staten.
. De Romeinen zagen de arend als de 'koning der vogels' en gebruikten die op de standaarden van hun legioen.



Christelijke kunst

Bij de christenen is de arend het symbool van de evangelist Johannes.





Bijbel

Oude Testament

Onrein (niet kosjer)

Leviticus 11, 13-15
‘Van de volgende vogels moeten jullie een afschuw hebben; jullie mogen ze daarom niet eten: de arend, de lammergier, de baardgier, de wouw en de verschillende soorten valken, de verschillende soorten raven.’

De Bijbel noemt de raaf een onrein dier, omdat het een roofvogel is.



Symbool

Ezechiël 1, 10
“De gezichten van de vier wezens leken van voren op dat van een mens, rechts leken ze op dat van een leeuw, links op dat van een stier en van achteren op dat van een arend.”

Later interpreteerden de eerste christenen deze vier verschijningsvormen als symbolen van de vier evangelisten, die op hun manier de grootheid van God verkondigen.
Die vier wezens worden met vleugels voorgesteld zoals in het visioen van Ezechiël. De arend die al vleugels van zichzelf heeft, kreeg er wel geen extra!

WezenEvangelistAanleiding
Mens MatteüsZijn evangelie begint met de stamboom van Jezus (de vleugels bij dit symbool verwijzen dus niet naar een engel).
LeeuwMarcusZijn evangelie begint met de prediking van Johannes de Doper in de woestijn. De leeuw is een woestijndier.
OsLucasZijn evangelie begint met de aankondiging van de geboorte van Johannes de Doper op het moment dat zijn vader Zacharias in de tempel offert. De os is een offerdier.
ArendJohannesHij kreeg dit symbool vanwege zijn verheven manier van denken, die in zijn evangelie te vinden is.






Nieuwe Testament

Symbool / beeld

Openbaring 12, 14
Aan de vrouw die onder de bedreiging van de draak een zoon ter wereld bracht
“werden de twee vleugels van de grote adelaar gegeven, om naar de woestijn te vliegen, naar de plaats voor haar bestemd, waar zij buiten het bereik van de slang wordt gespijzigd een tijd en twee tijden en een halve tijd.”

In deze tekst zijn de vleugels van de arend het symbool van de liefde en trouw van God.





Suggestie

Verhaal

In het volgend verhaal wordt ingegaan op het beeld van de relatie tussen God en zijn volk:
'Ik heb jullie op arendsvleugels gedragen.'

Als kind heeft Jezus waarschijnlijk - zoals alle joodse jongetjes - in een synagogeschool leren lezen (schrijven, leerden de kinderen in die tijd niet. Alleen degenen die 'schrijver' wilden worden van beroep, leerden schrijven). In de synagogeschool kreeg Jezus samen met de andere jongens uit Nazaret ook les over het joodse geloof. Als het pinksterfeest dichterbij kwam, las de leraar voor uit de boeken van Mozes. (Het pinksterfeest was vroeger één van de twee jaarlijkse oogstfeesten en later werd het een feest ter herdenking van de afkondiging van de Mozaïsche wet op de Sinaï.) We kunnen ons zo'n les als volgt voorstellen:
"Drie maanden na hun vertrek uit Egypte bereikten de Israëlieten de Sinaï woestijn, waar zij dicht bij de berg hun kamp opsloegen. Wie van jullie kan daarover iets vertellen?"
Jezus is goed op de hoogte, want zijn vader heeft hem al vaak verteld over Mozes, de sterke leider, en over de uittocht uit Egypte. "Ons volk was bevrijd uit de slavernij in Egypte. Mozes was hun leider. God begeleidde hen. Ze trokken weg, door de zee. De koning, de farao, achtervolgde ze. Maar onze God Jahweh versloeg het leger van de farao en zo trokken ze verder, tot diep in de woestijn."
"Goed jongen", zegt de leraar. "Luister nu hoe het verder ging. Ze trokken dus dagenlang door de woestijn. Ze leden honger en dorst en moesten vaak tegen vijanden vechten. Toen ze aan de berg Sinaï kwamen, zei God tegen Mozes: met eigen ogen hebben jullie gezien hoe Ik opgetreden ben tegen Egypte, hoe Ik jullie op arendsvleugels gedragen en hier bij Mij gebracht heb."
"Op arendsvleugels gedragen?", vragen de kinderen.
"Ik weet wat dat betekent", roept Dan, een van de kinderen. "Mijn abba heeft het mij eens uitgelegd toen we vorig jaar in de bergen waren en een arendsnest gezien hebben. De arenden zitten op hun eieren om de jongen uit te broeden. Als de jongen uit het ei gekomen zijn, krijgen ze na een tijdje zin om te vliegen. Maar ze zijn nog bang en durven niet uit het hoge nest naar beneden springen."
"Horst", zegt een andere jongen. "Een arendsnest noemt men horst. Omdat het zo groot is en zo hoog boven alle andere kleine vogelnesten gebouwd, heeft het een speciale naam."
"Vertel eens verder, Dan", dringen de anderen aan.
"De ouders van de arend geven het aarzelende jong een duwtje, en dan fladdert het heel voorzichtig uit het nest. Zodra het bang wordt en zijn krachten verzwakken, komt moeder of vader arend, vliegt onder het jong, vangt het op zijn schouders op en draagt het voorzichtig terug naar het nest, naar de horst voor mijn part. Na een pauze proberen ze het nog eens en nog eens tot ..."
"... tot de jonge arend zonder hulp kan vliegen", roepen de jongens enthousiast en ze willen nog meer over arenden horen, maar de leraar zegt:
"Op een andere keer. Wat we vandaag moeten onthouden is: wat God voor zijn volk Israël gedaan heeft, doet hij net zo voor elk van ons. Hij laat ons niet in de steek. Hij helpt ons om zelfstandig te worden. Bij Hem hebben we het goed. Bij Hem zijn we geborgen, zoals jonge arenden bij oude, ervaren arenden, zoals kinderen bij hun ouders."
"Dat is genoeg voor vandaag", zeggen de kinderen, want zij willen naar buiten. Het is prachtig weer om te spelen. Het is al juni, in onze tijdrekening tenminste.
"Niet zo ongeduldig", zegt de leraar. "Het belangrijkste moet nog komen."
Ze gaan weer zitten en kijken naar de grote boekrollen die de leraar opengerold heeft.
"Mozes zei tegen de Israëlieten: God wil jullie toespreken. Zorg dat jullie gewassen zijn en netjes gekleed, want het wordt een feestdag. De mensen deden wat Mozes gevraagd had en bereidden zich voor op Gods toespraak. Op de derde dag, vroeg in de morgen, begon het te donderen en te bliksemen. Boven de berg hing een dichte wolk, machtig bazuingeschal weerklonk en alle mensen in het kamp beefden van angst. De Sinaï was helemaal in rook gehuld omdat Jahwe in vuur was neergedaald, en de aarde beefde."
De kinderen zijn vergeten dat ze buiten wilden gaan spelen. Ademloos luisteren ze naar de leraar, wiens borstelige wenkbrauwen op en neer gaan terwijl hij leest.
"Toen sprak God: Ik ben Jahwe, die u weggeleid heeft uit Egypte, het slavenhuis. Gij zult geen andere goden buiten Mij vereren. Gij moet Mijn naam heiligen. Ook de sabbat moet heilig zijn voor u. Zes dagen moogt gij werken maar de zevende dag is de sabbat voor Jahwe, uw God. Dan moet gij rusten en moogt gij geen enkel werk verrichten."
"En verder?", dringen de kinderen in de synagogeschool aan. "Wat heeft Jahwe nog gezegd?"
"Eer uw vader en uw moeder. Dan zult gij lang leven in het land waar Ik u heen zal brengen. Gij zult niet doden. Gij zult geen echtbreuk plegen. Gij zult niet stelen. Gij zult geen leugens vertellen die uw medemensen schade kunnen berokkenen. Gij zult niet begeren, wat uw naaste toebehoort."
'Wat hebben de mensen, wat heeft ons volk geantwoord?"
"Aanvankelijk hebben ze niets geantwoord. Ze beefden van angst en ze bleven op een veilige afstand van de berg. Ze zeiden tegen Mozes: spreek jij met Jahwe, want wij zijn bang. We sterven van angst. Maar Mozes zei: wees niet bang, Jahwe heeft het goed voor met jullie. De mensen zeiden: al wat de Heer gezegd heeft, zullen we doen."
"Daar had ik bij willen zijn", zegt Jezus, en een paar anderen zeggen: "Ja, ik ook. Ik zou niet bang geweest zijn, want onze God is geen kwade God, maar een goede God."
"Maar die aardbeving! De rook! Het vuur! De donder en de bliksem!", zeggen anderen. "Ik ben blij dat ik er niet bij was. Ik zou zeker gebibberd heb ben van angst."
"Op deze dag", gaat de leraar verder, "sloot God een verbond met het volk."
"Een verbond?", vraagt een van de kinderen. "Dat woord heb ik al eens ergens gehoord. Ik zou graag weten wat dat betekent, een verbond." "Een verbond sluiten is zoiets als vriendschap sluiten, maar nog sterker dan vriendschap. Jullie weten toch dat God met Abraham vroeger al een verbond gesloten had. Dat hij Abrahams vriend geworden was en Abraham Gods vriend. Zo was het ook bij de Sinaï: God werd de vriend van het volk Israël en het volk Israël werd het vrienden-volk van God. God zei: als jullie luisteren naar mijn woorden en ernaar leven, als jullie mijn geboden onderhouden, dan zal Ik bij jullie blijven en jullie altijd en overal beschermen..." "... zoals een arend!", roept Dan.
"Ja, zoals een arend, zoals een hert, zoals een vader, zoals een moeder."
De leraar kijkt door het raam. Hij ziet hoe heerlijk de zon schijnt en zegt: "Nu is het echt wel genoeg voor vandaag. Tegen de volgende keer denk je maar eens na hoe je in een paar zinnen kan zeggen, wat Pinksteren betekent."
De jongens stormen naar buiten om te gaan spelen. Ze hebben helemaal geen zin om hun hoofd te breken over de betekenis van Pinksteren en hoe ze dat in een paar zinnen moeten weergeven. Het volgende uur zitten ze daar allemaal met de mond vol tanden en de leraar moet het zelf proberen: "Met Pinksteren vieren wij dat God met ons, mensen, een vriendschapsverbond gesloten heeft. Dat God ons draagt en leidt. Dat hij ons de 10 ge boden gegeven heeft, die wij als leidraad in ons leven moeten gebruiken." "Dat heeft onze leraar mooi gezegd", fluistert Ruben zijn buurman in het oor. "Ik had het er niet zo goed afgebracht", antwoordt Dan en gluurt door het raam. Wat een fantastisch weer om te spelen, denkt hij.

Uit: 'God blijft altijd jong - geloofsverhalen voor kinderen' Altiora Averbode p.66-69.