Landbouwer
Wie?
Een landbouwer is iemand die gewassen verbouwt / teelt en/of veehouder is. Hij gebruikt / ‘bebouwt’ het land om producten te bekomen die nodig zijn om mensen te voeden en te kleden.
In de tijd van de Bijbel was dit op de eerste plaats voedsel dat bestemd was voor hemzelf en zijn gezin, op de tweede plaats voor de gemeenschap en de eventuele landeigenaar. Het vee dat hij hield (schapen, geiten, runderen, ezels …) zorgde voor melk, melkproducten, wol en kon functioneren als middel voor transport en werk op het land.
Een aantal mensen werkten als landbouwers in dienst van rijkere landeigenaren.
Het beroep werd meestal binnen de familie doorgegeven van generatie op generatie: kinderen groeiden op met de kennis en de vaardigheden van hun ouders waardoor ze later hun boerderij konden overnemen.
Soorten producten die geteeld werden
| Graangewassen | Tarwe | Belangrijk basisvoedingsmiddel, dat meestal gebruikt werd om er brood van te bakken. Soms werd het gepoft. |
| Gerst | Werd gebruikt om er brood mee te bakken. Omdat het goedkoper was dan graan, werd het vooral gebruikt door arme mensen en als voeder voor de dieren. | |
| Peulvruchten | Linzen | Een proteïnerijk voedingsmiddel. |
| Bonen | Bevatten belangrijke mineralen als: ijzer, magnesium, kalium en zink. | |
| Vruchten | Druiven | Werden verbouwd in wijngaarden en gebruikt voor het maken van wijn. |
| Olijven | Ze konden zo opgegeten worden, maar ze waren vooral waardevol omwille van de olie die eruit geperst werd. Die olie gebruikte men bij het koken, om te branden (verlichting) en om er zalf van te maken. | |
| Vijgen | Vijgen werden vers gegeten of gedroogd voor later gebruik. | |
| Dadels | Dadels waren een belangrijk voedsel voor de nomaden. Ze zijn rijk aan vitamine A en B, aan ijzer, magnesium en fosfor en ze bevatten veel vezels. Ze werden vers of gedroogd gegeten | |
| Granaatappels | Deze vruchten bevatten veel antioxidanten. De zaden ervan werden vers gegeten (in salades), of geperst tot sap. | |
| Noten | Amandelen | Deze noten bevatten veel gezonde vetten, eiwitten, vitamine E, magnesium en vezels. Ze werden zowel rauw als geroosterd gegeten. |
| Groenten | Komkommers | Groenten die de Israëlieten in Egypte leerden kennen. |
| Prei, uien, knoflook | Ook deze groenten leerde men in Egypte kennen. | |
| Kruiden | Munt, dille, komijn | Smaakmakers met geneeskrachtige kwaliteiten. |
| Vlas | Er werd vlas verbouwd voor de productie van linnen. Daarvoor werden de stengels bewerkt om er garen van te maken. | |
Taken in de akkerbouw
| Ploegen | Vooraleer te zaaien werd de grond omgeploegd met een houten ploeg die getrokken werd door runderen of ezels. | |
| Zaaien | Daarna werd zaad gestrooid over de voorbereide grond. Vaak ging men er met de ploeg nog eens over om het zaad met aarde te bedekken. | |
| Oogsten | Graanhalmen werden met een sikkel afgesneden en in schoven gebonden. | |
| Dorsen | Daarna werden de graanhalmen gespreid op een dorsvloer om het graan van de aren te kunnen scheiden (= dorsen). Dit gebeurde door er met dorsvlegels op te slaan of er dieren op te laten lopen al dan niet met een dorsslede. | |
| Wannen | Dan werd het graan gewand om het kaf van de korrels te scheiden. Dit deed men door het graan met een riek of een wan de lucht in te gooien zodat de wind het kaf kon wegblazen. | |
| Bewaren | Na de oogst sloeg men het graan op in schuren zodat het niet zou bederven of gestolen worden. | |
Landbouwkalender
Het werk van een landbouwer werd bepaald door het ritme van de seizoenen. Een kinderrijmpje uit de tijd van Koning Salomo maakt dit op een eenvoudige manier duidelijk:
'Twee maanden voor de (olijf)oogst
Twee maanden voor het planten (van het graan)
Twee maanden voor het late planten
Eén maand voor het vlas
Een maand voor de gerst
Eén maand voor het oogsten en feesten
Twee manden voor het verzorgen van wijnstokken
Eén maand voor het zomerfruit.'
De landbouwkalender bepaalde ook de verschillende grote feesten die men kende:
| Pesach | Pasen | Feest van de gerstoogst |
| Sjavoeot | Wekenfeest / Pinksteren/ Zeven weken na Pesach (Pinksteren) | Feest van de tarweoogst |
| Soekot | (Loofhuttenfeest) | Feest van de druivenoogst |
Zorg voor mens en natuur
In de Bijbel staat dat de landbouwers een deel van de oogst moesten laten liggen, zodat armen en vreemdelingen die konden oprapen.
“Als gij uw oogst van het land haalt, moogt gij uw akker niet tot de rand afmaaien en wat is blijven liggen niet bijeenrapen. Gij moogt in uw wijngaard geen nalezing houden en de afgevallen druiven niet bijeenrapen. Dat alles is bestemd voor de arme en de vreemdeling.” (Leviticus 19, 9-10).
Ook voor de natuur moest gezorgd worden. Om uitputting van de gronden tegen te gaan, mocht men elke zeven jaar gedurende een jaar (= sabbatjaar) de grond niet bewerken.
"Gedurende zes jaar kunt gij uw land bewerken en de opbrengst oogsten. Maar tijdens het zevende jaar moet gij het niet bewerken en het braak laten liggen. Dan kunnen de behoeftigen van uw volk er van eten. Wat zij overlaten is voor de dieren die in het wild leven. Hetzelfde geldt ook voor uw wijngaard en uw olijftuin."
(Exodus 23, 10-11)
Spreken met beelden
Jesaja gebruikt de taal van de landbouwers om de relatie tussen God en mens te verwoorden:
“Zie, Ik maak een dorsslee van u, scherp, nieuw, met dubbele snede; bergen zult gij dorsen en verpulveren, heuvels behandelen als kaf. Een wind waait ze weg als gij ze want, en een storm blaast ze uiteen; maar gij zult juichen om Jahwe, vol trots zingen, Israëls Heilige ter eer.” (Jesaja 41, 15-16)
Jezus gebruikte in zijn toespraken bekende gegevens uit de landbouw om een en ander duidelijk te maken.
“De wan heeft Hij in zijn hand en Hij zal zijn dorsvloer grondig zuiveren. Zijn tarwe zal Hij in de schuur verzamelen, maar het kaf verbranden in onblusbaar vuur.” (Matteüs 3, 12)
In de parabel van de zaaier vertelde Hij over de werking van het woord van God in het leven van de mens met woorden die elke landbouwer toen goed kende.
"Gij dan, luistert naar de gelijkenis van de zaaier: Zo dikwijls iemand het woord van het Koninkrijk wel hoort maar niet begrijpt, komt de boze en rooft weg wat gezaaid ligt in zijn hart; dat is hij die op de weg gezaaid is. Die op rotsachtige plekken werd gezaaid, is hij die het woord hoort en het terstond met blijdschap opneemt: maar hij heeft geen wortel geschoten, hij leeft bij het ogenblik, en als hij omwille van het woord verdrukt of vervolgd wordt, komt hij onmiddellijk ten val. Die gezaaid werd tussen distels is hij die het woord wel hoort, maar dit wordt door de zorgen van de wereld en de begoocheling van de rijkdom verstikt en zo blijft het zonder vruchten. Maar die in goede aarde werd gezaaid, is hij die het woord hoort en begrijpt en daarom vrucht draagt: bij de één is de opbrengst honderdvoudig, bij een ander zestigvoudig en bij een ander dertigvoudig.” (Matteüs 13, 18-23)
Paulus sprak over de groei van de christelijke gemeente, zoals landbouwers over hun werk spreken: "‘Ik heb geplant, Apollos heeft begoten, maar God gaf de bloei.’" (1 Korintiërs 3, 6).
Landbouwers in de Bijbel
Oude Testament
Taken in de landbouw
1 Koningen 19, 19
”Elia vertrok vandaar en trof Elisa, de zoon van Safat, terwijl die aan het ploegen was. Twaalf koppels ossen gingen voor hem uit; hijzelf bevond zich bij het twaalfde.”
Jeasja 28, 24-28
“Blijft de boer de hele tijd ploegen, de akker scheuren en voren trekken? Egt hij ook zijn land niet en strooit hij dan geen komijn - of karwijzaad? Zaait hij geen tarwe, gierst en gerst op hun plaats, en spelt op de rand van de akker? Deze vaardigheid heeft hij geleerd van zijn God die hem daarin onderwees. Karwijzaad wordt niet gedorst met de slede, men rolt geen dorsrad over komijn, karwijzaad wordt met een stok uitgeslagen en komijn met een vlegel. Wordt broodkoren geplet? Neen, het rad van de dorswagen en de paarden brengt men in machten: maar het koren plet men niet.”
Zorg voor de armen
Deuteronomium 24, 19-21
“Wanneer ge bij het binnenhalen van de oogst een schoof op uw akker vergeet, moogt ge niet teruggaan om die te halen. Ge moet die overlaten aan vreemdelingen, weduwen en wezen. Dan zal Jahwe uw God u zegenen bij al uw werk. Wanneer ge de olijven hebt afgeslagen, moogt ge de takken niet opnieuw gaan afzoeken. Dat is het deel van vreemdelingen, weduwen en wezen. Wanneer ge de oogst van uw wijngaard inzamelt, moogt ge geen nalezing houden. Dat is het deel van vreemdelingen, weduwen en wezen.”
Nieuwe Testament
Taken in de landbouw
Matteüs 13, 3-8
“Hij sprak tot hen over vele dingen in gelijkenissen. “Eens", zo begon Hij, "ging een zaaier uit om te zaaien. Bij het zaaien viel een gedeelte op de weg en de vogels kwamen het opeten. Een ander gedeelte viel op de rotsachtige plekken, waar het niet veel aarde had; het schoot snel op omdat het in ondiepe grond lag. Toen de zon was opgekomen, kreeg het te lijden van de hitte, zodat het verdorde bij gebrek aan wortel. Weer een ander gedeelte viel onder de distels en deze schoten op, zodat het verstikte. Een ander gedeelte tenslotte viel op goede grond en leverde vrucht op: deels honderd-, deels zestig-, deels dertigvoudig."
Lees meer
Matteüs 6, 26
“Let eens op de vogels in de lucht: ze zaaien niet en maaien niet en verzamelen niet in schuren, maar uw hemelse Vader voedt ze.”
Lees meer