Loading...
 

Handelingen 23, 1-35

Handelingen 23: Complot tegen Paulus

De tekst

’Bijbel in gewone taal’

(Deze Bijbeltekst komt uit de Bijbel in Gewone Taal, © Nederlands Bijbelgenootschap 2014, p. 1764-1766)

Paulus keek de Joodse leiders aan en zei: ‘Vrienden, ik weet zeker dat ik doe wat God wil. Ik ben hem mijn hele leven al gehoorzaam.’ Meteen zei hogepriester Ananias tegen de mannen die bij Paulus stonden: ‘Sla hem op zijn mond.’ Maar Paulus riep terug: ‘God zal jou slaan! Wat ben jij schijnheilig! Jij zit daar om te beslissen of ik me aan de wet gehouden heb. Maar intussen zeg je dat ze me moeten slaan. Dat mag ook niet volgens de wet!’ De mensen zeiden tegen Paulus: ‘Hoe durf je de hogepriester van God uit te schelden!’ Toen zei Paulus: ‘Vrienden, ik wist niet dat hij de hogepriester was. Anders had ik het niet gedaan. Want in de heilige boeken staat: «Je moet respect hebben voor een leider van je volk.»’

De Joodse leiders waren verdeeld in farizeeën en sadduceeën. Paulus wist dat. Daarom riep hij: ‘Beste vrienden, ik ben een farizeeër, net zoals mijn vader en mijn grootvader. En farizeeën geloven dat de doden zullen opstaan. Omdat ik dat dus ook geloof, moet ik mezelf hier vandaag verdedigen.’ Toen Paulus dat gezegd had, kregen de farizeeën en de sadduceeën ruzie. Ze waren het niet met elkaar eens. Want de sadduceeën geloven niet dat de doden zullen opstaan. Ze geloven ook niet dat er engelen of geesten bestaan. Maar de farizeeën geloven dat allemaal wel. Iedereen begon te schreeuwen. Een paar farizeeën stonden op, het waren wetsleraren. Ze riepen boos: ‘Wij denken dat Paulus niets verkeerds gedaan heeft! Misschien heeft er wel een geest of een engel tegen hem gesproken!’
De Joodse leiders werden steeds bozer op elkaar. De generaal werd bang dat ze Paulus zouden vermoorden. Daarom liet hij zijn soldaten komen. En hij zei: ‘Haal Paulus bij de Joodse leiders weg en breng hem terug naar de kazerne.’ Die nacht kwam de Heer naar Paulus toe en zei: ‘Houd moed! Je hebt in Jeruzalem het goede nieuws over mij verteld. Dat moet je nu ook gaan doen in Rome.’

De volgende dag maakte een groep Joden een plan om Paulus te doden. Ze beloofden plechtig: ‘We zullen pas weer iets eten en drinken als Paulus dood is.’ Aan het geheime plan deden meer dan veertig mannen mee. Ze gingen naar de hogepriesters en de andere leiders, en zeiden: ‘Wij willen Paulus doden. We zullen niets eten of drinken voordat dat gelukt is. Dat hebben we plechtig beloofd. Dit is ons plan: Jullie vragen met z’n allen aan de generaal of hij Paulus nog een keer bij jullie wil brengen. Zogenaamd om beter uit te zoeken wat hij verkeerd gedaan heeft. Onderweg staan wij dan klaar om Paulus te doden.’
Een neef van Paulus hoorde van dat geheime plan. Hij ging naar de kazerne en vertelde het aan Paulus. Paulus riep één van de officieren en zei: ‘Breng mijn neef naar de generaal, want hij moet hem iets vertellen.’ De officier nam de neef van Paulus mee en zei tegen de generaal: ‘De gevangene Paulus riep mij. En hij vroeg of ik zijn neef bij u wilde brengen, want die heeft u iets te zeggen.’ De generaal nam de neef mee naar een plek waar niemand hen kon horen. Toen vroeg hij: ‘Wat kom je mij vertellen?’ De neef van Paulus antwoordde: ‘De Joodse leiders zullen u morgen vragen om Paulus naar hen toe te brengen. Dat hebben ze afgesproken. Ze zullen net doen alsof ze beter willen uitzoeken wat hij verkeerd gedaan heeft. Maar u moet hen niet geloven. Want er staan meer dan veertig mannen klaar om Paulus onderweg te vermoorden. Ze hebben plechtig beloofd niets te eten of te drinken voordat hij dood is. Ze wachten alleen nog op het moment dat u hem komt brengen. Dan vallen ze aan.’
De generaal zei tegen de neef van Paulus: ‘Zeg tegen niemand dat je dit aan mij verteld hebt.’ Daarna liet hij hem gaan.

Toen liet de generaal twee van zijn officieren komen. Hij zei tegen hen: ‘Vanavond om negen uur moeten er vierhonderd soldaten klaarstaan om naar Caesarea te gaan. Tweehonderd van hen moeten gewapend zijn met speren. Houd ook zeventig ruiters klaar, en zorg voor een paard waar Paulus op kan rijden. Breng Paulus veilig naar Felix, de bestuurder van deze provincie.’ De generaal gaf een brief mee voor Felix. Daarin stond het volgende:
‘Van Claudius Lysias, generaal in Jeruzalem.
Aan Felix, de hoogste Romeinse bestuurder van Judea.
Geachte Felix,
Deze man, Paulus, was gevangengenomen door de Joden. Ze wilden hem doden. Maar toen ik hoorde dat hij een Romein was, heb ik hem met mijn soldaten gered. Ik was maar net op tijd.
Ik wilde weten waarvan ze hem beschuldigden. Dus bracht ik hem naar de Joodse leiders. Daar merkte ik dat ze ruzie hadden over hun wet. Maar daar krijg je de doodstraf niet voor, en je hoeft er zelfs de gevangenis niet voor in. Daarna hoorde ik van een geheim plan om Paulus te doden. Daarom stuur ik hem nu naar u toe. De mensen die hem beschuldigen, zal ik ook naar u toe sturen. Dan kunnen ze hun klachten bij u indienen.’

De soldaten deden wat de generaal gezegd had. Ze namen Paulus mee en brachten hem ’s nachts tot de stad Antipatris. De volgende ochtend gingen ze terug naar Jeruzalem.
Alleen de ruiters reisden met Paulus verder. Toen ze in Caesarea aankwamen, gaven ze de brief aan Felix. Daarna brachten ze Paulus bij hem.
Nadat Felix de brief gelezen had, vroeg hij aan Paulus: ‘Uit welke provincie kom je?’ Paulus antwoordde dat hij uit Cilicië kwam. Toen zei Felix: ‘De Joden die jou beschuldigen, komen hierheen. Als ze er zijn, zal ik je nog meer vragen stellen.’ Daarna liet hij Paulus opsluiten in het paleis van Herodes.



Dichter bij de tijd

(Bewerking: C. Leterme)

Paulus kijkt naar de leden van het Sanhedrin en zegt: ‘Broeders, mijn geweten is zuiver. Want tot op de dag van vandaag heb ik mijn hele leven in dienst gesteld van God. Ik sta hier terecht omdat ik geloof dat de doden zullen opstaan!’
Wanneer Paulus dit zegt, ontstaat er onenigheid tussen de Farizeeën en de Sadduceeën en raakt de vergadering verdeeld. Want de Sadduceeën beweren dat er geen verrijzenis is, terwijl de Farizeeën geloven dat er wel een verrijzenis is.
Enkele Farizeeën staan op en zeggen: ‘Wij vinden dat deze man niets heeft misdaan!’ De onenigheid neemt nog toe. De tribuun vreest dat de leden van het Sanhedrin Paulus zullen lynchen. Hij laat een afdeling soldaten komen om hem terug te brengen naar de kazerne.

Die nacht droomt Paulus dat Jezus hem zegt: ‘Houd moed!
Zoals je in Jeruzalem over Mij gesproken hebt, zo moet je dat ook in Rome doen.’

De volgende ochtend komen er een veertigtal joden bijeen. Ze zeggen:
‘Wij zullen niet meer eten of drinken voor Paulus dood is’. Daarna gaan ze naar de hogepriesters en de oudsten en zeggen: ‘We hebben afgesproken om niets meer te eten tot we Paulus gedood hebben.
Zou u aan de tribuun kunnen vragen om Paulus naar u toe te brengen om hem verder te verhoren. Dan staan wij klaar om hem nog vóór zijn aankomst te doden.’ Maar de neef van Paulus hoort van dit plan.
Hij gaat naar de kazerne. Als hij binnen is, vertelt hij aan Paulus over de samenzwering. Paulus laat een honderdman bij zich komen en zegt: ‘Breng deze jongeman naar de tribuun, want hij heeft hem iets te zeggen.’ De honderdman gaat met de neef naar de tribuun en zegt:
‘De gevangene Paulus heeft me gevraagd om deze jongeman bij u te brengen, want hij heeft u iets te zeggen.' De tribuun neemt de neef mee naar een plek waar niemand hen kan horen. Hij vraagt: ‘Wat heb je me te zeggen?’ De neef antwoordt: ‘De Joden zullen u vragen om Paulus morgen naar hun raad te laten brengen, zogezegd om zijn zaak zogezegd nader te kunnen onderzoeken. Maar daar is niets van aan: meer dan veertig mannen willen hem onderweg vermoorden. Ze staan al klaar en wachten alleen nog op het moment dat u Paulus laat gaan.’

De tribuun laat de neef vertrekken. Hij zegt nog: ‘Vertel aan niemand dat je me dit hebt gezegd.’ Daarna laat hij twee honderdmannen komen en zegt: ‘Zorg dat er vanavond laat tweehonderd soldaten klaar staan om naar Caesarea te gaan, samen met zeventig ruiters en tweehonderd lichtbewapende mannen; zorg ook voor een stel rijdieren zodat we Paulus veilig naar procurator Felix kunnen brengen.’
Daarna schrijft hij de volgende brief aan Felix:
‘Claudius Lysias aan zijne excellentie procurator Felix: gegroet!
Toen deze man werd opgepakt door de Joden stonden ze op het punt hem te vermoorden. Ik heb hem toen samen met mijn soldaten bevrijd, omdat hij een Romeins burger is. Omdat ik wilde weten waarvan ze hem beschuldigden, bracht ik hem naar hun raad. Daar stelde ik vast dat de beschuldigingen te maken hadden met meningsverschillen inzake hun wet. Er werd hem niets ten laste gelegd dat wij met dood of gevangenschap straffen. Omdat iemand me vertelde dat men van plan was hem te vermoorden, heb ik hem naar u gezonden. Aan degenen die hem beschuldigen heb ik gezegd dat ze hun klachten tegen hem aan u moeten voorleggen.’

Wat later halen de soldaten Paulus op en brengen hem in de nacht naar Antipatris. De volgende dag gaan de ruiters met hem verder naar Caesarea. Daar geven ze de brief aan de landvoogd en leveren ze Paulus bij hem af. De landvoogd leest de brief en vraagt: ‘Uit welke provincie kom jij?’ ‘Uit Cilicië,’ zegt Paulus. ‘Ik zal u verhoren, zodra uw aanklagers zijn aangekomen,’ zegt de landvoogd. En tegen zijn soldaten zegt hij: ‘Zet hem gevangen in het pretorium van Herodes.’



Stilstaan bij…

Ananias
Hogepriester van 47 tot 59 na Christus. Hij werd in het begin van de Joodse oorlog (66-70 na Christus) vermoord door de Zeloten.

Farizeeër
Paulus blijft uit een familie van Farizeeërs te komen.

Neef
De neef waarvan sprake was de zoon van de zus van Paulus (Handelingen 23, 16).
Dat Paulus familie had in Jeruzalem, wordt verondersteld omdat Paulus al heel jong naar Jeruzalem werd gestuurd voor zijn opleiding. Zijn familie zou hem hierbij opgevangen hebben.

Felix
Procurator (gouverneur) van Judea van 52 tot 60 na Christus. Onder zijn bewind steeg de spanning met de Joodse opstandelingen. Hij werd in 60 na Christus naar Rome teruggeroepen omwille van zijn onbekwaam optreden tijdens rellen in Caesarea.

Antipatris
Stad op de weg van Jeruzalem naar Caesarea, op ruim 60 kilometer van Jeruzalem. Daar was Paulus zeker buiten het bereik van de Joden uit Jeruzalem.
Lees meer

Caesarea
Stad die door Herodes de Grote grondig werd herbouwd ter ere van de keizer.
Toen Paulus leefde was het de residentie van de Romeinse procurator (gouverneur).
Lees meer

Pretorium
Residentie van de Romeinse gouverneur.
Het pretorium was het vroeger zomerpaleis van koning Herodes de Grote.