Loading...
 

GEIT

Algemeen

Geiten

Geiten waren de belangrijkste dieren voor de mensen in Palestina, omdat ze weinig eisen stelden aan hun voeder en onderkomen. Men hoedde ze in de buurt van dorpen en steden. Een deel van hen bracht men tijdens de winter naar de woestijn om daar te grazen.

Geiten eten graag gras, kruiden, groenten, plantenscheuten, bladeren en boomschors. Ze gaan daarvoor op hun achterste poten staan en eten alle groen van bomen en struiken waar ze aan kunnen. Zo zijn ze een ramp voor de bomen en zijn ze deels verantwoordelijk voor de ontbossing van het land.

Will Roberts NxySGEr6WqY Unsplash

Foto van Will Roberts in Unsplash




Nut

Geiten werden gebruikt als voedsel (vlees, melk – kaas en yoghurt).

Van geitenhuid maakte men zakken die gebruikt werden om water of wijn mee te nemen.
Men gebruikte zo’n zak ook om melk te karnen.
Van geitenhuid maakte men ook kleding.

Het geitenhaar werd gesponnen en gebruikt om er de stof mee te weven, die als tentdoek werd gebruikt.

De darmen werden gebruikt om het net van een zeef te maken.

Van de ramshoren werd een ‘sjofar’ gemaakt: een muziekinstrument dat in de joodse godsdienst tot op vandaag gebruikt wordt op Rosj Hasjana, het joodse Nieuwjaar, en op Jom Kippoer, het feest van de verzoening. (Klik hier om de klank van de sjofar te beluisteren.)

Blowing The Shofar On Rosh Hashanah

Foto: Wikipedia


Omdat geiten koosjer waren konden ze ook geofferd worden in de tempel.



Taal

De kool en de geit sparen
= een oplossing vinden waarin beide partijen zich kunnen vinden.


Vooruit met de geit!
= Doe voort!





In de Bijbel

Oude Testament

Voedsel

Genesis 27, 9
“Ga naar de kudden en haal daar twee malse geitenbokjes. Dan maak ik een smakelijk maal voor je vader, zoals hij dat graag heeft.”

Dit is het wat Rebekka haar zoon Jakob influistert. Zo zal hij de zegen van zijn vader krijgen, die normaal voor zijn tweelingbroer Esaü bedoeld was. Heel de Bijbel door wordt over een geitenbokje geschreven als over een lekkernij.



Gebruiksvoorwerp

Exodus 26, 7-9
“Voor de tent over de woning moet ge banen vervaardigen van geitenhaar. Elf van zulke banen moet je maken. De lengte van een baan moet dertig el bedragen, de breedte vier el. Alle banen moeten dezelfde afmetingen hebben. Hecht vijf banen aan elkaar, de overige zes eveneens. De zesde baan moet je over de voorkant van de tent omslaan.”

Lees meer

Van geitenhaar werd stof geweven om als tentdoek te gebruiken.



1 Samuel 16, 20
‘Daarop nam Isaï zoveel brood als een ezel kan dragen, een zak wijn en een bokje en liet dit David meenemen voor Saul.’

Lees meer

De wijn werd dus niet vervoerd in flessen, maar in (lederen) zakken.



Beeldspraak

Jesaja 11, 1-10
“De wolf en het lam wonen samen,
de panter vlijt zich neer naast het (geiten)bokje,
het kalf en de leeuw weiden samen:
een kleine jongen kan ze hoeden.”

Lees meer

Jesaja schrijft over de tijd van de Messias. Met dit beeld geeft hij aan dat die vol vrede zal zijn.





Nieuwe Testament

Voedsel

Lucas 15, 25-29
“Intussen was zijn oudste zoon op het land. Toen hij terugkeerde en het huis naderde, hoorde hij muziek en dans. Hij riep een van de knechten en vroeg wat dat te betekenen had. Die antwoordde: Je broer is thuisgekomen en je vader heeft het gemeste kalf laten slachten, omdat hij hem gezond en wel heeft teruggekregen. Maar hij werd kwaad en wilde niet naar binnen. Toen zijn vader naar buiten kwam en bij hem aandrong, gaf hij zijn vader ten antwoord: Al zoveel jaren dien ik je en nooit heb ik je geboden overtreden, toch hebt je me nooit een (geiten)bokje gegeven om eens met mijn vrienden feest te vieren.”

Lees meer



Gebruiksvoorwerp

Marcus 2, 22
‘Niemand doet jonge wijn in oude zakken, anders doet de wijn de zakken barsten en de wijn gaat verloren met de zakken. Neen, jonge wijn in nieuwe zakken.’

Lees meer

Plaatselijke wijn bewaarde men in lederen zakken. Dure wijn uit andere landen werd bewaard in kruiken (amforen).





Suggesties

Kleine kinderen

DOEN

Kleuren

Klik hier om twee kleurplaten van geiten te vinden.





Grote kinderen

VERTELLEN

Vooraf

Er bestaan veel verhalen over geiten, maar al die verhalen hadden net zo goed over mensen kunnen gaan. Het is immers gemakkelijker een verhaal te beluisteren over dieren, dan over mensen. Zo’n verhaal is minder confronterend en laat toe een gegeven uit het mensenleven rustig te bespreken.



De geit, de ekster en de eekhoorn

(C. LETERME, Een parel voor elke dag, Uitgeverij Averbode 2007, p. 8)

Op een dag kreeg een ekster ruzie met een geit.

De ekster had boven in een populier
zijn nest gebouwd.
Ze riep naar de geit:
‘Hoe kom je erbij te zeggen
dat de blaadjes van deze boom wit zijn,
ze zijn donkergroen.’
‘Maar ik zie ze toch met mijn eigen ogen,’ zei de geit,
‘ze zijn wit!’
‘Jij bent kleurenblind,’ zei de ekster,
‘Ik zie die blaadjes beter dan jij,
want de zon schijnt er pal op.
Ze zijn donkergroen.’
De geit mekkerde terug en zei:
‘Zeg ekster,
ik woon hier al jaren onder de boom.
Denk je niet dat ik zo stilaan weet
welke kleur die blaadjes hebben?’

Toen mengde de eekhoorn zich in het gekibbel.
‘Wat zijn jullie toch onnozel!
Bekijk die blaadjes eens heel goed:
van boven zijn ze groen,
en van onder wit.’

Naar een fabel uit het oude Griekenland



De twee geiten

(C. LETERME, Een parel voor elke dag, Uitgeverij Averbode 2007, p. 99)

Tussen twee heuvels stroomde een beek.
Over die beek lag een plank.
waar maar één persoon tegelijk over kon.

Op een dag kwamen op hetzelfde moment
aan de uiteinden van de plank, twee geiten.
Een witte en een zwarte.
De zwarte geit riep: ‘Wacht, ik ga over de brug’
De witte riep: ‘Nee, ik wil er het eerst erover.
Ik ben gehaast.’
‘Nee,’ zei de zwarte geit,
‘Ik wil niet wachten op jou.
Ik ben de oudste.’
‘Je zult wel op mij wachten,’ zei de witte geit
en ze begon al over de plank te lopen.
‘We zullen eens zien of ik op jou wacht,’
zei de zwarte geit
en ze begon op de plank te lopen aan de andere kant.
Ze kwamen elkaar tegen in het midden van de plank.
‘Ga terug. Laat me verder over de plank lopen,’
zei de witte geit, en ze stampte met haar poot.
‘Jij moet terug,’ zei de zwarte geit
en ze duwde tegen de andere geit.
Ze werden heel kwaad.
Ze stormden tegen elkaar.
De witte geit verloor het evenwicht en viel.
In haar val sleurde ze de zwarte geit mee.

Beide geiten verdronken in de beek.



De wilde geiten

(C. LETERME, Een parel voor elke dag, Uitgeverij Averbode 2007, p. 187)

Een geitenhoeder had een kleine kudde geiten.
Tegen de avond dreef hij ze bijeen in de stal.
Op een dag kwamen - tot zijn grote verbazing -
een heleboel wilde geiten aangelopen.
Hij dreef ze samen met zijn eigen geiten naar de stal.
Daar verzorgde hij die nieuwe geiten buitengewoon goed:
ze kregen een dikke laag vers stro
en een grote hoop geurig hooi.
Zijn eigen geiten jammerden:
‘Waarom geef je ons zo weinig?’
‘Stil,’ zei de herder,
‘jullie komen niets tekort!’
En tegen de wilde geiten zei hij:
‘Eet maar zoveel jullie willen.’

De volgende dag liet de herder de geiten uit de stal.
Zijn eigen geiten begonnen te grazen,
maar de wilde geiten liepen weg naar het bos.
‘Hé,’ riep de geitenhoeder,
‘Waarom lopen jullie weg?
Ik heb jullie gisteren toch goed verzorgd!
Jullie kregen zelfs beter eten dan mijn eigen geiten!’
‘Precies daarom,’ riep één van hen,
‘Je hebt ons verwend
en je eigen vrienden verwaarloosd.
Geen prettig vooruitzicht voor ons!
Als er op een dag andere geiten komen,
zul je alleen hen verwennen.’

Naar een fabel uit het oude Griekenland




De brahmaan en de pot meel

(C. LETERME, 99 verhalen met een knipoog, Uitgeverij Averbode 2014, p. 14)

Heel de dag lang had een brahmaan
om meel gebedeld.
Toen hij thuiskwam
schudde hij dat meel
heel voorzichtig in een pot,
die boven zijn bed hing.
Tevreden legde hij zich te rusten.
Terwijl hij naar de pot keek,
begon hij te mijmeren:

Als ik al mijn meel verkoop,
kan ik er twee geiten mee kopen.
Die geiten krijgen elk half jaar jongen.
Zo krijg ik gauw een kudde geiten.
Als ik dan mijn kudde verkoop,
kan ik er koeien mee kopen.
Die krijgen kalveren.
Als ik zo een hele kudde runderen heb,
verkoop ik die.
Met dat geld koop ik een kudde paarden
die veulens zullen krijgen.
Ik verkoop de paarden
en bouw met het geld een groot huis.
Dan zal ik trouwen
met de dochter van een brahmaan.
Samen krijgen we een zoon.
Als hij twee jaar oud is,
zal hij naar buiten willen gaan.
Ik zal dan zijn moeder roepen:
- Let op! Pak hem op!
Maar ze hoort me niet.
Ik sta op om hem tegen te houden...

De brahmaan schiet wakker uit zijn droom.
Bij het opstaan stootte hij de pot omver.
Alle meel viel op hem neer.



Over kippen en geiten

(C. LETERME, Parels van verhalen, Uitgeverij Averbode 2019, p. 62)

Op een dag ging een man op reis samen met zijn kippen.
Een tijdje later kreeg hij honger.
Hij liet zijn kippen achter bij een huis om eten te gaan kopen.
Maar toen hij terugkwam, vond hij dat huis niet meer terug.

Intussen kregen de kippen ook honger.
Rabbi Chanina zag dat en besloot:
Ik zal de kippen eten en drinken geven
tot hun baas terugkomt.

De kippen aten en dronken,
wandelden rond in de tuin en legden eieren.
Ze broedden op de eieren. Er kwamen kuikentjes uit.
Die werden groot: ze werden hennen en hanen.

En zo ging het door tot de tuin van de Rabbi vol zat
met hennen, hanen en kuikens.
Dit kan zo niet langer, dacht Rabbi Chanina.
Ik heb zelf nauwelijks te eten.

Toen besloot hij al de kippen te verkopen.
Met het geld dat hij ervoor kreeg,
kocht hij geiten, die hem minder zouden kosten,
want die grazen in de vrije natuur.

Jaren later kwam de man van de kippen bij het huis van Rabbi Chanina.
Hij zag het huis en herinnerde zich de plek.
‘Kijk’, zei hij tegen zijn vriend, ‘hier heb ik eens mijn kippen achtergelaten.
Maar ik kon die plaats daarna niet meer terugvinden.’

Rabbi Chanina hoorde hem spreken en riep de man naar de geitenstal.
‘Die zijn van jou. De kippen die je achterliet, heb ik verkocht
en van het geld kocht ik deze geiten.’
De man dankte de Rabbi, nam de geiten mee en ging blij terug naar huis.